Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB2023

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
20-08-2007
Zaaknummer
800511-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte bestuurde de auto, van waaruit de medeverdachte geschoten heeft op een naast hem rijdende auto met 3 inzittenden. Nadat beide auto's zijn gestopt schiet de medeverdachte nogmaals op een van hen. Wonderwel zijn er geen slacht­offers gevallen. Vrijspraak voor het eerste schietincident, omdat verdachte niet wist dat medeverdachte zou gaan schieten. Wel medeplegen poging moord voor het tweede incident, nu hij op verzoek van de medeverdachte de auto heeft gestopt en zich ook overigens niet heeft gedistantieerd. Gezien geringe rol 18 maanden gev.straf, waarvan 6 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800511-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 augustus 2007

in de strafzaak tegen

[verdac[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in het huis van bewaring Willem II, Tilburg

raadsman mr. Cools, advocaat te Rijen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 augustus 2007, waarbij de officier van justitie, mr. Brekelmans, en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dood te schieten.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 De bewijsoverwegingen

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet wist dat medeverdachte [mededader] een wapen bij zich had; dat er geen nauwe en bewuste samenwerking was tussen verdachte en [mededader] en dat er bij verdachte geen sprake is geweest van een oogmerk op de dood van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

Anders dan de raadsman heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat [mededader] een wapen mee had genomen in de auto. [mededader] heeft hierover in een verhoor bij de politie een gedetailleerde verklaring afgelegd. In een verhoor bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft [mededader] ontkent dat [verdachte] wist dat hij een wapen had meegenomen, maar de rechtbank acht deze verklaringen ongeloofwaardig. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte niet wist wat de bedoeling van [mededader] was en ook niet wist dat [mededader] het wapen daadwerkelijk op deze manier zou gaan gebruiken.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter terechtzitting, dat hij geconcentreerd aan het rijden en inhalen was en zodoende niet heeft gemerkt dat [mededader] het wapen heeft gepakt en heeft gericht, geloofwaardig nu dat rijden plaatsvond in de stad met behoorlijke snelheid. De rechtbank zal verdachte om die reden vrijspreken van de eerste schietpartij.

Na het eerste schietincident zijn verdachte en [mededader] verder gereden en werden zij achtervolgd door de slachtoffers. Verdachte heeft de auto op verzoek van [mededader] tot stilstand gebracht en de slachtoffers hebben hun auto schuin achter de auto van verdachte neergezet. Blijkens de verklaringen in het dossier zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vervolgens uitgestapt en in de richting van de bijrijderszijde van de auto van verdachte gelopen. [mededader] heeft vervolgens nogmaals een schot gelost in de richting van één van de twee personen. De rechtbank acht bewezen dat [mededader] bij dat schot richtte op het hoofd van [voornaam] [slachtoffer 2]. Dit blijkt uit de verklaring van [mededader] bij de politie, dat hij in de richting van [voornaam] schoot; de verklaring van getuige [getuige 1] die zegt dat er op het hoofd van een van de twee personen werd gericht; de verklaring van [slachtoffer 1] dat hij, toen hij het schot hoorde, al weer terug aan het lopen was naar zijn auto en de verklaring van [slachtoffer 2] dat hij dichter bij verdachte stond dan [slachtoffer 1].

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dit delict in samenwerking met medeverdachte [mededader] heeft gepleegd. Na het eerste schietincident wist verdachte dat [mededader] bij een volgende confrontatie opnieuw kon gaan schieten aangezien [mededader] het wapen nog steeds in zijn handen hield. Ook wist verdachte dat zij achtervolgd werden door de slachtoffers. Door de auto te besturen en deze op verzoek van [mededader] tot stilstand te brengen heeft verdachte zich vereenzelvigd met hetgeen [mededader] ging doen en heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij iemand zouden doden en die kans ten tijde van de gedraging ook bewust aanvaard. Weliswaar heeft [mededader] niet zelf op het slachtoffer geschoten, maar hij heeft zich op geen enkel moment van het schieten gedistantieerd.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is er ten aanzien van verdachte sprake van voorwaardelijk opzet om [voornaam] [slachtoffer 2] te doden. Verdachte heeft, voorafgaand aan het schieten, voldoende gelegenheid gehad om na te denken over de gevolgen van zijn handelen, zodat ook sprake is van voorbedachten rade.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

Primair

hij op 04 april 2007 te Tilburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die ander met een vuurwapen éénmaal in de richting van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

De rechtbank heeft het in de tenlastelegging vermelde "met een vuurwapen" als kennelijke vergissing beschouwd en heeft dit verbeterd gelezen als "die ander met een vuurwapen". Door de verbeterde lezing is verdachte niet in zijn verdediging geschaad nu uit het procesdossier duidelijk naar voren komt dat niet verdachte maar zijn medeverdachte [mededader] heeft geschoten met een vuurwapen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen acht, namelijk poging tot moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken en heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord op [slachtoffer 2] waarbij medeverdachte [mededader] op die [slachtoffer 2] heeft geschoten met een vuurwapen.

