Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA8926

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
436570 cv 07-1727
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel recht

- Bevoegdheidsincident

- Kantonrechter verklaart zich absoluut bevoegd. Vorderingen onbepaalde waarden wel < € 5.000,00 art.93 sub b Rv

- In hoofdzaak: uitlaten over al dan niet doorverwijzing voor mediation

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 436570 CV EXPL 07-1727

vonnis d.d. 4 juli 2007

inzake

[J.Z.],

wonende te [adres],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

hierna te noemen: [J.Z.],

gemachtigde: mr. J.J.M. van der Geld van D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te ‘s-Hertogenbosch,

rolgemachtigde: de maatschap GGN Brabant te Tilburg,

tegen

[C.B.],

wonende te [adres],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

hierna te noemen: [C.B.],

gemachtigde: mr. F.A. van de Kasteele, advocaat te Dordrecht.

1. Het verloop van het geding

In de hoofdzaak en in het incident

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

1.1 het exploot van dagvaarding van 7 maart 2007, met producties;

1.2 de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie (tevens bevoegdheidsincident), met producties;

1.3 de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident;

1.4 het audiëntieblad d.d. 20 juni 2007, waaruit voor zover hier van belang blijkt dat deze zaak verwezen is voor vonnis in het bevoegdheidsincident.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

2. Het geschil

In de hoofdzaak en in het incident

[J.Z.] vordert in de hoofdzaak bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat sprake is van een door verjaring verkregen erfdienstbaarheid door [C.B.] (gedaagde) tot het hebben van een riolering in zijn ([J.Z.]’s) grond dan wel om aangesloten te zijn op zijn riolering;

II. [C.B.] te veroordelen om de rioolaansluiting op zijn riolering te verwijderen en verwijderd te houden en/of af te sluiten en afgesloten te houden met de bepaling dat zulks dient te geschieden door een erkend loodgieterbedrijf op de kosten van [C.B.] en na overleg met hem, binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 150,00 per dag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [C.B.] na afloop van deze termijn daarmede in gebreke blijft, met een maximum van € 7.500,00, althans in goede justitie te bepalen bedragen, alsmede te bepalen dat indien [C.B.] aan de veroordeling niet vrijwillig gehoor geeft hij gemachtigd zal zijn datgene te doen waartoe [C.B.] veroordeeld wordt door middel van het inschakelen van een loodgieterbedrijf, zulks voor rekening en risico van [C.B.], en met behulp van de sterke arm;

III. [C.B.] te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van zijn gemachtigde daaronder begrepen.

[C.B.] beroept zich in het bevoegdheidsincident op de (absolute) onbevoegdheid van de kantonrechter om van de vordering(en) van [J.Z.] kennis te nemen.

Namens [J.Z.] wordt verweer gevoerd tegen het bevoegdheidsincident.

In de hoofdzaak concludeert [C.B.] -voor zover de kantonrechter zich wel bevoegd verklaart- in conventie tot niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen van [J.Z.], althans tot ontzegging hiervan, met veroordeling van [J.Z.] in de kosten van dit geding in conventie.

In reconventie vordert [C.B.] -kort gezegd- om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat er sprake is van een erfdienstbaarheid, inhoudende dat [J.Z.] moet dulden dat hij een riolering mag hebben in het perceel van [J.Z.], met de bepaling dat dit vonnis in de plaats treedt van de notariële akte en als zodanig kan worden ingeschreven, met veroordeling van [J.Z.] in de proceskosten in reconventie.

3. De beoordeling

In het incident

3.1 [C.B.] stelt in het bevoegdheidsincident, dat de vorderingen van [J.Z.] van onbepaalde waarde zijn en dat deze vorderingen derhalve -zo begrijpt de kantonrechter- verwezen dienen te worden naar de sector Civiel van deze rechtbank.

