Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB5568

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
428282 cv 07-227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van een collectieve actie van de bonden gericht tegen een eenzijdige wijziging van de bedrijfsautoregeling door de werkgever, die ontkent dat sprake is van een arbeidsvoorwaarde. Ongeacht hoe werknemers in de loop der jaren feitelijk individueel de beschikking hebben gekregen over een ter beschikking gestelde leaseauto, geldt de van kracht geworden bedrijfsautoregeling als een in alle arbeidsovereenkomsten geïncorporeerde regeling van arbeidsvoorwaarden. Er is ook sprake van een arbeidsvoorwaarde als een betrokken werknemer de bedrijfsauto uitsluitend en alleen ten behoeve van de te verrichten arbeid gebruikt. Op basis van de opstelling van de ondernemingsraad kan (nog) niet worden vermoed dat sprake is van het vereiste zwaarwichtige belang aan de zijde van de werkgever, maar deze kan met vrucht een beroep doen op het in artikel 1 van de bedrijfsautoregeling opgenomen eenzijdig wijzigingsbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Tilburg

zaak/rolnr.: 428282-CV-07/227

vonnis d.d. 10 oktober 2007

inzake

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Amsterdam,

2. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging DE UNIE,

gevestigd te Culemborg,

eisende partij bij exploot van dagvaarding d.d. 4 januari 2007,

gemachtigde: mr. S.M.C. Postma, jurist ten kantore van FNV Bondgenoten te Rotterdam

tegen:

de besloten vennootschap ERICSSON TELECOMMUNICATIE B.V.,

gevestigd te 5121 ML Rijen, gemeente Gilze en Rijen, Ericssonstraat 2,

gedaagde partij bij voormeld exploot,

gemachtigde: mr. drs. G.A. Diebels, advocaat te Tilburg.

Partijen worden hierna aangeduid als de Bonden en Ericsson Telecommunicatie.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

1.1 de inleidende dagvaarding met producties,

1.2 de conclusie van antwoord met producties,

1.3 de conclusie van repliek waarin blijkens de nagezonden brief van 1 juni 2007 namens beide eisende partijen werd geconcludeerd, met producties,

1.4 de conclusie van dupliek met producties.

2. Het geschil

De Bonden vorderen, samengevat, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- verklaring voor recht dat Ericsson Telecommunicatie door de eenzijdige wijziging van de bedrijfsautoregeling toerekenbaar de arbeidsovereenkomst met haar werknemers die het gebruik hadden van een leaseauto niet is nagekomen althans jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld,

- veroordeling van Ericsson Telecommunicatie op verbeurte van een dwangsom tot: 1e ongedaanmaking van de eenzijdige wijziging van de bedrijfsautoregeling en haar ingetreden gevolgen, 2e nakoming van de bedrijfsautoregeling zoals die voor 1 februari 2006 van kracht was jegens de medewerkers die op die datum de beschikking hadden over een leaseauto, 3e het alsnog toekennen van een bedrijfsauto aan de werknemers die op grond van de eenzijdige wijziging na het einde van het leasecontract geen bedrijfsauto meer toegekend hebben gekregen, 4e het alsnog toekennen van een bedrijfsauto als arbeidsvoorwaarde aan degenen die op grond van de gewijzigde regeling na 1 februari 2006 niet in aanmerking werden gebracht voor een bedrijfsauto, en

- veroordeling van Ericsson Telecommunicatie in de proceskosten.

Ericsson Telecommunicatie weerspreekt de vordering.

3. De beoordeling

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist staat tussen partijen het navolgende in rechte vast.

3.1.1 Blijkens uittreksel uit het handelsregister drijft Ericsson Telecommunicatie een onderneming waarin meer dan 1.500 personen werkzaam zijn en met als bedrijfsomschrijving: “De elektrotechnische industrie- en de metaalindustrie en aanverwante activiteiten, gelijk installatie- en reparatiewerkzaamheden, en het drijven van handel in de ruimste zin”.

