Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB1183

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
06-08-2007
Zaaknummer
AWB- 06_3835
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bestreden besluit inzake een arbeidsverplichting voor 20 uur per week is uitsluitend gebaseerd op een advies van een GGD-arts. Om te beoordelen of dit advies met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen dient te worden bezien of de arts voldoende geïnformeerd was omtrent de medische situatie van eiser per 18 augustus 2004 en of het advies kan worden gedragen door de beschikbare medische informatie. De rechtbank heeft die informatie ondanks herhaalde verzoeken niet mogen ontvangen van verweerder. Hoewel de GGD-arts weigert deze stukken aan verweerder èn rechtbank ter beschikking te stellen, is verweerder verantwoordelijk voor door hem ingeschakelde deskundigen, zodat het ontbreken van de gevraagde stukken verweerder is toe te rekenen. Bij gebreke van de medische informatie die aan het advies van de GGD-arts ten grondslag ligt, kan niet blijken dat het bestreden besluit is genomen met de vereiste zorgvuldigheid. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 06 / 3835 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam eiser],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde mr. Y. Reichardt,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal,

verweerder.

1. Het procesverloop

Namens eiser is beroep ingesteld tegen het besluit van 13 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) inzake het opleggen van een arbeidsverplichting ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een behandeling ter zitting achterwege gelaten.

2. De beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 18 augustus 2004 heeft verweerder eiser een arbeidsverplichting voor 20 uren per week ingevolge de WWB opgelegd. De bezwaren van eiser hiertegen heeft verweerder bij besluit van 15 februari 2005 ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 oktober 2005 heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit van verweerder van 15 februari 2005 vernietigd, kort gezegd omdat onvoldoende inzichtelijk en daarmee onvoldoende toetsbaar is hoe de keuringsarts tot diens conclusies is gekomen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, op basis van een advies van een arts van de GGD West-Brabant, de bezwaren van eiser opnieuw ongegrond verklaard en de oplegging van een arbeidsverplichting voor 20 uren per week gehandhaafd.

2.2 Namens eiser is in beroep, samengevat, aangevoerd dat hem vanwege zijn medische situatie per 18 augustus 2004 geen arbeidsverplichting opgelegd had kunnen worden.

2.3 Ingevolge het bepaalde in artikel 8:45 van de Awb zijn partijen verplicht om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn schriftelijke inlichtingen te geven en stukken in te zenden. Indien een partij niet aan deze verplichting voldoet, kan de rechtbank ingevolge het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.

2.4 Kern van het geschil is de vraag of verweerder eiser per 18 augustus 2004 op grond

van de WWB een arbeidsverplichting voor 20 uur per week heeft mogen opleggen. Dit besluit van verweerder is uitsluitend gebaseerd op een medisch advies van een GGD-arts. De rechtbank dient te beoordelen of dit advies van de GGD-arts met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. In dat kader dient te worden bezien of de arts voldoende geïnformeerd was omtrent de medische situatie van eiser per 18 augustus 2004 en of zijn medisch advies kan worden gedragen door de beschikbare medische informatie.

Bij brieven van 3 november 2006 en 1 december 2006 heeft de rechtbank verweerder verzocht de medische stukken die ten grondslag liggen aan het medisch advies van de GGD-arts in te sturen. Bij de tweede brief is verweerder gewezen op de mogelijkheid om de medische stukken onder geheimhouding in te zenden. Verweerder heeft de gevraagde stukken desondanks niet ingezonden.

Bij brief van 23 februari 2007 heeft de rechtbank verweerder voor de laatste keer verzocht de gevraagde medische stukken binnen veertien dagen in te sturen, met de aanzegging dat wanneer niet tijdig aan het verzoek wordt voldaan de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen zal maken die haar geraden voorkomen. Ook aan deze brief is geen gevolg gegeven.

2.5 De rechtbank concludeert dat verweerder niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 8:45 van de Awb. Weliswaar komt uit de gedingstukken naar voren dat verweerder niet over deze stukken beschikt en dat de GGD-arts weigert deze stukken ter beschikking te stellen van zowel verweerder als de rechtbank, maar verweerder is verantwoordelijk voor de handelwijze van de door hem ingeschakelde deskundigen. Het ontbreken van de gevraagde stukken is verweerder daarom toe te rekenen. Bij gebreke van de medische informatie die aan het medisch advies van de GGD-arts ten grondslag ligt, kan niet blijken dat het bestreden besluit is genomen met de vereiste zorgvuldigheid. Om deze reden zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank is niet bevoegd om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal worden opgedragen om een nieuwe beslissing op de bezwaren van eiser te nemen. De termijn waarbinnen dat dient te gebeuren, blijkt uit de Awb. De rechtbank is niet bevoegd deze termijn te bekorten. Aan het nemen van een nieuw besluit zal daarom geen termijn worden verbonden. In het kader van een zorgvuldige besluitvorming is verweerder tenslotte gehouden om eiser en zijn gemachtigde de gelegenheid te bieden tijdens een hoorzitting te reageren op het medisch rapport en de bezwaren nader toe te lichten.

2.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat de gemeente Roosendaal aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 38,--vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de gemeente Roosendaal.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, en in aanwezigheid van mr. M.A.M. de Baar, griffier, in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden, verzet doen bij de rechtbank. De termijn daarvoor bedraagt 6 weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: