Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA8430

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/2887
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht de Vinkenslagregeling verbindend en oordeelt dat de Vinkenslag-ondernemers op voortzetting van die regeling in het jaar 2003 mochten vertrouwen..

Volgens de rechtbank is inspecteur vanaf 1993 vaststellingsovereenkomsten aangegaan met (het collectief van) Vinkenslagondernemers omdat er, gezien de gebrekkige of afwezige administratie, onzekerheid bestond over de aan belasting en premies verschuldigde bedragen en van de bewoners van Vinkenslag gezien hun bijzondere achtergrond en, naar de rechtbank aannemelijk acht, gebrekkige opleiding, niet kon worden verwacht dat zij de wettelijke verplichtingen op dit punt nakwamen, en was het in 2000 blijkbaar de bedoeling van partijen dat het op basis van de vaststellingsovereenkomst verschuldigde bedrag aan belastingen en premies, als geheel genomen, de wettelijk verschuldigde belasting en premies zoveel mogelijk zou benaderen. De rechtbank beoordeelt de vraag of de overeenkomst in strijd komt met de goede zeden of openbare orde naar de situatie en de kennis die bestonden op het tijdstip dat de overeenkomst werd gesloten, in het onderhavige geval derhalve naar de situatie en kennis van mei 2000. De rechtbank is van oordeel dat van deze vaststellingsovereenkomst die, over het geheel bezien de strekking heeft om op een relatief eenvoudige en goed controleerbare wijze te komen tot een benadering van de verschuldigde belasting en premies zoals die bij een juiste wetstoepassing verschuldigd zouden zijn, mede gezien de blijkbaar reeds in 1993 erkende bijzondere situatie van de inwoners van Vinkenslag, niet kan worden gezegd dat deze zozeer in strijd is met hetgeen de wet - over het geheel bezien - bepaalt met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting, premieheffing volksverzekeringen, omzetbelasting en premie WAZ dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1274 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2887

Uitspraakdatum: 19 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.080 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 29.120.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 april 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 1 juni 2006, ontvangen bij de rechtbank op 2 juni 2006, beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brief van 21 juni 2006. Ter zake van het beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van €38.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft nadere stukken ingestuurd bij brief van 6 maart 2007. De griffier heeft daarvan een kopie aan de inspecteur gezonden.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007 te Breda. De zaken met de nummers 06/2887, 06/2886, 06/2885, 06/2897, 06/2898 en 06/2899 zijn gezamenlijk behandeld. Voor het verhandelde ter zitting alsmede een overzicht van de aldaar verschenen personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is woonachtig en werkzaam op het woonwagenkamp Vinkenslag te [woonplaats] (hierna: Vinkenslag). Hij drijft een onderneming bestaande in de handel in (schade)auto’s.

2.2. In mei 2000 is tussen belanghebbende en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten, die luidt als volgt:

“VASTSTELLINGSOVEREENKOMST

ONDERDEEL A.

De ondergetekenden:

Belanghebbende,

[belanghebbende]

[adres]

[postcode] [woonplaats]

fiscaalnummer [0000.00.000]

[adminstratiekantoor] administratienummer [00]

en [adminstratiekantoor], hierbij vertegenwoordigd door:

- [administrateur]

- [administrateur]

hierna in gezamenlijkheid te noemen PARTIJ A

en de Belastingdienst/ ondernemingen [woonplaats]

hierbij vertegenwoordigd door:

- [inspecteur]

- [inspecteur]

- [inspecteur]

hierna te noemen PARTIJ B

Verklaren een vaststellingsovereenkomst te hebben gesloten als

bedoelt in artikel 900 Burgerlijk Wetboek, boek 7, titel 15.

Partijen verklaren hierbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zich jegens

elkaar te binden ter:

voorkoming van geschillen omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt

met betrekking tot de heffing van omzetbelasting en inkomstenbelasting

van de bewoners van "Vinkenslag" over de periode 2000 t/m 2001.

