Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB1245

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-07-2007
Datum publicatie
07-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/1231
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de hoogte van het gebruikelijk loon in de zin van artikel 12a Wet loonbelasting 1964. Nu de door Beheer BV ontvangen managementfee van Consult BV volledig betrekking heeft op de werkzaamheden van die belanghebbende verricht voor Consult BV, heeft de inspecteur, conform het arrest van de Hoge Raad van 17 september 2004 (BNB 2005/50), ter bepaling van de hoogte van het gebruikelijke loon in de zin van artikel 12a Wet loonbelasting 1964 terecht de opbrengsten van Beheer BV als uitgangspunt genomen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1708
FutD 2007-1541
V-N 2008/21.3.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1231

Uitspraakdatum: 17 juli 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 1 februari 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2001 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2007.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.

De zaken, bij de rechtbank geregisteerd onder de nummers 05/4687, 05/4591, 06/1231, 06/2518 en 06/2517, zijn gelijktijdig behandeld.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is in het onderhavige jaar directeur groot aandeelhouder van [BV1]]. [BV1] bezit 48% van de aandelen in [BV2]. Belanghebbende beschikt derhalve over een aanmerkelijk belang in zowel [BV1] als in [BV2].

2.2. Belanghebbende verrichtte in het jaar 2001 via [BV1] assurantiewerkzaamheden voor [BV2].

2.3. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende, blijkens zijn aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen, een loon van [BV1]. ontvangen van € 40.840. Op dit bedrag is geen loonbelasting / premie volksverzekeringen ingehouden.

2.4. Volgens de kolommenbalans van [BV2]. heeft zij in het jaar 2001 een managementfee betaald aan [BV1] van € 245.041. Deze managementfee ziet volledig op de assurantiewerkzaamheden die belanghebbende verricht voor [BV2].

2.5. In geschil is het antwoord op de vraag of het in de aangifte opgenomen loon ad € 40.840 te laag is in de zin van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB ’64). De inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend. Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

2.6. Belanghebbende stelt dat voor de bepaling van het gebruikelijk loon moet worden aangesloten bij de wettelijke norm van artikel 12a van de Wet LB ’64, zijnde € 38.118 voor het jaar 2001. Als onderbouwing van deze stelling voert hij aan dat het hoogste loon van een werknemer binnen het concern, [de heer], lager is, namelijk ƒ 68.582 (€ 31.121), zodat er geen reden is een hoger gebruikelijk loon in aanmerking te nemen. Voorts voert belanghebbende aan dat een gebruikelijk loon van meer dan € 38.118 voor een venootschap die verlies maakt niet waarschijnlijk is. Tot slot stelt belanghebbende dat door de belastingdienst niet aannemelijk is gemaakt dat een hoger gebruikelijk loon in aanmerking moet worden genomen.

2.7. In zijn arrest van 17 september 2004, nr. 38 378, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/50, oordeelde de Hoge Raad als volgt:

“(…) 3.4. Bij toepassing van artikel 12a van de Wet zal het loon dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, gebruikelijk is (hierna: het gebruikelijke loon), bepaald kunnen worden aan de hand van het salaris dat toegekend is aan concrete andere werknemers met soortgelijke dienstbetrekkingen. In een geval als het onderhavige, waarin de opbrengsten van de BV (nagenoeg) geheel voortvloeien uit de door de directeur - in zijn hoedanigheid van werknemer van de BV - verrichte arbeid, is het echter ook mogelijk het gebruikelijke loon te berekenen op basis van de opbrengsten van de BV, verminderd met de aan die opbrengsten toe te rekenen kosten (exclusief het loon van die werknemer), lasten en afschrijvingen. (…)”

2.8. Ter zitting heeft belanghebbende verklaart dat [de heer] in dienst is van een ander concern, te weten: [BV3] Aangezien [de heer] geen werknemer is van [BV1] of [BV2]. kan zijn salaris naar het oordeel van de rechtbank niet worden gebruikt ter bepaling van de hoogte van belanghebbendes loon in het kader van de gebruikelijk loon regeling.

2.9. Vast staat dat de door [BV1]. ontvangen managementfee van [BV2]. ad € 245.041 volledig betrekking heeft op de werkzaamheden die belanghebbende verricht voor [BV2]. Op grond van voornoemd arrest van de Hoge Raad heeft de inspecteur ter bepaling van de hoogte van gebruikelijke loon derhalve terecht de opbrengsten van [BV1]., zijnde de managementfee ontvangen van [BV2]., als uitgangspunt genomen. De door de inspecteur aan die opbrengst toe te rekenen kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk en zijn als zodanig door belanghebbende ook niet bestreden. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het belastbaar loon van belang¬hebbende, conform de berekening van de inspecteur, moet worden vastgesteld op € 150.000. Belanghebbendes opmerking dat een hoger gebruikelijk loon niet waarschijnlijk is voor een verlieslijdende vennootschap wordt, wat hiervan verder ook zij, door de rechtbank verworpen, nu niet gebleken is dat [BV1]. structureel verliezen maakt.

2.10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2007 door mr. W. Brouwer, voorzitter, mr A.A. den Hartog

en mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Abbing-van Kleef, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.