3.1.2 In de loop der jaren hebben veel werknemers van (rechtsvoorgangers van) Ericsson Telecommunicatie de beschikking gekregen over een leaseauto.

3.1.3 Op 17 januari 2002 sloten onder meer Ericsson Telecommunicatie, haar ondernemingsraad en een aantal vakorganisaties een convenant. Blijkens het op 17 januari 2002 daarvan opgemaakte en mede namens de Bonden geparafeerde geschrift, werd daarbij onder meer afgesproken dat de bestuurders van Ericsson Telecommunicatie eventuele afspraken over een leaseautoregeling niet met de vakorganisaties maar met de ondernemingsraad zullen maken.

3.1.4 Ericsson Telecommunicatie voert met betrekking tot de toewijzing van bedrijfsauto’s het beleid zoals neergelegd in de met ingang van 15 juli 2003 van kracht geworden “Company Car Allocation” (hierna: de bedrijfsautoregeling). Onder artikel 1 van de bedrijfsautoregeling staat dat de werkgever de bevoegdheid heeft de bedrijfsautoregeling te wijzigen indien zij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zal worden geschaad, daarvoor naar redelijkheid en billijkheid moet wijken. Volgens een onder artikel 2 van de bedrijfsautoregeling nader uitgewerkt systeem vindt toewijzing van een bedrijfsauto plaats op basis van 3 criteria: 1e medewerkers die behoren tot een nader genoemde functiefamilie en aan aanvullende criteria voldoen, 2e medewerkers die 12.000 of meer zakelijke kilometers per jaar rijden en 3e loopbaanontwikkeling. Blijkens artikel 2.1.1 van de bedrijfsautoregeling vindt toewijzing van een bedrijfsauto op basis van het 1e criterium plaats aan medewerkers die zijn ingedeeld in nader aangeduide functiefamilies in en vanaf functiegroep 9 en aan aanvullende criteria voldoen. Voor zover hier van belang vindt volgens artikel 2.1.1 van de bedrijfsautoregeling daarbij toewijzing van een bedrijfsauto plaats aan medewerkers die zijn ingedeeld in de functiefamilie Support Services Engineer in en vanaf functiegroep 9 “plus last resort en reizend naar eind klanten (niet behorende tot Ericsson Telecommunicatie) binnen reisafstand per auto”. Artikel 6.2.1 van de bedrijfsautoregeling bepaalt onder meer dat de bedrijfsauto dient te worden ingeleverd indien de medewerker wegens arbeidsongeschiktheid langer dan 12 maanden geen feitelijke werkzaamheden voor de werkgever verricht en behoudt de werkgever zich het recht voor de bedrijfsauto eerder terug te vorderen, indien deze door ziekte niet wordt gebruikt voor een periode van meer dan 1 maand. Ingevolge artikel 10 van de bedrijfsautoregeling, voor zover hier van belang, mag een aan een werknemer toegewezen bedrijfsauto door de werknemer privé gebruikt worden maar zijn werknemers verplicht de bedrijfsauto altijd beschikbaar te houden voor hun werk en moet de bedrijfsauto tijdens arbeidsuren voor de werknemer altijd beschikbaar zijn voor direct en onmiddellijk gebruik. Volgens artikel 10 van de bedrijfsautoregeling, voor zover hier van belang, mag de bedrijfsauto bereden worden door de werknemer, diens gezinsleden en diens collega’s mits zij over een geldig rijbewijs beschikken.

3.1.5 Op 7 maart 2005 verzocht Ericsson Telecommunicatie aan haar ondernemingsraad om een advies uit te brengen over het voorgenomen besluit de bedrijfsautoregeling zodanig aan te passen dat, zakelijk weergegeven, de medewerkers die zijn ingedeeld in de functiefamilie Support Services Engineer in functiegroep 9 “plus last resort en reizend naar eind klanten (niet behorende tot Ericsson Telecommunicatie) binnen reisafstand per auto” als zodanig niet langer zonder meer in aanmerking komen voor een leaseauto en dat criterium als zodanig te laten vervallen, met een overgangsregeling voor de werknemers die hun auto als gevolg van dat voorstel zouden moeten inleveren.

