Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB0311

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/2815
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AWB 06/2815

Belanghebbende, directeur/groot-aandeelhouder van X BV, is gehuwd buiten gemeenschap van goederen. Hij heeft in 1990 met de BV een levensverzekeringsovereenkomst afgesloten. Verzekeringnemer van het spaardeel is belanghebbende, van het risicodeel zijn echtgenote. In het jaar 2001 bedraagt de waardeaangroei van de verzekering € 11.805. Dit bedrag is door belanghebbende aangegeven als resultaat uit overige werkzaamheden (afdeling 3.4 Wet IB 2001). In geschil is of de waardeaangroei gehele belast is bij belanghebbende of dat een deel mag of moet worden toegerekend aan de echtgenote. Belanghebbende stelt dat deze inkomsten hetzelfde behandeld moeten worden als inkomsten uit aanmerkelijk belang die vrijelijk tussen partners kunnen worden verdeeld. De rechtbank oordeelt dat de keuze van de wetgever om voor inkomen uit aanmerkelijk belang af te wijken van de hoofdregel (individualisering) niet noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat eveneens het resultaat uit overige werkzaamheid vrij toerekenbaar moet zijn en dat geen sprake is van strijd met het EVRM of IVBPR. Volgens de rechtbank is de waardeaangroei geheel bij belanghebbende belast omdat het volledige economische belang bij de polis berust bij belanghebbende en belanghebbende bevoegd is over de polis te beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/23.6
V-N 2008/21.3.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2815

Uitspraakdatum: 19 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 14 februari 2003 voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 94.892 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.527 .

1.2. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 18 mei 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 23 mei 2006, ontvangen bij de rechtbank op 24 mei 2006, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1.6. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is als belastingadviseur en aandeelhouder verbonden aan het accountantskantoor [woonplaats]. De belangen in het accountantskantoor zijn ondergebracht in zijn persoonlijke houdstervennootschap [BV] (hierna: de vennootschap). Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap.

2.2.Belanghebbende is sedert 10 december 1981 gehuwd met [mevrouw]. Het huwelijk is aangegaan op huwelijkse voorwaarden opgemaakt bij akte van 20 november 1981 en gewijzigd bij akte van 20 juli 1998.

2.3. De akte van huwelijkse voorwaarden bevat een zogenaamd periodiek verrekenbeding. Tussen de echtgenoten heeft tot op heden nimmer enige verrekening of vermogensvaststelling plaatsgevonden. Bij het aangaan van het huwelijk had geen der echtgenoten eigen vermogen.

2.4. Bij akte van 20 juli 1998 is aan de huwelijkse voorwaarden toegevoegd Artikel 8. Hierin is het volgende bepaald:

‘‘Premies van overlijdensrisicoverzekering (daaronder het risicodeel van een gemengde verzekering en een ongevallenverzekering begrepen) vallen niet onder de kosten van de huishouding.

(…)”

2.5 Op 1 januari 1990 is een overeenkomst van levensverzekering tot stand gekomen waarbij belanghebbende optreedt als verzekeringnemer en verzekerde en de vennootschap optreedt als verzekeraar. Voorzover van belang luidt deze overeenkomst als volgt:

‘Verzekeringnemer: [belanghebbende]

Verzekerde: [belanghebbende]

Datum aanvang verzekering: 1 januari 1990

Soort verzekering: gemengd kapitaal

Einddatum verzekering: 1 januari 2015

Uitkering bij overlijden voor 1 januari 2015: f 1.700.000,-

Uitkering bij in leven zijn op 1 januari 2015: het spaartegoed met een minimum van f 1.200.000,-

Premie: f 100.000,- te voldoen op 1 januari 1990

f 10.500,- per jaar, jaarlijks te voldoen op 1 januari. voor het eerst op 1 januari 1991

Gemengd kapitaal:

Het gemengd kapitaal wordt aan de begunstigde uitgekeerd op de einddatum van de verzekering, als de verzekerde in leven is. Als de verzekerde voor de einddatum van de verzekering overlijdt, wordt het gemengd kapitaal onmiddellijk aan de begunstigde uitgekeerd.

