Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB4815

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-09-2007
Datum publicatie
04-10-2007
Zaaknummer
449790 az 07-285
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek afgewezen. Vast is komen te staan dat er het een en ander tussen werkgever en werknemer is voorgevallen, maar gezien de haaks op elkaar staande gemotiveerde standpunten van partijen is in de onderhavige procedure niet goed vast te stellen wat er precies is gebeurd. Geoordeeld wordt dat verzoekster -als goed werkgeefster- onvoldoende inspanningen heeft verricht om tot een oplossing van de problemen te komen. Nu werknemer zijn baan wil behouden gaat het momenteel te ver om te concluderen dat er sprake is van een dusdanige verstoring van de arbeidsverhouding dat het dienstverband niet meer voortgezet kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 449790 AZ 07-285

beschikking d.d. 17 september 2007

inzake

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging [verzoekster],

gevestigd te Tilburg,

verzoekende partij,

gemachtigde: mw. mr. M.S. van Hien, van de Vereniging van Besturenorganisaties van Katholieke Onderwijsinstellingen,

tegen:

[verweerder],

wonende te [adres],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. H.E.Chr.M. Nieland, advocaat te Bergen op Zoom.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als ‘[verzoekster]’ en ‘[verweerder]’.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

1.1 het op 5 juli 2007 ter griffie ontvangen verzoekschrift, met producties;

1.2 het daarop ontvangen verweerschrift, met producties;

1.3 de door mr. Nieland nagezonden producties d.d. 21 augustus 2007;

1.4 de faxen namens [verzoekster] d.d. 22 en 23 augustus 2007;

1.5 de aantekeningen van de mondelinge behandeling ter zitting van 23 augustus 2007, waarbij namens [verzoekster] zijn verschenen dhr. J.J.A.M. Dekkers (directeur Da Vinci College), dhr. H.C.M. Kuijpers (afdelingsdirecteur Da Vinci College), mr. H.G.E.O.M. Corten (jurist [verzoekster]), bijgestaan door mw. mr. Van Hien en waarbij [verweerder] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Nieland.

De inhoud van deze stukken -alsmede van de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotities van mr. Nieland- geldt als hier ingelast. Op die inhoud en hetgeen overigens ter zitting is aangevoerd wordt, voor zover nodig, hierna teruggekomen.

Aan het begin van de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over de mogelijkheden van mediation. Van de mogelijkheid tot mediation is geen gebruik gemaakt, waarbij [verzoekster] heeft aangegeven dat zij hierin geen heil meer ziet, omdat terugkeer van [verweerder] bij [verzoekster] is uitgesloten. Voorts heeft [verzoekster] te kennen gegeven dat zij met het oog op het uit elkaar gaan van partijen ter zitting in gesprek wil gaan met [verweerder] over de randvoorwaarden daaromtrent.

2. Het geschil

[verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van dringende redenen, dan wel subsidiair op grond van gewichtige redenen, bestaande uit verandering in de omstandigheden.

[verweerder] heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek van [verzoekster], althans dit haar te ontzeggen, en subsidiair, bij ontbinding, toekenning aan hem van een vergoeding van € 278.721,00 ten laste van [verzoekster].

3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen staan de volgende feiten in rechte vast:

- de thans 57-jarige [verweerder] is sinds 21 augustus 1989 in dienst van [verzoekster], laatstelijk in de functie van docent elektrotechniek onderbouw/VMBO op het Da Vinci College te Roosendaal;

- het laatst genoten brutoloon, exclusief 8% vakantiegeld en exclusief bindingstoeslag, bedraagt € 3.441,00 per maand;

- in 2003 is Kuijpers op het Da Vinci College in dienst getreden en in 2004 Dekkers;

- omstreeks 2004 is er een organisatorisch en inhoudelijk veranderingsproces in gang gezet binnen de sector Techniek op het Da Vinci College;

- bij brief van 30 september 2005 is aan [verweerder] een schriftelijke waarschuwing gegeven waarbij aan hem is kenbaar gemaakt dat zijn leidinggevenden (Kuijpers en Dekkers) niet tevreden zijn over de wijze waarop [verweerder] zijn arbeidsovereenkomst invult;

