Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB0312

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/2697
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende neemt de werkzaamheden, uitzendbedrijf, en werknemers die in Nederland werken over van een Poolse voorganger. Op belanghebbendes verzoek wordt hij voor de sociale verzekeringen ingedeeld in de sector uitzendbedrijven IIA. Op zijn verzoek om nadere indeling in de kortingklasse wordt hij ingedeeld in de middenklasse. De rechtbank acht aannemelijk dat de voorganger met betrekking tot die in Nederland werkende werknemers geen beroep heeft gedaan op het UWV. Bij het UWV bestaat het beleid dat bij bedrijfsovername bij de overnemer rekening kan worden gehouden met het ziekteverzuimgegevens van diens voorganger. Voor dat geval acht de rechtbank het zogenaamde individueel ziekteverzuimcijfer “0” voor belanghebbende van toepassing, en dus indeling in de kortingklasse, en niet het gegeven dat bij belanghebbende geen ziekteverzuim is gerealiseerd, hetgeen zou resulteren in indeling in de middenklasse. De rechtbank stelt het individueel ziekteverzuimcijfer voor belanghebbende voor 2006 vast op “0”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/22.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2697

Uitspraakdatum: 8 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, statutair gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft met dagtekening 9 maart 2006 aan belanghebbende een "Beschikking indeling klasse uitzendbureau" nummer [0000.00.000.000] afgegeven.

1.2 De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 april 2006 de voornoemde beschikking gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 22 mei 2006, ontvangen bij de rechtbank op 23 mei 2006, beroep ingesteld waarbij door de griffier van haar een recht is geheven van € 281.

1.4 De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1.6 Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

De inspecteur heeft ter zitting overgelegd een afschrift van zijn vraag en het antwoord van het UWV inzake een verzoek om bijstand indeling klasse uitzendbedrijven. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Tot en met het jaar 2004 was belanghebbende actief als uitzendbedrijf van Poolse arbeiders en was zij voor de werknemersverzekeringen ingedeeld in de sector Groot-Metaal. Met ingang van 1 januari 2005 heeft belanghebbende haar uitzendactiviteiten en Poolse werknemers ondergebracht in [maatschappij], een vennootschap gevestigd in Polen. Ten aanzien van de door de Poolse werknemers in Nederland verrichte werkzaamheden hebben de Poolse autoriteiten vanaf 1 januari 2005 tot en met 30 september 2005 steeds de zogenaamde E-101 beschikkingen verstrekt.

2.2 Vanaf 1 oktober 2005 worden door de Poolse autoriteiten geen E-101 beschikkingen meer verstrekt. Als gevolg hiervan worden de Poolse werknemers vanaf die datum wederom in Nederland als verzekerd voor de werknemersverzekeringen aangemerkt. Tot 31 december 2005 is op verzoek van de belastingdienst [maatschappij] in de vorm van een vaste inrichting in Nederland als werkgever aangemerkt en heeft deze zorg gedragen voor de verplichtingen op grond van die verzekeringen.

2.3 Met ingang van 1 januari 2006 zijn de uitzendactiviteiten van [maatschappij] in Nederland voortgezet in de vorm van een vennootschap, zijnde belanghebbende. De uitzendactiviteiten en werknemers van [maatschappij] in Nederland zijn met ingang van 1 januari 2006 ondergebracht in belanghebbende. Vervolgens is bij de belastingdienst een verzoek tot sectorwijziging, van sector Groot-metaal naar sector Uitzendbedrijven, ingediend en is belanghebbende met ingang van 1 januari 2006 ingedeeld in sector Uitzendbedrijven IIA.

2.4 Bij beschikking van 9 maart 2006 is belanghebbende op haar verzoek om indeling in risicopremiegroep kortingklasse met ingang van 1 januari voor het premiejaar 2006 ingedeeld in de "Premie groep 02 middenklasse - voor de premiegroep uitzendbedrijven.".

Daarbij is als motivering gegeven:

"Nieuwe werkgevers en werkgevers van wie over nog geen gegevens bekend zijn worden ingedeeld in de middenklasse."

2.5 Op vragen van de belastingdienst in het kader van de bijstand indelingsklassen uitzendbedrijven is door het UWV onder meer het volgende geantwoord:

“Indeling van een startende werkgever welke standaard wordt ingedeeld in de middenklasse naar de kortingsklasse kan alleen dan plaatsvinden als het individuele ziekteverzuimcijfer van de rechtsvoorganger bekend is, (en tevens wordt de eis gesteld dat zowel het bestuur c.q. de bestuurder gelijk zijn gebleven als ook het personeelsbestand niet ingrijpend is gewijzigd. Ook moet de werkgever een verzoek daartoe indienen). Het betreft hier een beleidsregel welke niet door een wettelijke regeling wordt ondersteund.”