Partijen verklaren hierbij uitdrukkelijk dat zij zich jegens elkaar

aan een vaststelling binden die bestemd is om ook te gelden voorzover

zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.

Inhoud van de overeenkomst en motivering ervan

De laatste overeenkomst die met de ondernemers van Vinkenslag werd gesloten dateert van

24 augustus 1995. Het is de bedoeling de fiscale verplichtingen van bewoners van Vinkenslag te

normaliseren. In het kader van dit groeitraject en omdat uit controle-ervaringen blijkt dat de oude

overeenkomst achterhaald is, wordt een nieuwe overeenkomst gesloten. De bestaande

overeenkomst, waarin geen einddatum genoemd is, wordt door partij B per 1 januari 2000 opgezegd

(is in november 1999 gedaan). Vervolgens sluiten partijen thans een nieuwe overeenkomst, met als

ingangsdatum 1 januari 2000, die voor 2 jaren gaat gelden. Partijen spreken thans de intentie uit om

na deze 2 jaren weer een nieuwe overeenkomst te sluiten, waarin de ervaringen van de jaren 2000

t/m 2001 worden verwerkt.

Nieuw bij deze overeenkomst is o.a. dat er niet slechts één overeenkomst wordt gesloten die

betrekking heeft op alle ondernemers tegelijk, doch dat er per ondernemer een overeenkomst wordt

gesloten. De oude regeling had o.a. als nadeel dat als individuele ondernemers zich niet aan de

regeling hielden, er nauwelijks sanctie mogelijkheden waren. Door de nieuwe overeenkomst per

persoon te sluiten, wordt het mogelijk om de overeenkomst van diegenen die zich niet aan de

afspraken houden, op te zeggen.

Afdracht inkomstenbelasting

Partijen komen overeen de afdracht van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (verder

aangeduid als "inkomstenbelasting") te koppelen aan de gerealiseerde omzet.

Uit theoretische berekeningen met betrekking tot de verschuldigde inkomstenbelasting blijkt dat er te

weinig inkomstenbelasting betaald wordt. Dit geldt met name voor de belastingplichtigen die meer danf 2.500.000 aan omzet hebben. De te weinig betaalde inkomstenbelasting wordt slechts gedeeltelijk

gecompenseerd door de heffing van 3% (omzetbelasting) over de winst en het ontbreken van het

recht op aftrek van voorbelasting (voor de omzetbelasting).

In de oude regeling was het verschil in te betalen inkomstenbelasting bij een omzet van meer of

minder dan f 2.500.000 te groot (van f 5.000 naar f 10.000). Verder werd door met name de kleinere

ondernemers de stap tussen de eerste categorieën als te groot ervaren (van f 1.000 naar f 2.500).

Om de hiervoor gesignaleerde problemen op te lossen en tot een evenwichtigere verdeling te komen

is besloten om voortaan uit te gaan van de volgende categorieën. Het maximum te betalen bedrag

aan inkomstenbelasting bedraagt daarbij (in deze contractsperiode) f 15.000,- per jaar.

Deze nieuwe categorieën gelden met ingang van de inkomstenbelasting over 2000.

omzet < 500.000 f 1.000 inkomstenbelasting

omzet > 500.000 < 750.000 f 1.750 inkomstenbelasting

omzet > 750.000 < 1.000.000 f 2.500 inkomstenbelasting

omzet > 1.000.000 < 1.500.000 f 5.000 inkomstenbelasting

omzet > 1.500.000 < 2.000.000 f 7.500 inkomstenbelasting

omzet > 2.000.000 < 2.500.000 f 10.000 inkomstenbelasting

omzet > 2.500.000 < 3.000.000 f 12.500 inkomstenbelasting

omzet > 3.000.000 f 15.000 inkomstenbelasting

In 1995 werd afgesproken dat er per jaar geen grotere stijging zal optreden dan één categorie.

Gezien de rechtsgelijkheid met andere belastingplichtigen waarbij een dergelijke bepaling niet bestaat

en het feit dat de overstap tussen de verschillende categorieën niet zo groot is vervalt deze afspraak.