- bij brief van 13 maart 2006 is aan [verweerder] een officiële waarschuwing gegeven aangaande het schofferen van zijn direct leidinggevende, Kuijpers;

- tevens is in laatstgenoemde brief aangegeven dat het functioneren van [verweerder] -gezien de eerdere waarschuwing- onvoldoende is verbeterd in de gewenste richting en dat bij het uitblijven van een verbetering van zijn functioneren in de toekomst aan de Raad van Bestuur zal worden verzocht om verdere disciplinaire maatregelen te nemen;

- [verweerder] heeft hierop gereageerd bij brief d.d. 20 maart 2006 waarbij hij -onder meer- heeft aangegeven dat het in de brief van 13 maart 2006 genoemde gesprek en de gevolgen daarvan door hem als niet ontvankelijk worden verklaard;

- bij brief van 29 maart 2007 wordt door mw. drs. Van Rooij, algemeen directeur van [verzoekster] Scholengemeenschap, aan [verweerder] medegedeeld dat aan de Raad van Bestuur is verzocht om verdere disciplinaire maatregelen tegen hem te nemen, aangezien [verweerder] blijft volharden in onacceptabel gedrag;

- bij brief van 5 april 2007 heeft [verzoekster] aan [verweerder] het voornemen tot het nemen van een disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping kenbaar gemaakt, waarbij aan [verweerder] tevens het dienstbevel is gegeven om zich in de toekomst te onthouden van verder plichtsverzuim en om de afspraken, aanwijzingen en opdrachten van zijn leidinggevenden nauwgezet uit te voeren. Hierbij is aangegeven dat indien [verweerder] deze dienstopdracht negeert en/of zich op andere wijze opnieuw schuldig maakt aan plichtsverzuim, dat wordt beschouwd als herhaalde werkweigering en direct tot ontslag zal worden overgegaan;

- bij brief van 11 april 2007 heeft [verweerder] hierop gereageerd, waarbij hij onder meer heeft voorgesteld om eventueel samen gebruik te maken van een mediator;

- bij brief van 27 april 2007 heeft [verzoekster] aan [verweerder] medegedeeld dat definitief is besloten om ten aanzien van [verweerder] de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping te nemen. Hierbij is aan [verweerder] tevens de opdracht gegeven om schriftelijk zijn excuses aan te bieden aan Kuijpers en Dekkers, met een afschrift hiervan aan Van Rooij en is door [verzoekster] bepaald dat [verweerder] terstond in gesprek diende te gaan met Van Rooij en Dekkers over zijn toekomst op de school;

- in laatstgenoemde brief heeft [verzoekster] tevens aangegeven dat indien er geen match is tussen Kuijpers en [verweerder] er voldoende instrumenten zijn om tot oplossing (waaronder mediation) van de problemen te komen;

- op 11 juni 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Van Rooij, Dekkers en [verweerder], waarbij aan [verweerder] een week bedenktijd is gegeven met de opdracht om de excuusbrief, zoals genoemd in de brief van 27 april 2007, -alsnog- te schrijven;

- [verweerder] is niet in beroep gegaan tegen voornoemd besluit tot het nemen van een disciplinaire maatregel en evenmin heeft hij (schriftelijk) zijn excuses aangeboden.

3.2 [verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat er sinds november 2004 steeds meer is aan te merken op [verweerder]. Kort gezegd stelt zij zich op het standpunt dat [verweerder] niet samenwerkt, zijn verplichtingen niet nakomt, vergaderingen en studiedagen niet bijwoont, geen leiding accepteert en deze zelfs schoffeert, hij zijn eigen waarden en normen hanteert, weigert redelijke opdrachten uit te voeren en zelfreflectie mist, hetgeen er uiteindelijk toe heeft geleid dat de situatie tussen partijen zodanig is gebrouilleerd dat [verzoekster] wenst te komen tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgens [verzoekster] is [verweerder] overleg, om tot een oplossing van de problemen te komen, op alle mogelijke manieren uit de weg gegaan. Primair stelt [verzoekster] dat de gedragingen van [verweerder] een dringende reden als bedoeld in de wet opleveren, en subsidiair veranderingen in de omstandigheden inhouden, welke nopen tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Gezien de gedragingen van [verweerder] en het feit dat [verzoekster] zich als een goed werkgeefster heeft gedragen, acht zij een vergoeding niet op zijn plaats.