3.2 [J.Z.] bestrijdt dat zijn vorderingen van onbepaalde waarde zijn. [J.Z.] wijst hierbij op het feit, dat in de inleidende dagvaarding is aangegeven, dat het achterliggende financiële belang van zijn vorderingen een bedrag van € 730,00 bedraagt. Beide vorderingen zijn volgens [J.Z.] voorts zo met elkaar verwezen dat juist de samenhang van deze vorderingen maakt dat deze gezamenlijk behandeld dienen te worden, waarbij genoemd financieel belang doorslaggevend is om de vordering(en) bij de kantonrechter (sector kanton) aan te brengen.

3.3 Naar het oordeel van de kantonrechter treft dit verweer van [J.Z.] doel. Ex artikel 93 sub b Rv worden zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde behandeld en beslist door de kantonrechter, indien er duidelijk aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigd dan € 5.000,00. Er bestaat inderdaad een duidelijke aanwijzing, dat de vorderingen van [J.Z.] geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 5.000,00.

De kantonrechter zal zich hierna dan ook absoluut bevoegd verklaren om van deze zaak kennis te nemen. [C.B.] zal als de in het incident in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident.

In de hoofdzaak (in conventie en in reconventie)

3.4 Vast staat, dat [J.Z.] eigenaar is van de woning aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [Z], sectie M, perceel 2615. [J.Z.] is ook eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [Z], sectie M, perceel 2616.

[C.B.] is eigenaar van de woning aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [Z], sectie M, nummer 2700. De achterzijde van perceel van [J.Z.] grenst aan de achterzijde van het perceel van [C.B.]. Verder staat vast, dat het huisriool van [C.B.] thans afwatert op een rioolbuis, die zich in de grond van het perceel 2616 bevindt waarvan [J.Z.] eigenaar is.

Juridisch kader

3.5 Partijen verschillen -kort gezegd- van mening over het al dan niet in het verleden gevestigd zijn van een erfdienstbaarheid op grond waarvan het [C.B.] zou zijn toegestaan om met diens huisriool aangesloten te zijn op de riolering van [J.Z.], alsmede over de vraag of deze erfdienstbaarheid wellicht door verjaring is verkregen.

Mediation

3.6 De kantonrechter begrijpt voorts, dat zowel [J.Z.] als ook [C.B.] al tientallen jaren eigenaar is van hun percelen en derhalve ook sinds al die jaren buren. Gelet hierop rijst de vraag of partijen het moeten laten aankomen op een zuiver juridisch oordeel over hun geschil.

Partijen zouden ernaar moeten streven om tot een duurzame en billijke oplossing voor alle partijen te komen. Mediation biedt partijen de mogelijkheid hun conflict zelf gezamenlijk op te lossen via bemiddeling door een onafhankelijke derde, de mediator. Voorwaarde voor een succesvolle mediation is wel dat er ruimte moet zijn voor onderhandeling. Een gerechtelijke procedure richt zich op de juridische aspecten van een conflict terwijl tijdens een mediation gezocht kan worden naar een oplossing voor alles wat met het conflict te maken heeft.

De deelname aan de mediation is vrijwillig, maar niet vrijblijvend. De mediator bespreekt bij de eerste bijeenkomst de mediationprocedure. Hoeveel gesprekken gevoerd worden, hangt af van de situatie. De kantonrechter heeft de mogelijkheid een zaak door te verwijzen voor mediation. Hiervoor is wel de instemming van beide partijen vereist. De kantonrechter is van oordeel, dat deze zaak zich leent voor mediation. De kantonrechter zal partijen hierna in de gelegenheid stellen om zich binnen 2 weken bij akte uit te laten over de mogelijkheid van mediation. In afwachting van deze aktenwisseling houdt de kantonrechter in de hoofdzaak iedere verdere beslissing aan.

4. De beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

verklaart zich absoluut bevoegd om van de onderhavige vorderingen van [J.Z.] kennis te nemen;

veroordeelt [C.B.] in de kosten van dit geding in het incident, aan de zijde van [J.Z.] tot deze uit¬spraak begroot op € 150,00, zijnde salaris voor de gemachtigde van [J.Z.];

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rolzitting van:

woensdag 18 juli 2007 te 11.00 uur,

voor uitlating door beide partijen inzake al dan niet doorverwijzing voor mediation;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 4 juli 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.