Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB3973

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-09-2007
Datum publicatie
20-09-2007
Zaaknummer
07/3377
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Nu zowel verzoeker als verweerder een verwijt treft ten aanzien van de in geding zijnde gedraging dringt zich de conclusie op, dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van verzoeker. De Verordening bevat hierover geen regels. Het is aan verweerder een matiging van de opgelegde maatregel te realiseren. De wijze waarop verweerder dat doet kan in een eventuele vervolgprocedure worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 07 / 3377 WWB VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoekers],

wonende te Bergen op Zoom, verzoekers,

gemachtigde mr. B.L.I.M. van Overloop,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 27 juli 2007 (bestreden besluit), inzake het opleggen van een maatregel. Tevens hebben zij op 2 augustus 2007 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 7 september 2007, waarbij aanwezig waren verzoeker en mr. P.R. Klaver, zijnde een kantoorgenoot van de gemachtigde, en namens verweerder mr. A.B. Evers.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekers ontvangen van verweerder een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 27 juli 2007, verzonden op 27 juli 2007, heeft verweerder de uitkering van verzoekers over de periode van 1 augustus 2007 tot en met 1 november 2007 verlaagd met 100%.

Bij apart besluit van 27 juli 2007, verzonden op 30 juli 2007, heeft verweerder het hiervoor genoemde besluit ingetrokken en heeft verweerder de uitkering van verzoekers over de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2007 verlaagd met 100%. Hiertoe is, samengevat, overwogen dat verzoeker nalatig is geweest door het niet aanvaarden van door verweerder aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid voor een periode van 6 maanden of langer. Er is sprake van recidive. Er is echter gekozen voor het opleggen van de zwaarste maatregel, conform gemeentelijk beleid.

De voorzieningenrechter begrijpt dat het bezwaar van verzoekers zich thans richt tegen laatstgenoemd besluit van 27 juli 2007 en dat het onderhavige verzoek ook op dit besluit betrekking heeft.

2.2 Verzoekers hebben primair aangevoerd dat verweerder ten onrechte een maatregel heeft opgelegd. Subsidiair zijn verzoekers van mening dat verweerder een maatregel heeft opgelegd die buitenproportioneel is. Zij zijn van mening dat hen in casu niet kan worden verweten dat zij blokkades opwerpen in het kader van arbeidsinschakeling. Verzoekers zijn voorts van mening dat er geen sprake is van recidive. Verweerder heeft ten onrechte en ongemotiveerd gekozen voor het opleggen van de zwaarste maatregel, aldus verzoekers. Ten slotte hebben verzoekers aangevoerd dat er wellicht omstandigheden zijn aan te wijzen op basis waarvan afgezien had kunnen worden van het opleggen van deze maatregel.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen, omdat door niet-uitbetaling van de uitkering een financiële noodsituatie ontstaat voor het gezin van verzoekers. Het verzoek strekt ertoe dat alsnog een uitkering aan verzoekers wordt toegekend, zodat zij in de kosten van het levensonderhoud kunnen voorzien.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voorzover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 In artikel 9, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende verplicht is:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden;

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling.

In artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening 2006 van de gemeente Bergen op Zoom (Verordening) is bepaald dat de hoogte en duur van de op te leggen maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging. In deze verordening wordt dit tot uitdrukking gebracht door in de hoofdstukken 2 tot en met 4 de diverse maatregelwaardige gedragingen nader te classificeren.

Volgens artikel 5, eerste lid, onder a, van de Verordening ziet het college af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Verordening luidt als volgt:

“Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, worden de gedragingen van belanghebbende(n), waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, onderscheiden in de volgende categorieën:

Vijfde categorie:

a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid voor een periode van 6 maanden of langer of onbepaalde tijd.”

Artikel 9, eerste en derde lid van de Verordening luiden als volgt:

“1. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de hoogte en duur van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als omschreven in artikel 9 vastgesteld volgens de matrix zoals neergelegd in deze verordening.

3. Van een tweede of volgende verwijtbare gedraging als bedoeld in het eerste lid is sprake indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of naast hogere categorie. Indien deze tweede of volgende verwijtbare gedraging valt onder de naast hogere categorie, wordt een maatregel getroffen die qua duur en hoogte direct aansluit op de maatregel welke hieraan vooraf is gegaan.”