3.1.6 Nadat de ondernemingsraad op 25 juli 2005 negatief had geadviseerd, trok Ericsson Telecommunicatie haar oorspronkelijke adviesaanvraag in en verzocht Ericsson Telecommunicatie op 11 november 2005 aan haar ondernemingsraad om een advies uit te brengen over het voorgenomen besluit de bedrijfsautoregeling zodanig aan te passen dat, zakelijk weergegeven, de medewerkers die zijn ingedeeld in de functiefamilie Support Services Engineer in functiegroep 9 “plus last resort en reizend naar eind klanten (niet behorende tot Ericsson Telecommunicatie) binnen reisafstand per auto” als zodanig niet langer zonder meer in aanmerking komen voor een leaseauto en dat criterium als zodanig te laten vervallen en te vervangen door het criterium: medewerkers die zijn ingedeeld in de functiefamilie Support Services Engineer in functiegroep 11 “en reizend naar eindklanten (niet behorende tot Ericsson Telecommunicatie) binnen reisafstand per auto”, met een aangepaste overgangsregeling en een compensatieregeling voor de werknemers die hun auto als gevolg van dat voorstel zouden moeten inleveren.

3.1.7 Nadat de ondernemingsraad op 22 december 2005 opnieuw negatief had geadviseerd, stelde Ericsson Telecommunicatie de ondernemingsraad op 23 december 2005 schriftelijk in kennis van haar besluit om ondanks de negatieve advisering door de ondernemingsraad de voorgenomen aanpassing van de bedrijfsautoregeling met ingang van 1 februari 2006 door- en uit te voeren. Krachtens dat besluit van Ericsson Telecommunicatie is, samengevat en voor zover hier van belang, met ingang van 1 februari 2006 het voornoemde toekenningcriterium van medewerkers in de functiefamilie Support Services Engineer in functiegroep 9 uit de bedrijfsautoregeling verdwenen en vervangen door het toekenningscriterium: medewerkers die zijn ingedeeld in de functiefamilie Support Services Engineer in functiegroep 11 “en reizend naar eindklanten (niet behorende tot Ericsson Telecommunicatie) binnen reisafstand per auto”. Bij dat besluit is ook voorzien in een nader uitgewerkte overgangsregeling voor de periode van 1 februari 2006 tot 1 februari 2007 en een compensatieregeling, voor de werknemers die hun auto als gevolg van de aanpassing van de bedrijfsautoregeling dienen in te leveren.

3.1.8 Op 27 januari 2006 werden de 107 betrokken werknemers met een bedrijfsauto door Ericsson Telecommunicatie geïnformeerd over onder meer de vastgestelde aanpassing van de bedrijfsautoregeling met ingang van 1 februari 2006, de overgangsregeling en de compensatieregeling.

3.2 De Bonden leggen aan de vordering ten grondslag artikel 3:305a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), ingevolge welke bepaling zij een zogenoemde collectieve actie kunnen instellen. De Bonden stellen, in hoofdlijn en samengevat, dat de toekenning van een bedrijfsauto aan de werknemers van Ericsson Telecommunicatie moet worden gezien als een (secundaire) arbeidsvoorwaarde, die in beginsel slechts kan worden gewijzigd met instemming van de betrokken werknemer, ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of krachtens een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW. Bij gebreke daarvan kan Ericsson Telecommunicatie een dergelijke wijziging tegenover de betrokken werknemers volgens de Bonden alleen doorvoeren op grond van haar gezagsverhouding, bij onvoorziene omstandigheden, op grond van redelijkheid en billijkheid of op grond van goed werknemerschap. De Bonden betogen in het bijzonder dat Ericsson Telecommunicatie geen beroep toekomt op een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW, terwijl Ericsson Telecommunicatie volgens de Bonden in haar besluitvorming terzake slechts in beperkte mate heeft blijkgegeven van een belangenafweging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, met name door de beperkte compensatie voor de getroffen werknemers.