Heffingskorting

In het nieuwe belastingplan 2001 is het de bedoeling om aan degenen die geen eigen inkomen

hebben de zogenaamde heffingskorting uit te betalen. Globaal komt het er op neer dat een zelfde

bedrag meer betaald gaat worden door de werkende partner. Partijen komen overeen dat de

heffingskorting van de partner verrekend wordt met de te betalen belasting van partij A.

Per saldo wordt de heffing dan weer beperkt tot de hiervoor genoemde bedragen.

Bruto winst

Over 1998 werden de brutowinst en het brutowinstpercentage berekent van alle ondernemers op

Vinkenslag. Enerzijds kwam hierbij naar voren dat het gemiddelde brutowinst percentage ongeveer

7,5% bedroeg. Anderzijds bleek dat 16 ondernemers een dusdanige lage brutowinst hadden

gerealiseerd dat, indien deze brutowinst verminderd zou worden met de kosten, er een netto bedrag

overbleef dat niet voldoende was om de eerste levensbehoeften te betalen.

Partijen spreken af dat: met betrekking tot ondernemers die een lagere brutowinst dan f 30.000 op

jaarbasis hebben gerealiseerd, de brutowinst voortaan (fictief) verhoogd wordt tot f 30.000. Daarnaast

mag het brutowinstpercentage niet te veel afwijken van het gemiddelde brutowinstpercentage van de

(alle) ondernemers op Vinkenslag, Voorbeeld: bij een inkoopwaarde van f 1.500.000 hoort globaal

een brutowinst van (1.500.000 x 7,5% =) f 112.500 en niet het eerder genoemde minimum bedrag van

f 30.000.

Verschuldigde omzetbelasting

Partijen spreken af dat de over de omzet verschuldigde omzetbelasting wordt aangegeven (en

afgedragen) volgens de bestaande (wettelijke) regels.

Daarnaast blijft de zogenaamde 3% afspraak in stand. Deze afspraak houdt in dat er 3%

omzetbelasting wordt aangegeven (en afgedragen) over de gerealiseerde brutowinst. Deze heffing

dient gezien te worden als een compensatie voor te weinig geheven inkomstenbelasting.

Voorbelasting op investeringen

De belastingplichtigen hadden (volgens het oude convenant) geen recht op aftrek van voorbelasting

die betrekking had op investeringen, met uitzondering van investeringen in duurzame

bedrijfsmiddelen (in vrachtauto's panden e.d.) van boven de f 60.000. De terug te ontvangen OB werd

vervolgens in 3 jaar verrekend, kon niet tot een teruggave leiden en er mocht slechts 1x per 4 jaar

gebruik van deze regeling worden gemaakt. De regeling blijkt in praktijk te ingewikkeld te zijn en veel

tijd te kosten.

Voor de nieuwe contractsperiode komen partijen overeen:

1. dat partij A recht heeft op aftrek van voorbelasting m.b.t. investeringen in duurzame

bedrijfsmiddelen:

- boven de f 50.000 (exclusief omzetbelasting) in bijvoorbeeld vrachtauto's e.d.

- in (terrein) auto's met grijs kenteken met een leeg gewicht van meer dan 1750 kg, die als bedrijfsauto (als "trekauto" voor het vervoer van de handelsvoorraad) worden gebruikt. Bij deze categorie geldt het recht op vooraftrek voor maximaal 1 van dit soort auto's per ondernemer per jaar. Verder geldt deze categorie niet voor ondernemers die al beschikken over een vrachtauto en dienen de (terrein) auto's voorzien te zijn van een trekhaak (e.e.a. om misbruik van de regeling te voorkomen).

- waarvan de investering kan worden aangetoond met behulp van een originele factuur, die voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 35 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (hierna wet O.B.) en (voor -vracht- auto's) een kopie van kentekenbewijs deel 1 en 2,

- waarvan de teruggave wordt geclaimd in het jaar van investeren.