Premiebetaling:

De premie is verschuldigd tot de einddatum premiebetaling. De premiebetaling eindigt eerder bij overlijden van de verzekerde.

Premievrijstelling:

(….)

Fiscale glijclausule:

(…..)

Polissplitsing:

Verzekeringnemers zijn:

1. [belanghebbende] voor dat gedeelte van de verzekering dat recht geeft op een uitkering bij in leven zijn van de verzekerde op de einddatum van de verzekering.

2. [mevrouw] – voor dat gedeelte van de verzekering dat recht geeft op een uitkering bij overlijden van de verzekerde voor de einddatum van de verzekering.

Te betalen premie door [belanghebbende]: 94,73% van de totaal verschuldigde premie.

Te betalen door [mevrouw]: 5,27% van de totaal verschuldigde premie.

Begunstiging:

Als begunstigden zijn achtereenvolgens aangewezen:

- Voor de uitkering bij in leven zijn: de verzekerde.

- Voor de uitkering na overlijden:

1. degene die op het tijdstip van overlijden de echtgenote is van de verzekerde.

2. de kinderen van de verzekerde, ieder voor een gelijk deel.

3. de overige erfgenamen van de verzekerde.

Het bedrag zal onder de erfgenamen worden verdeeld in dezelfde verhouding als waarin zij tot de nalatenschap van de verzekerde gerechtigd zijn.

Als de eerstgenoemde begunstigde bij het opeisbaar worden van de uitkering niet meer in leven is, wordt het bedrag aan de volgende begunstigde uitgekeerd.

Rechten verzekeringnemer:

De verzekeringnemer heeft het recht:

a. veranderingen aan te brengen in de begunstiging

b. zijn rechten uit deze overeenkomst over te dragen aan anderen

c. de verzekering te beeindigen

d. de verzekering te doen afkopen door de verzekeraar’

De overeenkomst is gedagtekend 1 januari 1990 en ondertekend door respectievelijk de vennootschap, [belanghebbende] en [mevrouw].

2.6. Op 31 december 2001 is een overeenkomst gesloten tussen enerzijds de vennootschap en anderzijds [belanghebbende] en [mevrouw] waarbij de hiervoor onder 2.5 aangehaalde gemengde verzekering deels is afgekocht. Voorzover van belang luidt deze overeenkomst als volgt:

‘Ondergetekenden:

1. De besloten vennootschap [BV], vertegenwoordigd door haar bestuurder, [belanghebbende]

2. [belanghebbende]

b. [mevrouw]

In aanmerking nemende:

…..

Komen het navolgende overeen:

1. Per heden, 31 december 2001, wordt de verzekering gedeeltelijk afgekocht, inhoudende:

a. dat een bedrag van f 205.000,-, zijnde de tot en met het jaar 2000 door ondergetekende sub 2 voldane premies, door ondergetekende sub 1 worden terugbetaald aan ondergetekende sub 2.

b. dat in verband hiermee de rechten van ondergetekende sub 2 jegens ondergetekende sub 1 de volgende wijzigingen ondergaan ten opzichte van de overeenkomst d.d. 1 januari 1990: de uitkering bij in leven zijn op 1 januari 2015 wordt gesteld op: het spaartegoed met een minimum van fl. 844.795,-: de uitkering bij overlijden voor 1 januari 2015 wordt gesteld op fl. 1.196.800.