3.3 Ericsson Telecommunicatie verweert zich door, in hoofdlijn en samengevat, te stellen dat niet is voldaan aan de substantiërings- en bewijsaandraagplicht van artikel 111, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), zodat de vordering al moet worden afgewezen vanwege het niet voldoen aan de stelplicht en anders in ieder geval in de proceskostenveroordeling tot uiting moet komen. Ericsson Telecommunicatie ontkent verder dat ten aanzien van enige betrokken werknemer sprake is van een arbeidsvoorwaarde en stelt, samengevat, dat de Bonden desverzocht ook niet hebben aangegeven in welke individuele gevallen dan wellicht toch sprake zou kunnen zijn van een arbeidsvoorwaarde, terwijl Ericsson Telecommunicatie - net als de toenmalige ondernemingsraad die in het kader van het adviestraject instemde met de per 15 juli 2003 van kracht geworden bedrijfsautoregeling - de bedrijfsauto steeds kenbaar als bedrijfsmiddel heeft aangemerkt. Dat de bedrijfsauto een bedrijfsmiddel is blijkt volgens Ericsson Telecommunicatie ook uit het toepasselijke toekenningscriterium dat naast de bewuste functiefamilie ook aan aanvullende - werkgerelateerde - criteria moet zijn voldaan, uit de met werknemers gesloten - en als zodanig door de ondernemingsraad goedgekeurde - gebruikersovereenkomsten waarin steeds staat dat de bedrijfsauto ter beschikking wordt gesteld “voor de uitoefening van (…) voormelde functie” en uit de omstandigheid dat Ericsson Telecommunicatie de bedrijfsauto in elk geval vanaf 2003 steeds kenbaar als bedrijfsmiddel heeft aangemerkt. Dat het geen arbeidsvoorwaarde betreft blijkt volgens Ericsson Telecommunicatie met name uit de omstandigheid dat de Bonden desverzocht niet hebben aangetoond dat keiharde toezeggingen aan werknemers zijn gedaan dat het een arbeidsvoorwaarde betreft, dat het enkele privégebruik daartoe niet voldoende is nu de betrokken werknemers voor de tot 12.000 gelimiteerde privé-kilometers per jaar zelf betalen middels de fiscale bijtelling en de doorgaans te betalen eigen bijdrage en bovendien een kilometerkostprijs én dat privégebruik ook ingevolge artikel 10 van de bedrijfsautoregeling niet ongelimiteerd is toegestaan. Volgens Ericsson Telecommunicatie ligt de nadruk in ieder geval meer op de functiegerelateerdheid dan op het beloningsaspect, zodat zij ook daarom geen arbeidsvoorwaarde maar een bedrijfsmiddel aanwezig acht.

Voor het geval wel sprake mocht zijn van een arbeidsvoorwaarde stelt Ericsson Telecommunicatie, samengevat, dat artikel 1 van de bedrijfsautoregeling een eenzijdig wijzigingsbeding bevat terwijl het rechtsvermoeden bestaat dat zij bij de wijziging een doorslaggevend belang heeft, omdat de bezwaren van de ondernemingsraad zich niet richtten tegen het belang van Ericsson Telecommunicatie bij de wijziging maar de ondernemingsraad zich alleen negatief toonde vanwege de compensatieregeling. Volgens Ericsson Telecommunicatie stellen de Bonden ook onvoldoende dat Ericsson Telecommunicatie bij de wijziging niet het vereiste zwaarwichtig belang heeft. Ericsson Telecommunicatie betoogt verder bij de wijziging daadwerkelijk het vereiste zwaarwichtige belang te hebben, waarbij zij onder meer wijst op eerder al doorgevoerde reorganisaties, gedwongen ontslagen, doorgevoerde kostenreducties en financieel-economische gegevens. Ericsson Telecommunicatie stelt met de bij brieven van 27 januari 2006 aan de betrokken werknemers gedane opzegging van het gebruik van de bedrijfsauto en de daarbij gehanteerde overgangsregeling die ook een financiële compensatiemogelijkheid kent, de eisen van zorgvuldigheid en goed werkgeverschap in acht te hebben genomen. Ook stelt Ericsson Telecommunicatie dat de gewijzigde bedrijfsautoregeling in ieder geval geldt voor degenen die op 1 februari 2006 niet beschikten over een toegekende bedrijfsauto.