3.3 [verweerder] voert aan dat er geen sprake is van verwijtbaar gedrag van zijn kant. Ten aanzien van de waarschuwing d.d. 30 september 2005 voert [verweerder] aan dat er geen sprake is geweest van enig plichtsverzuim en overtreding van de geldende voorschriften, hetgeen [verweerder] met Dekkers stelt te hebben besproken. De aantijgingen in de brief van 13 maart 2006 zijn volgens [verweerder] volstrekt onjuist, hetgeen hij met Van Rooij heeft besproken. Van de in de brief van 29 maart 2007 genoemde werkweigering en schoffering is volgens [verweerder] geen sprake. Volgens [verweerder] is er dan ook geen sprake van een beschadigde arbeidsverhouding, maar van een communicatief meningsverschil tussen hem en Kuijpers, waarbij de directie zich laat leiden door de persoonlijke opvattingen van Kuijpers en deze opvattingen kritiekloos tot de hare maakt. De opdracht tot het aanbieden van een schriftelijk excuus vindt [verweerder] in deze een buitenproportionele opdracht, temeer daar [verzoekster] niet bereid is de toedracht van het communicatieve meningsverschil tussen hem en Kuijpers te onderzoeken. [verweerder] geeft aan dat hij primair zijn baan wil behouden, waarbij hij aantekent dat zowel Kuijpers als De Rooij de instelling met ingang van 1 december a.s. gaat verlaten. Indien de arbeidsovereenkomst toch zou worden ontbonden, maakt [verweerder], mede gezien het verwijt dat [verzoekster] van de ontstane situatie is te maken, aanspraak op een vergoeding van € 278.721,00.

3.4 Gebleken is dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met een verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

3.5 Uit de stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd, is naar voren gekomen dat [verzoekster], ter onderbouwing van haar verzoek, vele voorvallen en incidenten opsomt betreffende het (dis)functioneren van [verweerder]. Eveneens is gebleken dat [verweerder] in zijn verweer een andere lezing geeft betreffende de opgesomde voorvallen. De standpunten van partijen staan in dat kader haaks op elkaar. Een mondelinge behandeling als de onderhavige, kent zijn beperkingen wat betreft de feitenvaststelling. Immers deze procedure leent zich niet voor een (uitgebreide) bewijsvoering om te achterhalen wat er precies tussen partijen is voorgevallen. De kantonrechter moet zich daarom laten leiden door de thans in het geding gebrachte stukken en hetgeen door partijen ter zitting is aangevoerd.

