Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB3922

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
20-09-2007
Zaaknummer
801383-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak medeplegen van verkrachting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 801383-06

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 september 2007

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [datum en plaats],

wonende te [adres],

raadsman mr. Lensink, advocaat te Bergen op Zoom.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 september 2007, waarbij de officier van justitie, mr. Van Aken, en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

(feit 1) iemand heeft gedwongen seksuele handelingen te ondergaan door een fles in de anus te duwen of een poging daartoe heeft gedaan;

(feit 2) iemand enige tijd in een ruimte heeft opgesloten en opgesloten gehouden;

(feit 3) een filmpje of foto heeft vervaardigd, verspreid of in bezit gehad, waarop seksuele gedragingen met een minderjarige te zien zijn.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 De bewijsoverwegingen

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte weliswaar geen feitelijke handelingen heeft verricht, maar toch als medepleger van verkrachting moet worden aangemerkt. Verdachte stond op een paar meter afstand en heeft het wilsbesluit genomen een foto te maken in plaats van in te grijpen of zich te distantiëren. Volgens de officier van justitie maakte verdachte substantieel deel uit van de groep en heeft hij zich in geen enkel stadium daaraan onttrokken.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir verwezen naar een aantal rechterlijke uitspraken ter ondersteuning van haar opvatting dat verdachte als medepleger moet worden gezien.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij dit feit betrokken was. De aanwezigheid van verdachte is op geen enkele wijze van invloed geweest op hetgeen op de bank is gebeurd. Verdachte heeft het feitelijk gebeuren niet kunnen voorzien of voorkomen. Hij heeft, gelet op de tijdsduur van het gebeuren met de fles en de ruimte waarin zich dat afspeelde, dit ook niet kunnen verhinderen of zich daaraan kunnen onttrekken, aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan dit feit.

De medeverdachte [naam medeverdachte] heeft de fles in de anus van het slachtoffer geduwd. Om als medepleger van dit feit te worden aangemerkt moet er sprake zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de uitvoering van het delict. Verdachte bevond zich met de andere vrienden en het latere slachtoffer in dezelfde ruimte. De rechtbank heeft echter niet kunnen vaststellen dat verdachte wist wat er ging gebeuren. Hij heeft geen aanmoedigende opmerkingen gemaakt of zich op andere wijze zodanig gedragen dat daaruit kan worden afgeleid dat het voor hem duidelijk was wat de bedoeling was of dat hij aldus door zijn aanwezigheid of anderszins heeft bijgedragen aan de totstandkoming van het delict. De omstandigheid dat verdachte niet heeft ingegrepen of zich heeft gedistantieerd, maakt hem in dit geval niet tot medepleger.

Bij de rechterlijke uitspraken die door de officier van justitie zijn geciteerd was in alle gevallen sprake van een tevoren vaststaande intentie tot het plegen van seksuele handelingen. De rechtbank heeft dat in deze zaak wat verdachte betreft niet kunnen vaststellen. Zij zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

Feit 2

De rechtbank acht feit 2 bewezen, nu uit de verklaringen van de aangever en de verdachten blijkt dat de aangever de doucheruimte wilde verlaten, maar dit niet kon omdat de deur was gebarricadeerd. Dat verdachte en zijn medeverdachten de deur hebben gebarricadeerd, leidt de rechtbank af uit de verklaring van verdachte bij de politie (p. 224 e.v. van het eindproces-verbaal). Ondersteunend voor het bewijs acht de rechtbank de verklaring van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Hoe lang dat heeft geduurd is niet duidelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de tijdsduur voor de aangever zodanig lang is geweest dat kan worden gesteld dat er sprake was van wederrechtelijke vrijheidsberoving. De omstandigheid dat de aangever op de deur heeft staan bonken om eruit te kunnen, betekent dat dit ook voor alle vier de verdachten hoorbaar moet zijn geweest. De rechtbank acht het medeplegen door verdachte van dit feit dan ook bewezen.

Feit 3

De rechtbank acht het vervaardigen en het bezit van een afbeelding als bedoeld in artikel 240b lid 1 Sr bewezen, nu de afbeelding een seksuele gedraging bevat en verdachte wist dat het slachtoffer minderjarig was.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op 18 oktober 2006 te Huijbergen, gemeente Woensdrecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

[slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn

mededaders met dat opzet een deur van een badkamer/doucheruimte gebarricadeerd, terwijl die [slachtoffer] zich in die badkamer/doucheruimte bevond;

3.

in de periode van 18 oktober 2006 tot en met 30 oktober 2006 te Huijbergen, gemeente Woensdrecht een

gegevensdrager, bevattende een afbeelding van seksuele gedragingen, te weten het duwen/inbrengen van een fles in de anus van een persoon, [slachtoffer]), bij welke vorenbedoelde afbeelding een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, heeft vervaardigd en bezit heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering gedurende het eerste jaar van de proeftijd, ook als dat inhoudt behandeling bij De Viersprong, alsmede een werkstraf van 180 uur.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten zou komen, gepleit voor het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie zonder voornoemde bijzondere voorwaarde en een werkstraf, al dan niet voorwaardelijk.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag.