3.4 De kantonrechter overweegt dat het exploot van dagvaarding ingevolge artikel 111, derde lid, Rv, samengevat, de door Ericsson Telecommunicatie eerder aangevoerde verweren en de gronden daarvoor dient te vermelden. Volgens die wetsbepaling dient, samengevat, eiser daarin ook al de beschikbare bewijsmiddelen te vermelden en aan te geven welke getuigen kunnen worden gehoord ter staving van de betwiste gronden van de eis. De wetgever heeft daarmee beoogd een versnelling van de procedure te bereiken, met name omdat aldus al in de dagvaarding het werkelijke geschil in volle omvang zichtbaar wordt gemaakt. De onderhavige dagvaarding bevat niet alleen het standpunt van de Bonden maar vermeldt ook duidelijk de hoofdlijn van het eerder door Ericsson Telecommunicatie aan de Bonden al kenbaar gemaakte verweer, terwijl daarvoor in de dagvaarding bovendien nog expliciet wordt verwezen naar de daarbij ook overgelegde schriftelijke correspondentie van Ericsson Telecommunicatie. Dat de Bonden in de dagvaarding geen melding maken van hun eventueel beschikbare bewijsmiddelen en van de mogelijk te horen getuigen ter staving van de betwiste gronden van hun eis, kan wellicht wel gevolgen hebben in de verdere procedure maar enkel die omstandigheid leidt nog niet tot afwijzing van de vordering. Daarbij is mede van belang dat het onderhavige geschil in belangrijke mate ook een rechtsvraag betreft. In artikel 120 Rv heeft de wetgever de bepaling van artikel 111, derde lid, Rv bovendien ook uitdrukkelijk uitgezonderd van op straffe van nietigheid in acht te nemen voorschriften. De Bonden hebben al in de dagvaarding het werkelijke geschil duidelijk zichtbaar gemaakt. Bovendien is niet uitdrukkelijk gesteld en ook niet gebleken, dat Ericsson Telecommunicatie door de onderhavige dagvaarding op enigerlei wijze in haar belangen werd geschaad. Reeds daarom verhindert het door Ericsson Telecommunicatie opgeworpen verweer met betrekking tot de substantiërings- en bewijsaandraagplicht niet dat het geschil thans inhoudelijk wordt beoordeeld.

3.5 Tussen partijen is niet in geschil dat meerdere werknemers van Ericsson Telecommunicatie in het kader van hun arbeidsovereenkomst in de loop der jaren feitelijk individueel de beschikking hebben gekregen over een hen door Ericsson Telecommunicatie ter beschikking gestelde leaseauto, waarbij dat soms bij arbeidscontract, soms bij afzonderlijke brief of soms zelfs in het geheel niet schriftelijk was vastgelegd. Niet in geschil is echter ook dat de met ingang van 15 juli 2003 van kracht geworden bedrijfsautoregeling binnen de onderneming van Ericsson Telecommunicatie algemeen is gaan gelden en dat die bedrijfsautoregeling in beginsel op alle arbeidsovereenkomsten van Ericsson Telecommunicatie met haar werknemers van toepassing is geworden. In die bedrijfsautoregeling zelf werd dat aldus verwoord, dat de regeling “vanaf 15 juli 2003 (is) geïmplementeerd. Op 15 juli 2004 zal de bedrijfsautoregeling integraal van kracht zijn voor alle medewerkers”. Waar de bedrijfsautoregeling ook blijkens de stellingen van de Bonden door de werknemers van Ericsson Telecommunicatie sindsdien als zodanig is aanvaard, heeft gelet op het voorgaande als uitgangspunt te gelden dat de bedrijfsautoregeling in alle huidige arbeidsovereenkomsten van Ericsson Telecommunicatie met haar werknemers inmiddels is geïncorporeerd.