2. Voor het overige worden in de verzekeringsovereenkomst d.d. 1 januari 1990 geen wijzigingen aangebracht.

3. (…)’

2.7. In het jaar 2001 bedraagt de waardeaangroei van de hiervoor vermelde verzekering € 11.805. Dit bedrag is door belanghebbende opgenomen in zijn aangifte inkomstenbelasting 2001 als resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). In de aangifte van belanghebbendes echtgenote zijn geen resultaten uit overige werkzaamheden aangegeven. De aanslag is conform het ingediende aangiftebiljet opgelegd. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag aan wie het resultaat uit overige werkzaamheid moet worden toegerekend. Belanghebbende is primair van mening dat deze inkomsten geheel aan zijn echtgenote kunnen worden toegerekend. Subsidiair en meer subsidiair is hij van mening dat de inkomsten bij helften aan ieder der echtgenoten toekomen.

De inspecteur is van mening dat het resultaat uit overige werkzaamheid geheel door belanghebbende is genoten.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

In paragraaf 7.1 van het verweerschrift verwijst de inspecteur naar de brief van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 7 april 2006. Deze brief heeft niet het karakter van wet of van semi-wetgeving en bevat slechts de mening van de staatssecretaris.

In paragraaf 7.2 van het verweerschrift stelt de inspecteur dat sprake is van twee verzekeringen die zijn ondergebracht in één polis. Hiermee ben ik het niet eens. Er is sprake van één overeenkomst die niet te splitsen is. De medewerking van beide verzekeringnemers is nodig in geval van afkoop, wijzigingen etc.

Het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2006, nummer 38 044 (V-N 2006/15.15) is niet op mijn casus van toepassing. In dat arrest ging het over rente die te separeren is van de vordering zelf en niet zoals hier over een polis van levensverzekering. Hier is geen splitsing tussen hoofdsom en rente mogelijk. Ook de feiten zijn anders. Wij leven niet duurzaam gescheiden.

Naar aanleiding van paragraaf 7.3 van het verweerschrift merk ik op dat de wetgever de

inkomsten uit de terbeschikkingstellingsregeling niet in art. 2.17 Wet IB 2001 heeft genoemd, maar ook niet expliciet heeft uitgesloten. Mijns inziens is het verdedigbaar dat toerekening in alle redelijkheid is toegestaan.

De inspecteur:

De brief van de staatssecretaris is inderdaad maar een mening, maar is wel gefundeerd op de wetsgeschiedenis. De polis bevat twee verzekeringnemers, waarbij iedere verzekeringnemer zijn eigen recht op een uitkering heeft. Er is wel een samenhang tussen beide verzekeringen.

Met betrekking tot het bestuur ben ik van mening dat dit van belang is om de genieter te bepalen. De verzekeringnemer is degene die bestuurt. Aan hem komen alle rechten uit de polis toe en hij kan met de polis doen wat hij wil.

In de aangifte is het betreffende inkomensbestanddeel voor 100% aan belanghebbende toegerekend. Dit is bij de aanslagregeling gevolgd. Verder is in 2001 niet gebleken van enige keuze. Voor de aangiften over de jaren 2002 en 2003 is een 50-50 verdeling gekozen.

3.3. Belanghebbende concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.087 en subsidiair en meer subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.989.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat het hem vrij staat de inkomsten uit het resultaat uit overige werkzaamheid toe te rekenen aan zijn echtgenote. Belanghebbende voert hiervoor aan dat de wetgever ervoor heeft gekozen om niet expliciet een criterium in de wet op te nemen ter beantwoording van de vraag wie de inkomsten ex art. 3.92 Wet IB 2001 geniet(en) c.q. aan wie de inkomsten kunnen worden toegerekend. Dit is anders dan bij andere inkomsten, zoals die met betrekking tot de eigen woning, het aanmerkelijk belang en de vermogensinkomsten in box 3. Daarbij hebben fiscale partners de keuzevrijheid om de inkomsten naar eigen voorkeur toe te rekenen. Het gelijkheidsbeginsel brengt volgens belanghebbende mee dat deze keuzevrijheid ook geldt voor de inkomsten ex art. 3.92 Wet IB 2001. In dit verband wijst belanghebbende op de samenhang van de terbeschikkingstellingsregeling met de aanmerkelijkbelangregeling. De voordelen uit een aanmerkelijk belang mogen door fiscale partners naar eigen keuze worden toegerekend. Dat zou, volgens belanghebbende, dan ook moeten gelden voor de daarmee samenhangende voordelen uit hoofde van de terbeschikkingstellingsregeling.

