Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA8435

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/2897
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht de Vinkenslagregeling verbindend en oordeelt dat de Vinkenslag-ondernemers op voortzetting van die regeling in het jaar 2003 mochten vertrouwen..

Volgens de rechtbank is inspecteur vanaf 1993 vaststellingsovereenkomsten aangegaan met (het collectief van) Vinkenslagondernemers omdat er, gezien de gebrekkige of afwezige administratie, onzekerheid bestond over de aan belasting en premies verschuldigde bedragen en van de bewoners van Vinkenslag gezien hun bijzondere achtergrond en, naar de rechtbank aannemelijk acht, gebrekkige opleiding, niet kon worden verwacht dat zij de wettelijke verplichtingen op dit punt nakwamen, en was het in 2000 blijkbaar de bedoeling van partijen dat het op basis van de vaststellingsovereenkomst verschuldigde bedrag aan belastingen en premies, als geheel genomen, de wettelijk verschuldigde belasting en premies zoveel mogelijk zou benaderen. De rechtbank beoordeelt de vraag of de overeenkomst in strijd komt met de goede zeden of openbare orde naar de situatie en de kennis die bestonden op het tijdstip dat de overeenkomst werd gesloten, in het onderhavige geval derhalve naar de situatie en kennis van mei 2000. De rechtbank is van oordeel dat van deze vaststellingsovereenkomst die, over het geheel bezien de strekking heeft om op een relatief eenvoudige en goed controleerbare wijze te komen tot een benadering van de verschuldigde belasting en premies zoals die bij een juiste wetstoepassing verschuldigd zouden zijn, mede gezien de blijkbaar reeds in 1993 erkende bijzondere situatie van de inwoners van Vinkenslag, niet kan worden gezegd dat deze zozeer in strijd is met hetgeen de wet - over het geheel bezien - bepaalt met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting, premieheffing volksverzekeringen, omzetbelasting en premie WAZ dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1274 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2897

Uitspraakdatum: 19 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Duitsland), eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag premie Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen opgelegd van € 2.390.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 april 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 1 juni 2006, ontvangen bij de rechtbank op 2 juni 2006, beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brief van 21 juni 2006. Ter zake van het beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van €38.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft nadere stukken ingestuurd bij brief van 6 maart 2007. De griffier heeft daarvan een kopie aan de inspecteur gezonden.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007 te Breda. De zaken met de nummers 06/2887, 06/2886, 06/2885, 06/2897, 06/2898 en 06/2899 zijn gezamenlijk behandeld. Voor het verhandelde ter zitting alsmede een overzicht van de aldaar verschenen personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Voor de relevante feiten verwijst de rechtbank naar de uitspraak inzake de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 met procedure nummer 06/2899, waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

3. Geschil

3.1. In geschil is of terecht een aanslag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de aanslag.

3.4. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

De rechtbank heeft bij uitspraak van heden onder nummer 06/2899 beslist dat de inspecteur aan de in mei 2000 tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst is gebonden. Voor dat geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak en de aanslag moeten worden vernietigd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de samenhangende zaken 06/2887, 06/2886, 06/2885, 06/2897, 06/2898 en 06/2899 vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1, en met toepassing van een factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken) waarvan 1/6e deel of € 161 in deze zaak.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de aanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 161 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2007 door mr. W. Brouwer, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.