3.6 Algemeen bekend is dat een hen door de werkgever individueel toegekende bedrijfsauto door de betrokken werknemers doorgaans als een relevant onderdeel van hun arbeidsovereenkomst en als een relevant onderdeel van hun beloning voor de te verrichten arbeid pleegt te worden ervaren. Ericsson Telecommunicatie stelt de bedrijfsauto’s uitsluitend met het oog op het verrichten van werkzaamheden en als bedrijfsmiddel ter beschikking te stellen terwijl bij de toekenningscriteria van de bedrijfsautoregeling ook de vervulling van bepaalde functies een rol speelt of kan spelen, maar de bedrijfsautoregeling kent ook bepalingen en voorzieningen voor bijvoorbeeld het privé-gebruik van de individueel toegekende bedrijfsauto door de betrokken werknemers en voor het gebruik van een dergelijke bedrijfsauto door de betrokken werknemers tijdens perioden van hun arbeidsongeschiktheid. Met name uit deze feiten en omstandigheden bezien in hun onderlinge samenhang, volgt dat de bedrijfsautoregeling duidelijk het karakter draagt van een regeling van arbeidsvoorwaarden en gekwalificeerd moet worden als een arbeidsvoorwaardenregeling. Of en in hoeverre partijen of andere in het veld bij arbeidsverhoudingen betrokken organisaties dat in het verleden of nu wellicht anders beoordelen of mochten hebben beoordeeld, kan er niet aan afdoen dat de onderhavige bedrijfsautoregeling naar het oordeel van de kantonrechter als een arbeidsvoorwaardenregeling moet worden gekwalificeerd.

3.7 Nu de bedrijfsautoregeling als een regeling van arbeidsvoorwaarden in alle arbeidsovereenkomsten van Ericsson Telecommunicatie met haar werknemers is geïncorporeerd, betreft in ieder geval de (toekenning van een) individuele bedrijfsauto dus ten aanzien van alle betrokken werknemers van Ericsson Telecommunicatie een arbeidsvoorwaarde. Zelfs indien een betrokken werknemer de hem of haar op basis van de bedrijfsautoregeling individueel toegekende bedrijfsauto uitsluitend en alleen ten behoeve van de te verrichten arbeid mocht gebruiken, ontneemt dat aan de - ook in zijn of haar arbeidsovereenkomst geïncorporeerde - bedrijfsautoregeling nog niet het karakter van een arbeidsvoorwaardenregeling en betreft de hem of haar op basis van die regeling toegekende individuele bedrijfsauto dan een arbeidsvoorwaarde.

3.8 Voor zover de Bonden zich op het standpunt stellen dat Ericsson Telecommunicatie de bedrijfsautoregeling nimmer kan en mag wijzigen, is dat standpunt rechtens onjuist. De in alle arbeidsovereenkomsten van Ericsson Telecommunicatie met haar werknemers geïncorporeerde bedrijfsregeling kent in artikel 1 immers een schriftelijk wijzigingsbeding dat haar de bevoegdheid geeft de bedrijfsautoregeling te wijzigen. Ericsson Telecommunicatie kan op dat beding echter slechts een beroep doen indien zij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemers dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