2.6. Bij beschikking van de inspecteur van 6 oktober 2006 is belanghebbende met ingang van 1 juli 2006 aangemerkt als eigen risicodrager voor de Ziektewet.

3. Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht per 1 januari 2006 is ingedeeld in het sectoronderdeel uitzendbedrijven IIA middenklasse.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voorzover daar ter zitting van is afgeweken wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en indeling in de premiegroep kortingsklasse. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Niet in geschil is dat belanghebbende moet worden ingedeeld in sectoronderdeel uitzendbedrijven IIA, zoals door de inspecteur is gedaan bij als voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 95 van de Wet financiering sociale verzekeringen aan te merken besluit van 9 maart 2006, ambtshalve genomen bij de "Uitspraak op bezwaar inzake sectoraansluiting" (bijlage drie verweerschrift) op het verzoek van belanghebbende daartoe van 17 januari 2006 (bijlage één verweerschrift).

4.2 Met ingang van 1 januari 2006 is in de Regeling Wfsv [Wet financiering sociale verzekeringen], (Staatscourant 13 december 2005, nr. 242), voor zover te dezen van belang, het volgende bepaald:

Afdeling 2. Premiedifferentiatie

§ 1. Premiedifferentiatie uitzendbranche

Artikel 3.5. Definities

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

(…)

individuele ziekteverzuimcijfer: het quotiënt van de aan een werkgever toe te rekenen ziekengeldlasten en de loonsom;

gemiddelde ziekteverzuimcijfer: het quotiënt van de aan een sectoronderdeel toe te rekenen ziekengeldlasten en de loonsom.

Artikel 3.6. Sectoronderdelen in de sector uitzendbedrijven

De sector uitzendbedrijven wordt ingedeeld in de volgende sectoronderdelen, bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de Wfsv:

a. uitzendbedrijven IA, met als subpremiegroepen:

1o uitzendbedrijven IA opslagklasse;

2o uitzendbedrijven IA middenklasse;

3o uitzendbedrijven IA kortingsklasse;

b. uitzendbedrijven IIA, met als subpremiegroepen:

1o uitzendbedrijven IIA opslagklasse;

2o uitzendbedrijven IIA middenklasse;

3o uitzendbedrijven IIA kortingsklasse;

c. intermediaire diensten;

d. uitzendbedrijven IB en IIB;

e. detachering.

Artikel 3.7. Indeling werkgevers binnen uitzendbedrijven IA en IIA

1. De inspecteur stelt jaarlijks bij voor bezwaar vatbare beschikking het individuele ziekteverzuimcijfer vast van een werkgever die is ingedeeld in de sectoronderdelen uitzendbedrijven IA of IIA.

2. Het UWV stelt jaarlijks het gemiddelde ziekteverzuimcijfer vast van de sectoronderdelen uitzendbedrijven IA en IIA.

3. (…)

4. Een werkgever die is ingedeeld in het sectoronderdeel uitzendbedrijven IIA wordt nader ingedeeld in:

a. de opslagklasse als het individuele ziekteverzuimcijfer ten minste 20% hoger is dan het gemiddelde ziekteverzuimcijfer van dat sectoronderdeel;

b. de middenklasse als het individuele ziekteverzuimcijfer minder dan 20% hoger of lager is dan het gemiddelde ziekteverzuimcijfer van dat sectoronderdeel of als geen individueel ziekteverzuimcijfer is gerealiseerd;

c. de kortingsklasse als het individuele ziekteverzuimcijfer ten minste 20% lager is dan het gemiddelde ziekteverzuimcijfer van dat sectoronderdeel.

Als toelichting hierop is in de genoemde Staatscourant vermeld:

"Artikelen 3.5 tot en met 3.9. Premiedifferentiatie sector uitzendbedrijven

In de artikelen 3.5 tot en met 3.9 worden regels gesteld betreffende premiedifferentiatie sectorfondsen voor de sector uitzendbedrijven. Deze artikelen komen overeen met wat was opgenomen in het Besluit premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector Uitzendbedrijven, met dien verstande dat de inspecteur met ingang van 1 januari 2006 de individuele beslissingen neemt in het collecterende loket op basis van de gegevens van het UWV.

De grondslag voor deze regeling is echter komen te vervallen en in artikel 2.2, achtste lid, van het Besluit Wfsv is een grondslag opgenomen om nadere regels te stellen in de Regeling Wfsv.