3.6 Gezien de haaks op elkaar staande -gemotiveerde- standpunten van partijen is het thans niet goed vast te stellen wat er precies is voorgevallen wat betreft de gebeurtenissen die door [verzoekster] aan haar verzoek ten grondslag zijn gelegd en welke volgens [verzoekster] hebben geleid tot een verstoring van de arbeidsrelatie. Wat wel duidelijk is, is dat [verweerder] -op bepaalde punten- moeite heeft om aansturing van zijn leidinggevenden te accepteren en dan met name van zijn direct leidinggevende Kuijpers. Eveneens is duidelijk geworden dat [verzoekster] haar kritiek omtrent het functioneren van [verweerder] aan hem heeft kenbaar gemaakt. Dit betreft niet zo zeer kritiek op diens functioneren als ‘docent sec’, maar meer op diens houding en gedragingen jegens zijn leidinggevenden. Gebleken is ook dat de werkgever hierbij vrij directief is in de wijze van aansturen van [verweerder], welke directieve wijze slecht valt bij laatstgenoemde. Hierdoor worden de irritaties over en weer vergroot. Als je als werkgever vindt dat het functioneren van je werknemer te wensen over laat, dien je dat op constructieve wijze met betreffende werknemer te bespreken en dien je een concreet verbetertraject uit te zetten met evaluatiemomenten. Er vanuitgaande dat er wel een aantal opmerkingen zijn te plaatsen bij het gedrag en de houding van [verweerder] -met name jegens zijn leidinggevende(n)-, wordt geoordeeld dat [verzoekster] onvoldoende inspanningen heeft verricht om tot een oplossing van de problemen te komen. [verzoekster] heeft niet goed getracht om de oorzaak van de problemen op te lossen. Onvoldoende gebleken is dat zij serieus heeft onderzocht of er niet veeleer sprake is van een mismatch tussen [verweerder] en zijn direct leidinggevende Kuijpers, met alle gevolgen van dien. Door de toch wel autoritaire opstelling van de directie wordt een open communicatie over meningsverschillen tussen Kuijpers en [verweerder] door de directie zelf geblokkeerd. [verzoekster] is ook niet concreet ingegaan op het voorstel van [verweerder] d.d. 11 april 2007 om middels een mediatior tot een oplossing te komen. De enkele vermelding door [verzoekster] in haar brief van 27 april 2007 dat mediation een oplossing zou kunnen zijn, is onvoldoende om te zeggen dat door [verzoekster] -als goed werkgever- concrete stappen zijn ondernomen om een mediator in te schakelen, hetgeen wel van haar had mogen worden verwacht, nu beide partijen op dat moment mediation als mogelijke oplossing zagen. [verzoekster] achtte zich voldoende geëquipeerd om het probleem op de door haar gewenste wijze op te lossen. Door deze oplossing te zoeken in het geven van directieve maatregelen -waaronder het geven van opdrachten en dienstbevelen- heeft [verzoekster] de verhoudingen tussen partijen alleen maar verscherpt. Het geheel overziend is het ook niet zo vreemd dat door [verweerder] in de brief van 27 april 2007 is gelezen dat hij eerst zijn excuses diende aan te bieden alvorens een gesprek mogelijk zou zijn. Dit biedt geen goede basis voor een constructieve oplossing.

3.7 Uit het voorgaande blijkt dat er wel het één en ander tussen partijen is voorgevallen, maar de vraag is of er thans voldoende gronden aanwezig zijn om tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Mede gelet op het hiervoor overwogene, is de kantonrechter niet gebleken dat er sprake zou zijn van een dringende reden om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Wat betreft de subsidiair door [verzoekster] genoemde gewijzigde omstandigheden geldt dat de door [verzoekster] gestelde verstoorde arbeidsrelatie met name gerelateerd is aan het gedrag en de houding van [verweerder] jegens zijn leidinggevende(n) en niet (zozeer) aan zijn functioneren als ‘docent sec’. Mede gezien de duur van het dienstverband, de leeftijd van [verweerder] en al hetgeen hiervoor is overwogen, gaat het momenteel -nu [verweerder] heeft kenbaar gemaakt dat hij zijn baan wil behouden- te ver om te concluderen dat er sprake is van een dusdanige verstoring van de arbeidsverhouding dat het dienstverband niet meer voortgezet kan worden. Hierbij wordt mede rekening gehouden met het gegeven dat per 1 december a.s. zowel Kuijpers als De Rooij hun huidige functie zullen beëindigen en dat daardoor meer ruimte voor [verweerder] aanwezig is om met [verzoekster] verder te gaan.

Het verzoek van [verzoekster] zal, gezien het hiervoor overwogene, worden afgewezen.

3.8 Partijen zijn er bij de mondelinge behandeling door de kantonrechter herhaaldelijk op gewezen dat een juridische beslissing in zaken als de onderhavige, vaak niet de meest wenselijke oplossing biedt. Vandaar dat uitgebreid is stilgestaan bij de mogelijkheden van mediaton, van welke mogelijkheid tot op heden geen gebruik is gemaakt. Wellicht is het voor partijen zeer zinvol om alsnog tot mediation over te gaan.

4. De proceskosten

Nu het verzoek wordt afgewezen zal [verzoekster] -als de in het ongelijk te stellen partij- worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] gevallen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek van [verzoekster] af;

- veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure aan de zijde van [verweerder] gevallen en tot op heden begroot op een bedrag van € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2007 door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.