De rechtbank vindt dit een zeer ernstig feit. Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. Voor de samenleving is het een schokkend en zeer ernstig feit. Het is slechts aan het toeval te danken dat het slachtoffer niet dodelijk is verwond. De rechtbank rekent verdachte het feit zwaar aan. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte en zijn mededader last van psychische klachten mede doordat hij zich heeft gerealiseerd dat hij dood had kunnen gaan. Bovendien is een dergelijk gewelddadig optreden op straat zeer schokkend voor de ooggetuigen en versterkt het de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank is van oordeel dat op dergelijke feiten niet anders kan worden gereageerd dan met een langdurige gevangenisstraf.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de duur ten voordele van de verdachte rekening met het feit dat het initiatief tot het plegen van het feit van medeverdachte [mededader] is uitgegaan en dat de uitvoeringshandelingen geheel door [mededader] zijn verricht. Hetgeen verdachte wordt verweten is dat hij zich had moeten distantiëren en dat hij dit niet heeft gedaan.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel, mede gezien de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden noodzakelijk is. Zij ziet aanleiding een deel daarvan, te weten 6 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert bij wijze van voorschot een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1500,= terzake het ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht de verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de hiervoor toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] vorderen schadevergoeding, ieder tot een bedrag van € 1500,=.

De verdachte is vrijgesproken van het gedeelte van het ten laste gelegde feit waaruit deze schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

8 Het beslag

8.1 De onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen patroon is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van dit voorwerp.

Verder is het voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet.

8.2 Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de overige in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: Medeplegen van poging tot moord;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

13 1.00 STK Patroon;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

5 1.00 STK Papier

-

bescheiden, handgeschreven RAP teksten.

6 1.00 STK Kaart Kl:groen

KPN

20446831EBP

7 1.00 STK Papier

-

mobiel nummer:0624466362

8 1.00 STK Papier

-

prepaid opw.bon Orange opw.code:929793011673

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte bij wijze van voorschot tot betaling aan de benadeelde partij

[slachtoffer 2], [adres], van de som van € 1500,=, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder het bewezenverklaarde werd gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Indien dit bedrag geheel of gedeeltelijk door de mededader is betaald, is de verdachte niet gehouden dit bedrag aan de benadeelde partij te voldoen; (BP.20)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2], € 1500,= te betalen, bij niet betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen en omgekeerd; (BP.04A)

- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen en dat die vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil; (BP.15)

Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Visser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Fleskens, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 augustus 2007.

Bijlage I:

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 04 april 2007 te Tilburg,

althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

met een vuurwapen meermalen, althans éénmaal in de richting van die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (die zich in een rijdende personenauto (Peugeot,

type 106, kenteken [kenteken]) bevonden), heeft geschoten, en/of vervolgens

meermalen, althans éénmaal in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

subsidiair

A.K. [mededader] op één of meer tijdstippen op of omstreeks 4 april 2007 te

Tilburg , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen, althans éénmaal in de

richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (die zich in een

rijdende personenauto (Peugeot, type 106, kenteken [kenteken]) bevonden), heeft

geschoten, en/of vervolgens meermalen, althans éénmaal in de richting van die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij het plegen van welk misdrijf/misdrijven hij, verdachte, als medeplichtige,

telkens opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk

misdrijf hij opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft

verschaft, door:

die [mededader], die in het bezit van een vuurwapen was, op één of meer tijdstippen

op of omstreeks 4 april 2007, met een (personen)auto te vervoeren vanaf het

thuisadres van die [mededader]

- naar de Lage Witsiebaan te Tilburg, waar [mededader] met een vuurwapen meermalen,

althans éénmaal in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

(die zich in een rijdende personenauto (Peugeot, type 106, kenteken [kenteken])

bevonden), heeft geschoten;en/of vervolgens

- naar de Nimrodstraat te Tilburg, waar [mededader] met een vuurwapen meermalen,

althans éénmaal in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft

geschoten;en/of vervolgens

- die [mededader] na afloop van het schieten met een (personen)auto te vervoeren.

medeplichtigheid aan het medeplegen van de poging moord op 4 april 2007 te

Tilburg

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht