Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB1074

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-07-2007
Datum publicatie
06-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/3497
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Lijfrente betaald aan inwoner van Spanje, verband houdend met voormalige dienstbetrekking, in Nederland belast.

Inwoner van Spanje was voor zijn emigratie directeur van een in Nederland gevestigde B.V. Een toezegging dat een deel van de B.V. zou worden afgesplitst in een afzonderlijke vennootschap waarvan belanghebbende directeur zou worden en een belangrijke deel van de aandelen zou krijgen, is niet gestandgedaan. Ter compensatie van “het prijsgeven van de rechten op deelgerechtigdheid in de resultaten van de af te splitsen divisie” wordt belanghebbende een op 55 jarige leeftijd ingaande lijfrente toegekend.Inspecteur heeft, met toepassing van de omkeerregeling, van belastingheffing over de aanspraak afgezien, maar wil de lijfrente, toekomend aan belanghebbende die inmiddels 55 jaar is geworden en in Spanje woont, belasten.

Rechtbank beslist dat de lijfrente dient te worden aangemerkt als voortvloeiend uit belanghebbendes voormalige dienstbetrekking, dat het belastingverdrag met Spanje voor niet-zelfstandige arbeid een sluitende regeling bevat (vide: HR 20 december 2000, nr. 35 242, BNB 2001/124*) en dat het heffingsrecht terzake ingevolge artikel 16 van het verdrag, nu de dienstbetrekking in Nederland is uitgeoefend aan Nederland toekomt. Voor toepassing van het restartikel (art.23) dan wel, voor wat betreft het interestelement, artikel 11 van het verdrag, is geen ruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/19.6
V-N 2007/58.2.2
FutD 2007-1546
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3497

Uitspraakdatum: 19 juli 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], Spanje, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 26 mei 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2001 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.729.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2007 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur. Ter zitting heeft de inspecteur een pleitnota voorgedragen en exemplaren overgelegd aan belanghebbende en de rechtbank.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende, geboren op 12 januari 1946, was werkzaam als directeur van [BV], een in Nederland gevestigde vennootschap (‘de B.V.’). In 1980 heeft de B.V. belanghebbende in kennis gesteld van haar voornemen om een divisie van de B.V. (‘de systeemgroep’) onder te brengen in een afzonderlijke vennootschap, belanghebbende toegezegd dat hij daarvan directeur zou worden en dat hij daarin 1/3 deel van de aandelen zou verkrijgen.

2.2. Medio 1984 deelde de B.V. belanghebbende mee dat het voornemen om de systeemgroep af te splitsen niet zou worden uitgevoerd. Per ultimo 1984 is de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en de B.V. ontbonden en vervangen door een managementovereenkomst tussen belanghebbendes persoonlijke B.V. en de B.V.

2.3. Op 13 mei 1985 is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per ultimo 1984 geformaliseerd. Daarnaast is overeengekomen dat aan belanghebbende, als compensatie “voor de pensioenbreuk en het prijsgeven van de rechten op deelgerechtigdheid in de resultaten van de systeemgroep” een recht op periodieke uitkeringen zou worden toegekend ter waarde van fl. 270.000 (€ 122.521)(‘de compensatie’), recht gevend op een lijfrente, ingaande bij het bereiken door belanghebbende van de leeftijd van 55 jaar, alsmede een nabestaandenlijfrente, ter grootte van fl. 63.000 (€ 28.588) per jaar. Door de inspecteur is een en ander aangemerkt als het toekennen van een aanspraak op te derven loon, waarover belastingheffing destijds, met toepassing van de zogenaamde omkeerregeling, neergelegd in artikel 11, letter e, van de Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972, achterwege is gebleven.

2.4. Op 21 september 1999 heeft belanghebbende zich metterwoon in Spanje gevestigd, alwaar hij nog steeds woonachtig is. In 2001 ging de lijfrente in, als gevolg van het bereiken door belanghebbende van de leeftijd van 55 jaar. Op de uitkering in dat jaar, groot € 28.888, is een bedrag groot € 2.097 aan loonheffing ingehouden, welk bedrag is verrekend met de terzake verschuldigde inkomstenbelasting ad € 1.184, waarna, met inachtneming van de vergoede heffingsrente een aanslag resteerde van € 1.059.