4.2. Hoofdregel van de Wet IB 2001 is, blijkens het bepaalde in artikel 2.17, dat inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner in aanmerking worden genomen bij degene door wie zij zijn genoten. Een uitzondering geldt blijkens het bepaalde in artikel 2.17, tweede lid, Wet IB 2001 voor bestanddelen van de rendementsgrondslag en voor de in het vijfde lid van artikel 2.17 Wet IB opgesomde gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. De toedeling van deze inkomensbestanddelen kunnen de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk bepalen. Inkomen als bedoeld in artikel 3.92 Wet IB 2001 behoort niet tot de in artikel 2.17, tweede lid, Wet IB 2001 vermelde uitzonderingen zodat daarvoor de hoofdregel geldt.

4.3. Belanghebbende stelt dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden indien de gerechtigden tot de inkomsten ex artikel 3.92 Wet IB 2001 niet dezelfde keuzevrijheid hebben als gerechtigden tot de wel in artikel 2.17, vijfde lid, genoemde inkomensbestanddelen.

4.4. Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank niet bevoegd is op grond van redelijkheid en billijkheid een juiste wetstoepassing achterwege te laten. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is immers voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen. Dat ligt echter anders indien de wet in strijd zou zijn met enig internationaal verdrag waaraan Nederland zich heeft verbonden.

4.5. Vooropgesteld moet worden dat toerekening van een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel aan één der partners alleen kan plaatsvinden als beide partners daartoe gezamenlijk een keuze uitbrengen. In de aangifte van de echtgenote is geen resultaat uit overige werkzaamheid opgenomen en in de bijlage bij zijn eigen aangifte heeft belanghebbende verdedigd dat de helft van het resultaat uit overige werkzaamheid aan zijn echtgenote moet worden toegerekend, met een beroep op het huwelijksgoederenregime. Eerst in het beroepschrift stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het betreffende inkomensbestanddeel aan zijn echtgenote moet worden toegerekend uit hoofde van de vrije toerekeningsmogelijkheid. Van een gezamenlijke keuze, die hiervoor is vereist, blijkt echter niet.

4.6. Indien belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt, betekent dit dat voor het betreffende inkomensbestanddeel vrije toerekening mogelijk is. Het niet uitbrengen van een (geldige) keuze brengt dan mee dat het inkomensbestanddeel bij helften aan ieder der echtgenoten wordt toegerekend (art. 2.17, derde lid, Wet IB 2001). Aangezien het inkomensbestanddeel volledig aan belanghebbende is toegerekend zal de rechtbank onderzoeken of het gelijkheidsbeginsel is geschonden en op grond daarvan toerekening bij helften moet plaatsvinden.

4.7. Belanghebbende doelt met zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel, naar de rechtbank begrijpt, op artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (verder: IVBPR). Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, Wet IB 2001 worden inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner in aanmerking genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten. In het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag. Deze worden geacht bij beide partners op te komen respectievelijk tot hun bezit te behoren, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen. Het vijfde lid van artikel 2.17 Wet IB 2001 somt de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen op. Hiertoe behoort niet het resultaat uit overige werkzaamheden maar wel het inkomen uit aanmerkelijk belang. Beide inkomensbestanddelen worden derhalve verschillend behandeld. Beoordeeld moet worden of deze ongelijke behandeling gerechtvaardigd is.

