Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB3000

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
425281 CV EXPL 06-8861
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Blijkens een door haar ondertekende verklaring heeft de wettelijke vertegenwoordiger ingestemd met een orthodontisch behandelplan ten behoeve van haar minderjarige zoon. Daarmee heeft zij diens belangen gewaarborgd. Inmiddels meerderjarig geworden, kan de zoon zelf worden aangesproken op de verbintenissen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst en in het bijzonder op betaling van de gevorderde declaraties. Vernietigbaarheid van de verrichte rechtshandeling is niet aan de orde, gelet op het bepaalde in artikel 1:347, tweede lid BW. Dat de wettelijk vertegenwoordiger de kosten van de behandeling indertijd (mogelijk) van haar ziektekostenverzekeraar terug kon krijgen doet aan het voorgaande niet af omdat dit de rechtsverhouding tussen de meerderjarig gewordene en de orthodontist c.q. de cessionaris niet raakt.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 53
Invorderingswet 1990
Invorderingswet 1990 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvI 2007, 33 met annotatie van A. van Eijsden
V-N 2007/39.26 met annotatie van Redactie
JOR 2007/253 met annotatie van A.J. Tekstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Tilburg

zaak/rolnr.: 425281 CV EXPL 06-8861

vonnis d.d. 30 mei 2007

inzake

de [eiseres] vennootschap [eiseres],

gevestigd te [eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. M.G.W. Meijers, werkzaam ten kantore van [eiseres] Incassodiensten B.V. te Andelst,

tegen

[ge[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

procederend in persoon.

1. Het verloop van het geding

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het exploot van dagvaarding van 4 december 2006;

b. de conclusie van antwoord met producties;

c. de conclusie van repliek met producties;

d. de conclusie van dupliek met producties.

1.2 De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

2. Het geschil

2.1 Eiseres (verder te noemen [eiseres]) heeft gevorderd dat gedaagde (verder te noemen [gedaagde]) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van € 1.828,80, te vermeerderen met de overeen gekomen rente over € 1.144,30 vanaf 24 november 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, hoofdsom en rente tezamen een bedrag van € 5.000,- niet te boven gaand. Voorts heeft [eiseres] gevorderd [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.2 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 Ter onderbouwing van haar vordering heeft [eiseres] bij dagvaarding gesteld dat een orthodontist te Breda in opdracht en voor rekening van [gedaagde] een medische behandeling heeft verricht. Deze heeft daarvoor op respectievelijk 27 januari 2003, 28 mei 2003 en 1 juli 2003 een drietal declaraties ad in totaal € 1.144,30 opgemaakt, welke aan [eiseres] werden gecedeerd. [eiseres] heeft de declaraties aan [gedaagde] toegezonden en heeft tevens aan haar mededeling van de cessie gedaan. Ondanks betalingsherinnering van [eiseres] is [gedaagde] nalatig gebleven het verschuldigde te voldoen, zodat [eiseres] genoodzaakt was de vordering ter incasso aan haar gemachtigde uit handen te geven. Aangezien op de geneeskundige behandelingsovereenkomst de VEDEK-betalingsvoorwaarden van toepassing zijn, is [gedaagde] 15% buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, zijnde € 204,26. Dit bedrag heeft [eiseres] aan haar incassogemachtigde voldaan en vormt derhalve voor haar vermogensschade. Voorts is [gedaagde] overeenkomstig de vermelde voorwaarden vanaf 30 dagen na factuurdatum 1% rente per maand verschuldigd, welke rente tot aan 24 november 2006 is berekend op een bedrag van € 408,24. Aangezien in weerwil van meerdere sommaties gehele voldoening is uitgebleven heeft zij recht en belang [gedaagde] in rechte te betrekken, aldus [eiseres].

Bij repliek heeft zij de grondslag van haar vordering gewijzigd, in zoverre dat zij heeft gesteld dat de wettelijk vertegenwoordiger van de toen nog minderjarige [gedaagde], niet voor zichzelf, maar in die hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, zich ten behoeve van [gedaagde] met de behandeling akkoord heeft verklaard.

3.2 [gedaagde] heeft de vordering weersproken en daartoe aangevoerd dat zij ten tijde van de behandeling minderjarig was en dat niet zij, maar haar moeder opdracht voor die behandeling heeft gegeven. Om die reden dient [eiseres] dan ook niet haar, maar haar moeder op betaling aan te spreken. In de periode waarin de behandelingen plaatsvonden had die [gedaagde] op haar polis medeverzekerd. Zij, [gedaagde], kan er ook niet verantwoordelijk voor worden gehouden dat haar moeder de declaraties van de orthodontist niet bij de verzekeraar heeft ingediend. Wel heeft zij naar aanleiding van een sommatie van [eiseres] het adres van haar moeder in Canada doorgegeven en [eiseres] naar haar verwezen.

3.3 De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] de gestelde behandelingen niet heeft bestreden, net zo min als de toepasselijkheid en de gestelde inhoud van de VEDEK-betalingsvoor-waarden en de cessie van de op de declaraties van de behandelende orthodontist gebaseerde vorderingen aan [eiseres].

3.4 Het verweer van [gedaagde] moet worden verworpen. Aangezien haar moeder, uit-drukkelijk in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, de bij repliek overgelegde verklaring heeft ondertekend ten blijke van haar instemming met het orthodontische behandelplan en de daarin vermelde voorwaarden, heeft zij de belangen van [gedaagde] als minderjarige gewaarborgd. In elk geval kon de orthodontist er in redelijkheid van uitgaan dat zulks het geval was. [gedaagde], die inmiddels meerderjarig is geworden, kan thans zelf worden aangesproken op de verbintenissen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst en in het bijzonder op betaling van de gevorderde declaraties. Vernietigbaarheid van de verrichte rechtshandeling is niet aan de orde, gelet op het bepaalde in artikel 1:347, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek.

Dat [gedaagde]s moeder tenslotte de kosten van de behandeling indertijd (mogelijk) van haar ziektekostenverzekeraar terug kon krijgen maar heeft nagelaten het daarheen te leiden doet aan het voorgaande niet af omdat dit de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en de orthodontist c.q. [eiseres] niet raakt. De verhouding tussen [gedaagde] en haar moeder, bezien in het licht van de onderhoudsverplichting jegens haar toen zij nog minderjarig was, staat daar buiten. Mogelijk kan [gedaagde] haar moeder uiteindelijk haar moeder op betaling van het verschuldigde aan haar aanspreken, zo nodig in een afzonderlijke procedure.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van [eiseres] worden toegewezen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de niet, althans niet op zelfstandige gronden bestreden rente en de buiten-gerechtelijke incassokosten, met dien verstande dat terzake niet meer zal worden toegewezen dan het in een geval als het onderhavige redelijke en gebruikelijk bedrag van € 178,50, inclusief btw. De reactie van [gedaagde] in haar brief van 2 november 2006 bevestigt overigens de stelling van [eiseres] dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht.

4. De kosten

Gezien de uitkomst van het geding zal [gedaagde] worden verwezen in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres] gevallen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.803,04, vermeerderd met de overeen gekomen rente ad 1% per maand over

€ 1.144,30 vanaf 24 november 2006 tot de dag van algehele voldoening, hoofdsom en rente tezamen het bedrag van € 5.000,- niet te boven gaand;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiseres] tot deze uitspraak begroot op € 439,20, waaronder begrepen € 300,- voor salaris van de gemachtigde van [eiseres];

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.L.L. Poeth en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2007.