In artikel 3.5, onderdelen f tot en met i, is de definitie van het individuele ziekteverzuimcijfer en het gemiddelde ziekteverzuimcijfer technisch aangepast ten opzichte van hetgeen was geregeld in het Besluit premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector Uitzendbedrijven.

Er wordt geen materiële wijziging beoogd. De ziekengeldlasten en de loonsom worden aan een werkgever toegerekend als het ziekengeld onderscheidenlijk het loon betrekking heeft op de werknemers van de werkgever."

4.3. De rechtbank is van oordeel dat de bestreden beschikking als een beschikking als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van de Regeling Wfsv, moet worden aangemerkt. Beoordeeld dient dan enkel te worden of de inspecteur het individueel ziekteverzuimcijfer juist heeft vastgesteld. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de inspecteur, ervan uitgaande dat geen ziekteverzuim gerealiseerd is, geen individueel ziekteverzuimcijfer heeft vastgesteld. De nadere indeling van de in artikel 3.7, vierde lid, van de Regeling Wfsv, genoemde klasse is dan een gevolg van het vastgestelde individueel ziektevezuimcijfer.

4.4. Uit de onder 2.1 tot en met 2.3 genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat belanghebbendes uitzendactiviteiten per 1 januari 2006 een voortzetting zijn van de uitzendactiviteiten van de Poolse vennootschap en daarvóór van de uitzendactiviteiten van belanghebbende zelf. Het bestuur is daarbij ongewijzigd en het gaat om nagenoeg dezelfde werknemers. In dat geval kan op grond van het in 2.5 weergegeven beleid voor de bepaling van het individueel ziekteverzuimcijfer rekening worden gehouden met ziekteverzuimgegevens van vóór 1 januari 2006 van de Poolse vennootschap en belanghebbende zelf.

4.5 Vaststaat dat ter zake van het ziekteverzuim bij belanghebbende en haar voorgangers in de aan 2006 voorafgaande jaren geen beroep is gedaan op het UWV. De rechtbank acht deze door belanghebbende in de stukken en ter zitting nader toegelichte stelling, welke niet is weersproken, aannemelijk.

4.6. Blijkens artikel 3.7, eerste lid van de Wfsv en de toelichting daarop, stelt de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking op grond van de gegevens van het UWV in de individuele gevallen vast welke risicopremiegroep van toepassing is. Het UWV heeft aan de inspecteur te kennen gegeven dat bij belanghebbende geen ziekteverzuim gegevens bekend zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit gegeven overeenstemt met het in 4.4 geoordeelde. In dat geval moet er voor de toepassing van artikel 3.7, vierde lid, van de Regeling Wfsv, naar het oordeel van de rechtbank, ten aanzien van belanghebbende van uit worden gegaan dat het individueel ziekteverzuimcijfer, in de zin van artikel 3.5, onderdeel h, van de Regeling Wfsv nul (0) bedraagt.

4.7 De stelling van de inspecteur dat als gevolg van de sectorwijziging van belanghebbende geen individueel ziekteverzuimcijfer bij belanghebbende is gerealiseerd, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het doel van de zinsnede "als geen individueel ziekteverzuimcijfer is gerealiseerd" onder meer ziet op de omstandigheid dat sprake is van een startende werkgever die geen ziekteverzuimgeschiedenis heeft. Daar is in het onderhavige geval, gezien het in 4.4 geoordeelde, geen sprake van.

4.8 Op grond van het in 4.6 overwogene had de inspecteur ten aanzien van belanghebbende een individueel ziekteverzuimcijfer van nul (0) moeten vaststellen. Belanghebbende moet dan, gelet op de in artikel 3.7, vierde lid, van de Regeling Wfsv, genoemde vereisten, nader worden ingedeeld in de in onderdeel c, van dat artikellid bedoelde kortingsklasse. Nu de inspecteur blijkens de bestreden beschikking ten aanzien van belanghebbende geen individueel ziekteverzuimcijfer heeft vastgesteld, zal de rechtbank dit bij de uitspraak doen. Gelet hierop is het gelijk aan de zijde van belanghebbende en moet worden beslist als hierna vermeld.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt ten aanzien van belanghebbende voor het premiejaar 2006 een individueel ziekteverzuimcijfer van nul (0) vast en verstaat dat belanghebbende met ingang van 1 januari voor het premiejaar 2006 wordt ingedeeld in sectoronderdeel uitzendbedrijven IIA kortingsklasse;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 8 juni 2007 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.