2. De 4 jaars termijn vervalt.

3. Bij verkoop van dit soort investeringen is omzetbelasting verschuldigd over de verkoopprijs.

4. Tijdens de voorlichtingssessies is ter sprake gekomen of er ook recht op vooraftrek zou kunnen

ontstaan voor ondernemers die bedrijfsmatig gebruik maken van personenauto (geel kenteken).

Gezien het gegeven dat er nog geen afdoende administraties worden gevoerd op dit punt en dat er op

dit punt eveneens geen belasting wordt geheven volgens de wettelijke regelingen, ontstaat er bij

investeringen in dit soort bedrijfsmiddelen geen recht op vooraftrek. Vanaf het moment dat partij A

overgaat tot het voeren van een volledige administratie en aangifte (omzet- en inkomstenbelasting)

gaat doen volgens de wettelijke regelingen ontstaat het recht op vooraftrek bij dit soort investeringen

wel. Volledigheidshalve spreken partijen af dat er geen terugwerkende kracht wordt verleend in deze

situatie.

Voorbelasting op inkopen (van handelsgoederen)

Met betrekking tot de voorbelasting op inkopen hebben zich in 1999 een aantal problemen

voorgedaan. Het ging daarbij met name om inkoopfacturen van leveranciers (ondernemers buiten

Vinkenslag), waarbij uit nader onderzoek bleek dat de leverancier niet (meer) voldeed aan zijn fiscale

verplichtingen (failliet, detentie, met de noorderzon vertrokken e.d.).

Volgens de koper was hij niet op de hoogte van het feit dat de leverancier niet meer geregistreerd

was als ondernemer bij de Belastingdienst.

Wettelijk gezien is de leverancier de gefactureerde omzetbelasting verschuldigd o.g.v. artikel 37 Wet

O.B.; echter in bovengenoemde gevallen blijkt het niet mogelijk de verschuldigde belasting daar te

innen. Om problemen te voorkomen spreken partijen af dat bij bedragen van f 5.000 of meer aan

voorbelasting (per inkoop) Partij A zelf of via[adminstratiekantoor] contact opneemt met de belastingdienst (in

casu team 2 Belastingdienst/Ondernemingen [woonplaats], tel.nr. bekend bij [adminstratiekantoor]), om te

controleren of de leverancier een fiscaal erkende ondernemer is (vergelijkbaar met opvragen i.c.t.

nummers). Deze controle zal dan door partij B schriftelijk bevestigd worden. Voor inkopen bij reguliere

(bekende) bedrijven (bijvoorbeeld vrachtauto bij [woonplaats] - dealer), hoeft geen contact

met de belastingdienst te worden opgenomen.

Zonder deze bevestiging en het overleggen van de originele inkoopfactuur zal geen recht op aftrek

van voorbelasting worden verleend. Indien nodig zal partij B een onderzoek instellen of de leverancier

de verschuldigde omzetbelasting heeft aangegeven (en afgedragen).

Voorbelasting op kosten

Naar aanleiding van vragen (met name van de zijde van de slopers) tijdens de voorlichtingssessies

spreken partijen af dat recht bestaat op aftrek van voorbelasting op kosten (gas, brandstof shredder

e.d.). Uit praktische overwegingen is hier aansluiting gezocht bij de bedragen die gelden bij de

investeringen (zoals hiervoor opgenomen); d.w.z. dat voorbelasting op kosten in aftrek komt indien de

kosten aantoonbaar meer dan f 50.000 (excl. O.B.) hebben bedragen (op jaarbasis).

Heffingsrente

Tot nu toe wordt de verschuldigde heffingsrente op naheffingsaanslagen omzetbelasting en

aanslagen inkomstenbelasting niet betaald. Dit naar aanleiding van een mondelinge afspraak tijdens

het overleg van 10 mei 1995.

Gezien de rechtsgelijkheid met overige belastingplichtigen spreken partijen thans af dat de

heffingsrente voldaan wordt volgens de wettelijke regeling.

Niet betalen IB/OB

Een aantal ondernemers betaalt de verschuldigde IB en/of OB niet.

De verschuldigde bedragen staan (meestal) niet ter discussie.

Tot nu toe stond er geen sanctie op het niet betalen van de verschuldigde belasting. Partijen spreken

thans het volgende af: als er niet binnen 2 maanden nadat de aanslag is opgelegd betaald wordt, dan

verstuurt partij B een schriftelijke aanmaning.

Als partij A naar aanleiding van deze aanmaning niet betaalt, dan trekt partij B het omzetbelasting

nummer van partij A in. Partij A wordt dan fiscaal niet meer als ondernemer aangemerkt (daardoor

o.a. geen l.C.T. meer mogelijk met dat O.B. nummer). Dit kan worden doorgegeven aan andere

overheidsinstanties, zoals gemeente en provincie (en heeft dus mogelijk gevolgen voor het

ondernemerschap).

Indien partij A zijn omzetbelastingnummer laat gebruiken door andere ondernemers (bijv. door iemand wiens O.B. nummer is ingetrokken), dan wordt deze omzet aan partij A toegerekend (en heeft dus mogelijk gevolgen voor de heffing van I.B. en O.B.). Indien nodig zal partij B naheffings- danwel

navorderingsaanslagen opleggen.

Uitbreiden administratieve verplichtingen

Om een beter inzicht te krijgen omtrent de juistheid van de geheven inkomsten- en omzetbelasting

spreken partijen af om de administratieve verplichtingen per 1 januari 2001 uit te breiden.

Vanaf 1 januari 2001 dienen alle kostenbonnen zoals houderschapsbelasting,

bedrijfswagenverzekering, brandstof, onderhoud bedrijfswagen, drukwerk etc. bewaard te worden.

Aan de uitkomst zullen vooralsnog geen fiscale consequenties worden verbonden.

Vermogensbelasting

Tot nu toe werd geen vermogensbelasting geheven terwijl er mogelijk wel vermogensbelasting

verschuldigd is. Partijen spreken thans af dat Partij A een opgave zal doen van zijn vermogen.

Aan de hand van deze opgave stelt partij B vast of vermogensbelasting verschuldigd is.

Partij B zal daarbij geen onderzoek instellen naar de herkomst van dit vermogen.

Verlies transacties

Bij de maandelijkse controles wordt in toenemende mate geconstateerd dat op de auto's die aan

handelaren en particulieren uit de voormalige Oostbloklanden worden verkocht verlies wordt geleden.

In veel gevallen gaat het om auto's die pas een paar dagen in de voorraad zijn opgenomen.

In deze gevallen wordt de verkoopprijs van boven de DM 10.000 verlaagd tot DM 10.000 of lager,

omdat dan een Euro 2 document kan worden afgegeven, waardoor minder of geen invoerrecht hoeft

te worden betaald in het voormalige Oostblokland.

Ook komt het voor dat met aanbetalingkwitanties wordt gewerkt. Op de verkoopfactuur wordt een

bedrag vermeld beneden de DM 10.000 het restbedrag wordt vermeld als aanbetaling op de

aanbetalingkwitanties.

Partijen spreken thans af dat deze verliestransacties fiscaal niet worden geaccepteerd (door partij B)

en gecorrigeerd worden tijdens de maandelijkse controles (zoals thans ook al gebeurt). Daarbij neemt

partij B aan dat voorgenoemde auto's die binnen 1 maand verkocht worden tenminste f 555,- (DM

500,-) winst opleveren, terwijl transacties met auto's die langer staan individueel beoordeeld worden

door partij B.

WAZ aanslagen

Partijen spreken af dat als partij A een WAZ aanslag ontvangt volgens de wettelijke regeling.

Dit bedrag is niet apart verschuldigd, daar de WAZ premie reeds begrepen is in de te betalen

inkomstenbelasting en de eerder genoemde 3% heffing.