Een groepje van vijf vrienden, waaronder verdachte, verbleef tijdens de herfstvakantie 2006 enige dagen in een boshuisje in Huijbergen. Tijdens dit verblijf werd excessief alcohol gebruikt. Vanaf het begin van de avond was één van hen, [slachtoffer], het mikpunt van allerlei plagerijen. [slachtoffer] die ziek was van de alcohol werd naar buiten gedragen en mocht enige tijd het huisje niet meer in. Hij werd door medeverdachte [naam medeverdachte] met de steel van een bijl in zijn kruis getikt. Hij werd op de bank gelegd, uitgekleed en er werd aan hem getrokken en tegen hem geduwd. [slachtoffer] verweerde zich fysiek hiertegen. Dit mondde uit in weerzin-wekkend gedrag van enkele vrienden, waarbij een fles in de anus van [slachtoffer] werd geduwd. Bij dat laatste was verdachte niet betrokken, maar hij heeft van dit incident een foto gemaakt op zijn mobiele camera.

Toen [slachtoffer] na het flesincident ging douchen, werden zijn kleren en zijn handdoek weggenomen uit de doucheruimte en werd de deur van de doucheruimte gebarricadeerd.

Het is duidelijk dat de verdachten ontoelaatbaar gedrag hebben vertoond. Dat het forse alcoholgebruik hierbij een grote rol heeft gespeeld, wil de rechtbank wel aannemen. Deze omstandigheid maakt het plegen van de feiten echter niet minder verwijtbaar, nu zij zichzelf in die toestand van dronkenschap hebben gebracht. Volgens de “vrienden” van het slachtoffer was het als een geintje bedoeld. De rechtbank is van oordeel dat dit gedrag onder een andere categorie valt. Zij wijst in dat verband op de slachtofferverklaring, waaruit blijkt welke impact het gebeuren op [slachtoffer] en zijn directe omgeving heeft gehad. Hij heeft zich onder behandeling van de huisarts en van het GGZ moeten stellen vanwege psychische problemen, zoals herbeleving, angst, schaamte, slapeloosheid, concentratieproblemen en verdriet.

Zoals gezegd heeft de rechtbank de betrokkenheid van verdachte bij het flesincident niet vastgesteld. Zij acht hem echter wel, gelet op de samenhang van de feiten, verantwoordelijk voor de gevolgen die het plegen van de bewezen verklaarde feiten voor het slachtoffer hebben gehad.

De psychiater heeft over verdachte gerapporteerd. Hij kan als volledig toerekeningsvatbaar worden aangemerkt. Bij verdachte is sprake van gebrekkige assertiviteit in groepsverband, gepaard gaande met alcoholmisbruik. Van belang is dat verdachte gestimuleerd wordt tot een meer onafhankelijke ontwikkeling en dat aandacht wordt besteed aan het gebruik van alcohol. Behandeling in een ambulante setting door de Forenische Psychiatrische Polikliniek van De Viersprong wordt geadviseerd.

Uit het rapport van de jeugdreclassering blijkt dat er nog stappen moeten worden gezet in verband met de pedagogische aspecten in deze zaak. Van belang wordt gevonden te streven naar enig herstel van relaties, nu hier sprake was van een vriendengroepje.

De rechtbank houdt rekening met het blanco strafblad van verdachte. Nu de rechtbank tot een geringere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie zal zij de straf in die zin aanpassen dat aan verdachte een jeugddetentie zal worden opgelegd van 115 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, onder aftrek van het voorarrest, en met als bijzondere voorwaarde toezicht door de jeugdreclassering gedurende het eerste jaar van de proeftijd, ook als dat inhoudt begeleiding door De Viersprong, alsmede een werkstraf gedurende 60 uur.

7 De benadeelde partij.

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 18.540,- voor de onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde feiten. De rechtbank komt bij verdachte tot een bewezenverklaring van de feiten 2 en 3. Gelet op de samenhang tussen de feiten, ziet de rechtbank ten aanzien van de schade geen aanleiding onderscheid te maken tussen verdachte en de medeverdachten, waarbij de feiten 1 tot en met 3 zijn bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat er schade is geleden die een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten.

De gevorderde immateriële schade is tot een bedrag van € 2.000,- voldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal de vordering bij wijze van voorschot tot dat bedrag toewijzen, nu zij verdachte aansprakelijk acht voor die schade.

Voor het overige deel van de immateriële schade en voor het deel van de materiële schade acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat die delen van de vordering niet van zo eenvoudige aard zijn dat deze zich lenen voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij kan het niet toegewezen deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu er sprake is van medeplegen bij de feiten 2 en 3 zal de rechtbank bepalen dat indien het bedrag geheel of gedeeltelijk door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te voldoen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 240b en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

2. Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;

3. Een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 115 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt bepaald op 2 jaar, schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens het eerste jaar van de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 30 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte bij wijze van voorschot tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres] van de som van € 2.000,-, bij wijze van voorschot ter zake van immateriële schade;

Indien dit bedrag geheel of gedeeltelijk door één of meer mededaders is betaald, is verdachte niet gehouden dit bedrag aan de benadeelde partij te voldoen.

- bepaalt dat deze benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is; (BP.22)

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 2.000,- te betalen.

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04A)

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. Van Kralingen en Pick, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oostlander-Vink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 september 2007.

Mr. Alferink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.