4.8. Blijkens de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 heeft de wetgever met de vormgeving van de Wet IB 2001 een stap gezet op weg naar verdere individualisering van het belastingstelsel. Individualiseren op het terrein van de inkomenstoerekening betekent dat

inkomsten worden belast bij de partner die genieter is van de inkomsten (Kamerstukken II 1998-1999, 26 727, nr. 3, blz. 24). Dit uitgangspunt heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht in art. 2.17, eerste lid, Wet IB 2001. De uitzondering op deze hoofdregel is opgenomen in het tweede lid van artikel 2.17 Wet IB 2001. Ter rechtvaardiging van deze uitzondering heeft de wetgever het volgende opgemerkt: “Bij een aantal inkomstenbestanddelen en de bestanddelen van de rendementsgrondslag zou volledige individualisering (…) kunnen leiden tot complexe toerekeningsproblemen bij partners, met name indien sprake is van een gezamenlijk vermogen.” (Kamerstukken II 1999-2000, 26 727, nr. 7, blz. 103). “Het uitbreiden van de inkomensbestanddelen waarvoor deze regeling geldt achten wij niet opportuun. Immers, een vrije toerekening van inkomensbestanddelen die opkomen bij een van de partners en waarbij toerekening geen problemen oplevert zou strijdig zijn met de individualiseringsgedachte.”(Kamerstukken II 1999-2000, 26 727, nr. 7, blz. 104).

4.9. Met betrekking tot het inkomen uit aanmerkelijk belang heeft de wetgever overwogen dat voor dergelijk inkomen de praktische regeling van het tweede lid niet strikt noodzakelijk is, omdat de aandelen meestal op naam zijn gesteld. “Om toerekeningsproblematiek te voorkomen van inkomen uit aanmerkelijk belang van minderjarige kinderen dat aan de ouders wordt toegerekend en omwille van de eenvoud en een eenduidige wetssystematiek voor alle inkomsten en inkomens uit vermogen is gekozen voor het onderbrengen van het inkomen uit aanmerkelijk belang in deze keuzeregeling. Gelet op het vaste tarief voor inkomen uit aanmerkelijk belang leidt de geboden vrijheid niet tot budgettaire of inkomenseffecten. Wel biedt het belastingplichtigen de mogelijkheid om, ingeval slechts een van beide partners aangifteplichtig is, het inkomen in aanmerking te nemen op de aangifte van de reeds aangifteplichtige partner. Dit leidt er toe dat de individualisering van inkomen uit aanmerkelijk belang niet tot vergroting van het aantal aangifteplichtigen hoeft te leiden.”

(Kamerstukken II 1998-1999, 26 727, nr. 3, blz. 89).

4.10. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een door artikel 14 EVRM respectievelijk artikel 26 IVBPR in verbinding met artikel 1 Protocol nr. 1 verboden ongelijke behandeling moet worden vooropgesteld dat deze Verdragen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij komt aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Uit de hiervoor onder 4.8 en 4.9 weergegeven overwegingen van de wetgever volgt dat twee rechtvaardigingsgronden zijn aangevoerd om bepaalde inkomensbestanddelen niet volgens de hoofdregel individueel in de heffing te betrekken. Voor de inkomsten uit de eigen woning en de bestanddelen van de rendementsgrondslag is de wetgever van mening dat deze tot toerekeningsproblemen kunnen leiden. Voor de inkomsten uit aanmerkelijk belang geldt deze toerekeningsproblematiek in mindere mate, maar vanwege de gelijkenis met vermogensinkomsten is toch gekozen voor vrije toerekening. Het vaste tarief waartegen deze inkomsten worden belast leidt ertoe dat er geen (budgettaire en) inkomenseffecten optreden.