Verklaringen omtrent het inkomen

Regelmatig worden er verklaringen gevraagd omtrent het (voor de inkomstenbelasting genoten)

inkomen. Deze inkomensverklaringen dienen meestal voor het aanvragen van een hypotheek, een

uitkering, huursubsidie of rechtsbijstand. Afhankelijk van het doel wordt er gevraagd om een zo hoog

of een zo laag mogelijke verklaring. De belastingdienst kon echter niet meer doen dan een

inkomensverklaring afgeven die overeenkomt met de inkomens zoals die zijn vastgesteld (rekening

houdend met indeling op basis van omzet). Hier brengt het door de ondernemers van Vinkenslag

gekozen systeem het nadeel met zich mee dat het inkomen niet exact kan worden vastgesteld zodat

alleen een verklaring kan worden afgegeven zoals het inkomen door de Belastingdienst werd

vastgesteld. Mogelijk kan dit probleem in de toekomst worden opgelost als er wordt overgegaan tot

het voeren van bedrijfsadministraties en het doen van aangifte volgens de wettelijke regelingen.

Partijen spreken thans af dat indien partij A een inkomensverklaring vraagt aan partij B (om welke

reden dan ook), partij B deze verklaring over het inkomen afgeeft. Partij B zal het inkomen vermelden

zoals het is vastgesteld, met inachtneming met deze overeenkomst.

Het houdt in concreto in dat de inkomens voor de inkomstenbelasting door partij B fictief worden

vastgesteld aan de hand van de geboekte omzet (eventueel rekening houdend met

zelfstandigenaftrek).

Partij A kan slechts een verklaring over het werkelijk genoten inkomen afdwingen, door over te gaan

tot het voeren van een volledige administratie en het doen van aangiften I.B. en O.B. conform de

wettelijke regelingen dienaangaande. Deze verklaring wordt slechts afgegeven voor jaren waarover

een volledige administratie is gevoerd.

Criminele activiteiten

Partijen spreken af dat indien partij A door justitie wordt veroordeeld wegens handel in gestolen

goederen, auto's, verdovende middelen, carrouselfraude e.d., partij B deze overeenkomst met

terugwerkende kracht, tot het tijdstip dat hij met die activiteiten is gestart, zal opzeggen. Vanaf dat

tijdstip wordt belasting geheven volgens de wettelijke regelingen.

Afsluiten overeenkomst

Partij B zal deze overeenkomst slechts afsluiten met indien partij A geen openstaande

belastingschulden meer heeft (Inkomstenbelasting, Omzetbelasting en Houderschapsbelasting).

Ontbinden overeenkomst

Partij A kan deze overeenkomst ontbinden indien hij overgaat tot het voeren van een volledige

administratie en het doen van aangiften I.B. / O.B. op basis daarvan.

ONDERDEEL B.

Partijen verklaren voorts in het kader van deze vaststellingsovereenkomst nog het volgende te zijn overeengekomen:

Deze overeenkomst geldt van 01-01-2000 tot en met 31-12-2001.

Partij A erkent en bevestigt door middel van ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst dat deze overeenkomst op geen enkele wijze door bedreiging, bedrog of door misbruik van omstandigheden, danwel door onrechtmatig handelen van de Belastingdienst tot stand is

gekomen.

Partij A stemt er uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud mee in dat de uit hoofde van deze overeenkomst vastgestelde te betalen bedragen op geen enkele wijze ten laste van enig belastbaar bedrag voor de vennootschapsbelasting danwel enig inkomen voor de inkomstenbelasting /premieheffing volksverzekering kunnen worden gebracht.

Voor zover deze vaststellingsovereenkomst in enig jaar resulteert in de constatering van een verlies of een negatieve marge zal geen verrekening van dit verlies /marge kunnen plaatsvinden met inkomens/

marges in jaren ná die waarop deze vaststellingsovereenkomst ziet.

De jaren waarop deze vaststellingsovereenkomst betrekking heeft zullen op geen enkele manier in een middeling en/of uitsmering kunnen worden betrokken.

Partij A doet ter zake van de in deze overeenkomst geregelde onderwerpen uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud afstand van het recht op bezwaar en het recht op beroep op de (belasting)rechter.