3.9 Ericsson Telecommunicatie betoogt bij de wijziging daadwerkelijk het vereiste zwaarwichtige belang te hebben. Daarbij beroept zij zich met name op haar bedrijfsbelang en de noodzaak te bezuinigen, waarbij zij verwijst naar in de afgelopen jaren al - door concurrentie op de markt en ter terugdringing van haar kosten - noodzakelijk doorgevoerde reorganisaties, gedwongen ontslagen en doorgevoerde kostenreducties en verwijst zij voorts naar financieel-economische gegevens. Daarbij stelt Ericsson Telecommunicatie ook dat de op basis van de bedrijfsautoregeling toegekende bedrijfsauto’s aan met name de medewerkers die zijn ingedeeld in de bewuste functiefamilie Support Services Engineer in en vanaf functiegroep 9 “plus last resort en reizend naar eind klanten (niet behorende tot Ericsson Telecommunicatie) binnen reisafstand per auto”, qua aantal inmiddels bijna een verdubbeling te zien geeft van het aantal dat bij de invoering van de bedrijfsautoregeling nog werd voorzien. Daarbij stelt Ericsson Telecommunicatie verder dat het door technische ontwikkelingen bovendien steeds meer mogelijk is dat de bewuste Support Services Engineer-medewerkers hun werkzaamheden op afstand verrichten en daarvoor niet steeds meer daadwerkelijk op afroep ter plekke hun werkzaamheden hoeven te verrichten.

3.10 In de beide uitgebrachte adviezen ontkende de ondernemingsraad het door Ericsson Telecommunicatie ingeroepen belang en de daartoe door Ericsson Telecommunicatie aangevoerde feiten en omstandigheden als zodanig niet. In het negatieve advies dat naar aanleiding van de aanvankelijk voorgestelde wijziging werd uitgebracht betwijfelde de ondernemingsraad echter met name of de daarmee toen beoogde besparingen daadwerkelijk zouden kunnen worden gehaald en ontkende de ondernemingsraad dat aan dat belang een zodanig zwaarwichtig belang zou toekomen dat het belang van de werknemers daarvoor zou moeten wijken. Ook in het negatieve advies dat naar aanleiding van de uiteindelijk voorgestelde wijziging werd uitgebracht achtte de ondernemingsraad de onderhavige wijziging een disproportionele maatregel, maar blijkens dat advies is de ondernemingsraad uiteindelijk vooral bezorgd over de gevolgen van de onderhavige wijziging voor de bewuste Support Services Engineer-medewerkers die hun bedrijfsauto als gevolg van de wijziging zullen moeten inleveren en acht de ondernemingsraad met name de daarin opgenomen compensatieregeling van in beginsel € 2.000,00 netto voor hen onvoldoende. Daaruit volgt dat de ondernemingsraad uiteindelijk wel erkent dat Ericsson Telecommunicatie bij de onderhavige wijziging een belang heeft, maar enkel op basis van de opstelling van de ondernemingsraad kan (nog) niet worden vermoed dat dit belang zodanig zwaarwichtig is dat het belang van de betrokken werknemers dat door de wijziging wordt geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