Belanghebbende is van mening dat, nu inkomen uit aanmerkelijk belang vrij toerekenbaar is, dit ook heeft te gelden voor het resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank is van oordeel dat het resultaat uit overige werkzaamheden niet op één lijn is te stellen met het inkomen uit aanmerkelijk belang. De rechtvaardigingsgrond voor de vrije toerekeningsmogelijkheid van inkomen uit aanmerkelijk belang bestaat hieruit dat dit inkomen vergelijkbaar is met inkomsten uit vermogen. In het onderhavige geval bestaat het resultaat uit overige werkzaamheid weliswaar uit het ter beschikking stellen van vermogen aan de eigen vennootschap en lijkt het resultaat daarmee op inkomsten uit vermogen, maar dit kan niet worden gezegd van het resultaat uit overige werkzaamheden in zijn algemeenheid. De overige werkzaamheid kan immers een grote diversiteit aan verschijningsvormen hebben, waarvan het ter beschikking stellen van vermogen er slechts één is. Daarnaast was het voor de wetgever van belang dat de vrije toerekening van inkomen uit aanmerkelijk belang, vanwege het proportionele tarief, niet tot inkomenseffecten leidt. Dit is anders bij het resultaat uit overige werkzaamheid dat immers deel uitmaakt van het inkomen uit werk en woning en derhalve naar het progressieve tarief wordt belast. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de keuze van de wetgever om voor inkomen uit aanmerkelijk belang af te wijken van de hoofdregel (individualisering) niet noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat eveneens het resultaat uit overige werkzaamheid vrij toerekenbaar moet zijn.

4.11. Het subsidiaire standpunt van belanghebbende houdt in dat het onderhavige resultaat uit overige werkzaamheden bij helften door ieder der echtgenoten is genoten. Omdat feitelijk geen werkzaamheden worden verricht die tot deze inkomsten leiden, kan voor de belastingheffing ook niet worden aangeknoopt bij degene die feitelijk de arbeid heeft verricht. Belanghebbende bepleit daarom toerekening van het inkomen aan degene die een economisch belang heeft bij het ter beschikking gestelde vermogen. Omdat zijn echtgenote, evenals belanghebbende, een zelfstandig recht op een uitkering uit de levensverzekering heeft en zij, evenals belanghebbende, als verzekeringnemer op de polis staat, is belanghebbende van mening dat het economische belang voor gelijke delen bij hem en zijn echtgenote berust.

4.12. Het standpunt van belanghebbende, dat de genieter van het onderhavige inkomensbestanddeel degene is die het economisch belang heeft, wat daarvan ook zij, leidt niet tot een verdeling van het betreffende inkomensbestanddeel bij helften over beide echtelieden. Naar het oordeel van de rechtbank rust het volledige economische belang bij de polis bij belanghebbende. Belanghebbendes bewering dat hij niet bevoegd is om eenzijdig wijzigingen in de polis aan te brengen wordt niet gesteund door de inhoud van de overeenkomst van levensverzekering. Blijkens de aanhef van de hiervoor onder 2.5 opgenomen overeenkomst is belanghebbende de verzekeringnemer en komen aan hem de rechten met betrekking tot de polis toe. Deze rechten zijn uitdrukkelijk opgenomen onder het kopje ‘Rechten verzekeringnemer’. Gezien de samenhang met de aanhef van de polis en het gebruik van de enkelvoudsvorm van het zelfstandig naamwoord is in beginsel sprake van één verzekeringnemer. Alleen onder het kopje ‘Polissplitsing’ staat belanghebbendes echtgenote als verzekeringnemer vermeld. Gezien deze plaats en de daaropvolgende premiesplitsing, evenals de daarmee samenhangende wijziging van de huwelijkse voorwaarden zoals opgenomen onder 2.4, komt het de rechtbank voor dat het enige doel was de echtgenote als premieschuldige op te nemen om op deze wijze premiesplitsing mogelijk te maken. Voor een rechtsgeldige premiesplitsing wordt vereist dat de echtgenote de overeenkomst van levensverzekering mede ondertekent. De overeenkomst van levensverzekering in haar geheel beziend is de rechtbank van mening dat slechts belanghebbende de verzekeringnemer is en dat aan hem de rechten uit de polis toekomen. Ook in de wijzigingsovereenkomst van 31 december 2001 (hiervoor opgenomen onder 2.6) wordt steeds gesproken van ‘verzekeringnemer’ en niet van ‘verzekeringnemers’.