2.5 Op grond van het verhandelde ter zitting stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder verzoeker tijdens een persoonlijk gesprek heeft laten weten dat hij een aangetekende brief zou ontvangen in verband met een werkaanbod. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij dit aanbod mondeling heeft geweigerd. Blijkens de processtukken is verzoeker bij brieven van 1 juni 2007 en 4 juli 2007 uitgenodigd voor een werkaanbod. Verzoeker is op beide uitnodigingen niet verschenen zonder bericht van verhindering. Verzoeker is vervolgens door verweerder uitgenodigd voor een gesprek op 24 juli 2007. Verzoeker heeft tijdens dit gesprek aangegeven niet op het werkaanbod in te willen gaan, ook niet nadat hem is meegedeeld dat dit tot een maatregel zou leiden wegens het niet aanvaarden van een aanbod reguliere arbeid voor de duur van 6 maanden of langer.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker algemeen geaccepteerde arbeid is aangeboden voor de duur van ten minste 6 maanden en dat verzoeker dit aanbod niet heeft aanvaard.

Op grond van artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 9, eerste lid, van de Verordening was verweerder gehouden een maatregel op te leggen, inhoudende een verlaging van de uitkering met 100% gedurende drie maanden. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Verzoeker had kunnen beseffen dat hij bij aanvaarding van het werkaanbod een beroep op de bijstand voor ten minste 6 maanden had kunnen vermijden. Verzoeker heeft het werkaanbod geweigerd maar daarvoor geen geldige reden aangedragen. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat al zijn initiatieven om zelf werk te vinden door verweerder in de kiem werden gesmoord. De voorzieningenrechter stelt vast dat de initiatieven van verzoeker erop waren gericht om arbeid als zelfstandige te kunnen verrichten en dat verzoeker in augustus of september 2006 te horen heeft gekregen dat hij voor het opstarten van een eigen zaak een bedrijfsplan moest indienen bij de betreffende contactpersoon. Het had verzoeker derhalve duidelijk kunnen zijn dat verweerder in het kader van de WWB geen bijstand kan bieden aan het (verder) ontwikkelen van verzoekers initiatieven op het gebied van eigen ondernemerschap.

Zijn keuze om het werkaanbod te weigeren kan hem dan ook worden verweten. Het college was dan ook niet gehouden op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening af te zien van het opleggen van een maatregel.

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat ook verweerder een verwijt treft ten aanzien van de verzoeker verweten gedraging. De voorzieningenrechter stelt vast dat (de advocaat van) verzoeker bij brieven van 23 april 2007, 14 mei 2007, 13 juni 2007 en 25 juni 2007 heeft verzocht om een gesprek met verweerder in verband met het reïntegratieproces en dat verzoeker daarover duidelijkheid wenste. Verweerder heeft op geen enkele wijze op deze brieven gereageerd. Bovendien is ter zitting gebleken dat de contactpersoon van verzoeker niet voornemens is een dergelijk gesprek met verzoeker aan te gaan. De voorzieningenrechter acht een dergelijke handelwijze van verweerder (uiterst) onzorgvuldig. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden uitgesloten dat verzoeker zich zou hebben onthouden van de hem verweten gedraging, als verweerder was ingegaan op zijn verzoek een gesprek te houden. Niet is gebleken dat verweerder deze omstandigheden heeft meegewogen in de besluitvorming. Verweerder heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de AWB, waardoor het bestreden besluit in beginsel onrechtmatig is.

Dit betekent echter niet zonder meer dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Zoals eerder overwogen kan niet worden gezegd dat bij verzoeker elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Voorts is de beslissing op bezwaar op relatief korte termijn te verwachten. Verweerder heeft de mogelijkheid gebreken in de primaire besluitvorming bij besluit op bezwaar te herstellen. Bovendien worden verzoekers financieel ondersteund door een familielid. Het resultaat van deze belangenafweging is dat onvoldoende aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen.

Ten behoeve van het nog te nemen besluit op bezwaar merkt de voorzieningenrechter ten overvloede het volgende op. Nu zowel verzoeker als verweerder een verwijt treft ten aanzien van de in geding zijnde gedraging dringt zich de conclusie op, dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van verzoeker. De Verordening bevat hierover geen regels. Indien verweerder het standpunt van de voorzieningenrechter deelt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, ligt het in de rede daaraan de conclusie te verbinden dat de opgelegde maatregel moet worden gematigd. Het is aan verweerder dat rechtsgevolg te realiseren. De wijze waarop verweerder dat doet kan in een eventuele vervolgprocedure worden getoetst.

2.6 Nu het verzoek wordt afgewezen bestaat geen grond voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, en in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 september 2007.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 13 september 2007.