3.11 Blijkens hun stellingen achten ook de Bonden het begrijpelijk dat Ericsson Telecommunicatie tot bezuinigingen wil komen en ontkennen ook de Bonden niet dat Ericsson Telecommunicatie bij de onderhavige wijziging van de bedrijfsautoregeling een bedrijfsbelang heeft, maar ontkennen de Bonden met name dat dit belang de vereiste zwaarwichtigheid heeft. Voor zover de Bonden zich daarbij beroepen op gegevens of informatie die betrekking heeft op andere bedrijven binnen het concern waar ook Ericsson Telecommunicatie deel van uitmaakt, komt daar in dit geval geen doorslaggevende betekenis aan toe. De Bonden weerspreken echter niet uitdrukkelijk en gemotiveerd dat de onderhavige wijziging mede moet worden bezien in het licht van de al eerder binnen Ericsson Telecommunicatie doorgevoerde reorganisaties, gedwongen ontslagen en doorgevoerde kostenreducties, waarvoor bij eerdere gelegenheden steeds de daartoe benodigde positieve instemming of advisering van de ondernemingsraad of van de betrokken vakbonden was verkregen en zelfs met instemming van de vakbonden een sociaal plan werd opgesteld. De Bonden weerspreken ook onvoldoende concreet de door Ericsson Telecommunicatie ingeroepen financieel-economische gegevens en meer in het bijzonder de door Ericsson Telecommunicatie voor haar rustig voortbestaan noodzakelijk geachte verbetering van haar marges en verdere kostenbeheersing, terwijl op basis van de in 2006 opgestelde financieel-economische onderbouwing van de zijde van de Centrale organisatie werk en inkomen aan Ericsson Telecommunicatie al toestemming werd verleend de arbeidsverhouding met enkele tientallen werknemers op te zeggen en uit de vorenbedoelde financieel-economische gegevens volgt dat de bedrijfseconomische situatie nadien voor Ericsson Telecommunicatie zeker nog niet in relevante mate is verbeterd en volgens Ericsson Telecommunicatie zelfs nog is verslechterd. Onvoldoende uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken is bovendien dat de op basis van de bedrijfsautoregeling toegekende bedrijfsauto’s aan met name de medewerkers die zijn ingedeeld in de bewuste functiefamilie Support Services Engineer in en vanaf functiegroep 9 “plus last resort en reizend naar eind klanten (niet behorende tot Ericsson Telecommunicatie) binnen reisafstand per auto” qua aantal inmiddels bijna een verdubbeling te zien geeft van het aantal dat bij de invoering van de bedrijfsautoregeling nog werd voorzien, terwijl het door technische ontwikkelingen inderdaad steeds meer mogelijk is dat de bewuste Support Services Engineer-medewerkers hun werkzaamheden op afstand verrichten en daarvoor niet steeds meer daadwerkelijk op afroep ter plekke hun werkzaamheden hoeven te verrichten. Verder kan er niet aan worden voorbijgezien dat Ericsson Telecommunicatie met de wijziging van de bedrijfsautoregeling niet alleen beoogt een eenmalige besparing te bereiken van ongeveer € 200.000,00 doordat eerder individueel toegekende bedrijfsauto’s als gevolg daarvan moeten worden ingeleverd, maar met name ook wordt beoogd de toekomstige kosten daarvan te besparen door het niet langer zonder meer toekennen van bedrijfsauto’s aan de bedoelde Support Services Engineer-medewerkers.

3.12 Mede gelet op het uit de beide uitgebrachte adviezen kenbare standpunt van de ondernemingsraad en gelet op met name het hiervoor overwogene, oordeelt de kantonrechter uiteindelijk dat Ericsson Telecommunicatie met vrucht een beroep kan doen op het in artikel 1 van de bedrijfsautoregeling opgenomen eenzijdig wijzigingsbeding. Ericsson Telecommunicatie is dus bevoegd de in de arbeidsovereenkomsten met haar werknemers geïncorporeerde bedrijfsautoregeling te wijzigen zoals zij heeft gedaan, nu zij daarbij een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemers dat door de wijziging wordt geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Ericsson Telecommunicatie heeft dus kunnen en mogen besluiten tot de onderhavige wijziging van de bedrijfsautoregeling per 1 februari 2006, met inachtneming van de daarbij voorziene overgangsregeling en compensatieregeling voor de werknemers die hun auto als gevolg van die wijziging dienen in te leveren.

3.13 Op grond van het voorgaande zal de vordering worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen de Bonden in de proceskosten worden veroordeeld.

3.14 Gelet op het voorgaande behoeven de overige geschilpunten geen bespreking meer en wordt als volgt beslist.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt de Bonden in de kosten van het geding, deze voor zover aan de zijde van Ericsson Telecommunicatie gevallen tot op heden begroot op € 500,00 aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2007.