4.13. Belanghebbende betoogt dat zijn echtgenote een economisch belang bij de polis van levensverzekering heeft omdat zij recht op een uitkering uit die polis heeft. Dit blijkt echter niet uit de overeenkomst van levensverzekering. Daar staat als eerste begunstigde genoemd ‘degene die op het tijdstip van overlijden de echtgenote is van de verzekerde’. De uitkering komt [mevrouw] dan ook slechts toe als zij belanghebbende overleeft en op dat moment ook nog zijn echtgenote is. Daarbij komt dat aan belanghebbende als verzekeringnemer het recht toekomt om veranderingen aan te brengen in de begunstiging. Nu niet is gebleken dat belanghebbendes echtgenote de begunstiging heeft aanvaard en belanghebbende de begunstiging eenzijdig kan wijzigen, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbendes echtgenote geen enkel economisch belang heeft bij de polis van levensverzekering. Hieraan doet niet af dat zij jaarlijks het premiedeel betaalt dat betrekking heeft op het overlijdensrisicodeel. Nu de verzekerde eind 2001 nog in leven is, heeft de aanspraak – afgezien van een eventuele premiereserve – in het onderhavige jaar geen waarde.

4.14. Meer subsidiair betoogt belanghebbende dat het inkomensbestanddeel aan beide echtgenoten bij helften moet worden toegerekend omdat het bestuur over de polis aan beide echtgenoten toekomt. Belanghebbende stelt zich hierbij op het standpunt dat beide echtgenoten de feitelijke beschikkingsmacht met betrekking tot de polis hebben. Uit het hiervoor overwogene onder 4.11 en 4.12 volgt dat de echtgenote hooguit als verzekeringnemer voor het overlijdensrisicodeel kan worden aangemerkt en dat alle rechten met betrekking tot de polis door belanghebbende kunnen worden uitgeoefend. In zoverre komt aan belanghebbendes echtgenote geen feitelijke beschikkingsmacht toe. Voorzover belanghebbende hierbij beoogd heeft te betogen dat tussen echtelieden vermogensrechtelijk een situatie bestaat als ware er een wettelijke gemeenschap van goederen, treft dit middel geen doel. Belanghebbende is gehuwd in uitsluiting van iedere goederengemeenschap. Beide echtelieden bezaten geen vermogen bij het aangaan van het huwelijk en staande huwelijk is nimmer uitvoering gegeven aan het periodieke verrekenbeding. In het arrest Vossen-Swinkels (Hoge Raad 7 april 1995, NJ 1996, 486) heeft de Hoge Raad bepaald dat als partijen tijdens het bestaan van het huwelijk deling van het overgespaarde achterwege laten en het recht om deling te vorderen blijft bestaan, een uitleg naar redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van het beding dan meebrengt dat bij het einde van het huwelijk ook de vermogensvermeerdering, ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard, maar ongedeeld gebleven, in de verrekening wordt betrokken, tenzij bij de huwelijkse voorwaarden anders is overeengekomen. In het onderhavige geval zou dit arrest er wellicht toe kunnen leiden dat bij het einde van het huwelijk moet worden verrekend alsof sprake is van een wettelijke gemeenschap van goederen. Daaraan doet echter niet af dat geen sprake is van een huwelijksgemeenschap. Omdat belanghebbende verzekeringnemer is, althans in ieder geval voor het ‘levendeel’, heeft hij het bestuur over deze polis. De omstandigheid dat hij in de toekomst de waarde van de polis wellicht moet delen met zijn echtgenote maakt niet dat zijn echtgenote reeds nu het (mede)bestuur over de polis heeft of feitelijk over deze polis kan beschikken.

4.15. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2007 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. W. Brouwer en prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.