Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB0748

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-07-2007
Datum publicatie
01-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/2005
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende en haar echtgenoot oefenen in maatschapsverband een melkveebedrijf uit. In 2001 hebben zij hun melkquotum aan een derde verkocht. In 2002 hebben belanghebbende en haar echtgenoot een BV opgericht, welke BV per 1 januari 2003 tot de maatschap is toegetreden. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben ieder aftrek van lijfrentepremie geclaimd in verband met de overdracht van (een gedeelte van) de onderneming aan deze BV. Deze lijfrentepremie is onder meer gebaseerd op de vrijval van de herinvesteringsreserve.

De rechtbank is van oordeel dat de verkoop van het melkquotum tot staking van de onderneming leidt, zodat er geen herinvesteringsreserve gevormd kan worden. Aftrek van lijfrentepremie is dan ook niet aan de orde. Een ander oordeel zou ook niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben gezien de verkoop van het melkquotum namelijk geen onderneming in de BV ingebracht, maar de geldelijke vergoeding in verband met deze verkoop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1465
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2005

Uitspraakdatum: 9 juli 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende, met dagtekening 15 februari 2005, voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 158.986.

1.2. Belanghebbende heeft daartegen, bij brief ontvangen op 8 maart 2005, bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 april 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 19 april 2006, ontvangen door de rechtbank op 20 april 2006, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar echtgenoot, alsmede van haar gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1.7. Namens belanghebbende is ter zitting een pleitnota voorgedragen en, met instemming van de inspecteur, een brief overgelegd waarin belanghebbendes voornemen om te komen tot herinvestering, wordt bevestigd. Beide stukken behoren tot de gedingstukken.

1.8. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende exploiteert, in maatschapsverband met haar echtgenoot, een veehouderijbedrijf. Het tot het bedrijf behorende melkquotum is onder druk van de toenmalige huisbankier, ultimo 2001 verkocht voor een bedrag, na aftrek van kosten, ongeveer groot ƒ 925.000. Dit bedrag is in de loop van 2002 ontvangen.

2.2. Op 16 augustus 2002 hebben belanghebbende en haar echtgenoot [BV] opgericht. Per 1 januari 2003 is deze tot de in 2.1 bedoelde maatschap toegetreden. Blijkens de maatschapakte, welke op 30 januari 2003 is geregistreerd, brengen belanghebbende en haar echtgenoot per 1 januari 2003 het agrarische bedrijf in en brengt de BV een bedrag van € 18.000 in contanten in.

2.3. De opbrengst van het melkquotum, welke is ontvangen op 16 januari en 16 februari 2002, is aangewend ter aflossing van een schuld aan ABN-AMRO, de toenmalige huisbankier. Op 27 december 2002 is, deels gefinancierd middels een kredietfaciliteit bij de Rabobank, een bedrag van € 418.313 door belanghebbende en haar echtgenoot overgeboekt naar de bankrekening van de BV.

2.4. In verband met de in 2.2 bedoelde toetreding van de BV tot de maatschap heeft belanghebbende bij haar aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 een bedrag groot € 189.289 als lijfrentepremie ten laste van haar inkomen gebracht. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de onderhavige aanslag de aftrek van de lijfrentepremie geweigerd.

3. Geschil

3.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende ter zake van de boekwinst, behaald met de verkoop van haar melkquotum in 2001 per ultimo 2002 een herinvesteringsreserve mocht vormen, welke door de toetreding van de BV tot de maatschap is komen vrij te vallen, en welke vervolgens door belanghebbende kon worden aangewend om een lijfrente in de zin van artikel 3.126 Wet IB 2001 te bedingen bij de BV, hetgeen belanghebbende bevestigt en de inspecteur ontkent.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor zover daar ter zitting van is afgeweken wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een verlies uit werk en woning van € 11.942. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de verkoop van belanghebbendes melkquotum in 2001, mede in het licht van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1998, nr. 33 468, (BNB 1998/313), tot het materieel staken van belanghebbendes melkveebedrijf. In een dergelijke situatie is het niet mogelijk om ter zake van de bij een zodanige staking behaalde boekwinst een herinvesteringsreserve te vormen.

4.2. Zou de verkoop van belanghebbendes melkquotum evenwel niet dienen te worden opgevat als het staken van (een deel van) belanghebbendes onderneming dan zou ter zake van de behaalde boekwinst vorming van een herinvesteringsreserve in beginsel zijn toegelaten, mits het voornemen tot herinvestering aannemelijk is gemaakt en dat voornemen ook per jaareinde nog bestond. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het door belanghebbende ter zake aangevoerde.

4.3. De vraag of een zodanig voornemen ook nog per ultimo 2002 bestond, hetgeen de inspecteur betwist, behoeft echter geen behandeling, nu een bevestigende beantwoording, in het licht van hetgeen door de Hoge Raad is beslist in zijn arrest van 12 september 2003, nr. 37 596 (BNB 2003/400), niet tot het door belanghebbende beoogde resultaat, te weten toepassing van het bepaalde in artikel 3.126, lid 1, sub a, ten tweede, Wet IB 2001, kan leiden. Immers ook in de thans voorliggende situatie is niet het door belanghebbende gedreven melkveebedrijf aan de BV overgedragen maar is het daaraan ten grondslag liggende melkquotum geruime tijd daarvoor reeds verkocht aan een derde en wordt het geldbedrag, de opbrengst van dat quotum, ingebracht. Van overdracht van een (gedeelte van een) onderneming aan de BV is in zoverre geen sprake en derhalve mist artikel 3.126, lid 1, sub a, ten tweede, Wet IB 2001, toepassing.

4.4. Hoezeer de rechtbank begrip kan opbrengen voor de door belanghebbende aangevoerde beweegredenen voor de feitelijke gang van zaken, zulks kan, waar de rechter de innerlijke waarde van de wet niet mag toetsen aan billijkheid en redelijkheid (artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk), geen verandering brengen in de conclusie dat in dit geval het gelijk aan de inspecteur is.

4.5. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2007 door mr. D. Hund, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.