2.5. Partijen zijn het er over eens dat van de compensatie, 10 % dient te worden toegerekend aan de pensioenbreuk en dat dit bedrag, krachtens het bepaalde in artikel 19 van het Nederlands-Spaanse belastingverdrag van 1971 (Tractatenblad 1971, 144)(‘het verdrag’) ter belastingheffing aan Spanje is toegewezen. De overige 90 %, zijnde € 25.729, heeft betrekking op ‘het prijsgeven van de rechten op deelgerechtigdheid in de resultaten van de systeemgroep.’

2.6. In geschil is de vraag waar dit laatste bedrag mag worden belast. Belanghebbende is van oordeel dat het heffingsrecht toekomt aan Spanje en concludeert tot vernietiging van de aanslag. De inspecteur is van oordeel dat Nederland mag heffen en concludeert tot verwerping van het beroep.

2.7. Belanghebbende voert, ter ondersteuning van zijn standpunt, aan dat de compensatie, voor wat betreft het deel dat betrekking heeft op het prijsgeven van de rechten op deelgerechtigdheid in de resultaten van de systeemgroep, is verstrekt als tegenwaarde voor een prestatie, te weten: het afzien van de rechten tot participatie in de systeemgroep. In zoverre zou belastingheffing eerst aan de orde moeten komen indien en in zoverre de uitkeringen de waarde van de tegenprestatie overschrijden. In zoverre sprake is van rente zou het heffingsrecht krachtens het bepaalde in artikel 11 van het verdrag, toekomen aan Spanje. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de compensatie in zoverre is verstrekt ter vervanging van te derven loon, waarover Nederland het heffingsrecht heeft.

2.8. Het verdrag bevat geen definitie van wat onder loon dient te worden verstaan. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, lid 2 van het verdrag dient alsdan te worden teruggegrepen op hetgeen de nationale wetgeving daaronder verstaat. Terzake bepaalt de Nederlandse wetgeving in artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001, juncto artikel 10, eerste lid, Wet loonbelasting 1964, dat onder loon wordt verstaan al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

2.9. Vaststaat dat de compensatie in zijn geheel voortvloeit uit belanghebbendes toenmalige dienstbetrekking. Vaststaat ook dat deze dienstbetrekking in Nederland is uitgeoefend. Naar het oordeel van de rechtbank dient de compensatie dan ook in zijn geheel, dat wil zeggen, ook voor het deel dat betrekking heeft op het prijsgeven van de rechten op deelgerechtigdheid in de resultaten van de systeemgroep, te worden aangemerkt als een aanspraak ter vervanging van te derven loon. Ingevolge het op het moment van toekennen van voormelde aanspraak vigerende artikel 22, lid 2 Wet op de inkomstenbelasting 1964, juncto artikel 11, letter e van de Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972 behoorde deze niet tot het loon. Uit het systeem van de wet volgt dan dat de uit deze vrijgestelde aanspraak voortvloeiende lijfrente-uitkeringen wel als loon zijn belast.

2.10. Volgens vaste jurisprudentie –onder meer Hoge Raad 20 december 2000, nr. 35 242 (BNB 2001/124*)- is voor beloningen verkregen ter zake van niet-zelfstandige arbeid in verdragen die zijn gebaseerd op het OECD-modelverdrag –daaronder te begrijpen het verdrag met Spanje- een sluitende regeling getroffen. Waar artikel 16 van het verdrag, voor zover hier van belang, beloningen terzake van tegenwoordige arbeid ter belastingheffing toewijst aan de staat waar die arbeid is verricht, staat daarmee vast dat het heffingsrecht toekomt aan Nederland en bestaat geen ruimte voor een verkenning van de gevolgen die een andersluidende etikettering voor de verdragstoepassing zou kunnen hebben. Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur.

2.11. In verband daarmee behoeft de vraag, of de bewoordingen van de ontbindingsovereenkomst van 13 mei 1985, krachtens welke de compensatie mede betrekking had op ‘het prijsgeven van de rechten op deelgerechtigdheid in de resultaten van de systeemgroep’ ertoe leiden dat de compensatie voor dit deel kan worden aangemerkt als inkomsten uit vermogen, waarover het heffingsrecht, ingevolge artikel 23 (het restartikel), dan wel artikel 11 van het verdrag, aan Spanje toekomt, zoals belanghebbende voorstaat, geen beantwoording meer.

2.12. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juli 2007 door mr. D. Hund, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M.S. van Balkom, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.