Ingeval partij A zich om welke reden dan ook niet (geheel) aan het hierbij overeengekomene houdt, heeft partij B de bevoegdheid ter zake van de in deze vaststellingsovereenkomst geregelde onderwerpen een van deze overeenkomst afwijkend standpunt in te nemen en daartoe zo nodig navorderingsaanslagen/ naheffingsaanslagen op te leggen, voor welke situatie partij A thans reeds afstand doet van het recht zich te beroepen op het verstrijken van de navorderings-en naheffingtermijnen van de artikelen 16 en 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen alsmede, voor zover het de aanslagbelastingen betreft, afstand doet van het recht zich op het ontbreken van een nieuw feit te beroepen.

ONDERDEEL C

Verder verklaren partijen het volgende;

Partij A erkent en bevestigt door middel van ondertekening dat de door de Belastingdienst in deze overeenkomst ingenomen standpunten enkel en alleen gelden binnen het specifieke kader van deze overeenkomst: dit betekent dat van gebondenheid van de Belastingdienst aan de hier ingenomen standpunten buiten het kader van deze overeenkomst of na ommekomst van deze overeenkomst (voor zover deze betrekking heeft op toekomstige jaren) geen sprake is.

Partij A verklaart dat haar een redelijke termijn is geboden voor beraad over deze overeenkomst.

ONDERDEEL D.

Ondertekening

[woonplaats], 16 mei 2000”

2.3. De belastingdienst heeft met 141 Vinkenslag-ondernemers soortgelijke individuele vaststellingsovereenkomsten gesloten. Deze vaststellingsovereenkomsten waren een vervolg op eerdere, collectieve afspraken die dateren uit het begin van de jaren 90.

2.4. Op 22 november 2002 heeft de inspecteur, tijdens een bijeenkomst in het belastingkantoor te [woonplaats], aan de Stichting Bevordering Bedrijfsvoering Woonwagenbewoners (hierna: SBBW) medegedeeld dat “het ondersteuningstraject” ten behoeve van ondernemers op Vinkenslag ingaande 2003 zou eindigen. In een schrijven van 16 december 2002 heeft de inspecteur, in aansluiting op de bijeenkomst van 22 november aan de SBBW medegedeeld dat alle betrokken ondernemers daarover zouden worden geïnformeerd. In een schrijven van 23 januari 2003 heeft SBBW aan de inspecteur bevestigd dat het proces om de overeenkomst te beëindigen, op initiatief van het Ministerie, per onmiddellijke ingang zou worden stopgezet en tevens dat per 17 februari 2003, ter zake van de Vinkenslag problematiek een overleg zou plaatsvinden tussen de Gemeente [woonplaats], het Bestuur van de Belastingdienst Limburg en het Ministerie. In een “kernpuntenverslag” van een bespreking tussen een afvaardiging van de ondernemers van Vinkenslag, SBBW en de belastingdienst op 30 oktober 2003, is opgetekend dat de ondernemers ondanks de opzegging van de regeling per 1 januari 2003 aangifte zijn blijven doen volgens het oude systeem; aan het slot van dat verslag heeft de inspecteur schriftelijk bevestigd op grond van opgewekt vertrouwen akkoord te gaan met het door de ondernemers alsnog gehanteerde (oude) systeem.

2.5. In maart 2004 heeft de staatssecretaris van Financiën (de staatssecretaris) op vragen van het Tweede Kamerlid Dezentjé-Hamming onder meer het volgende medegedeeld (DGB 2004/1178, VN 2004/15.4):

“1. Wie waren betrokken bij het maken van afspraken over een speciaal fiscaal regime in de jaren 1993-2003? Hoe heeft deze afspraak 10 jaar lang stand kunnen houden? Welke fiscale afspraken golden vóór 1993?

2. Wie en tot op welk niveau waren wel op de hoogte van de fiscale afspraken?

Antwoord van de Staatssecretaris van Financiën op de vragen 1 en 2

Bij het maken van de afspraken met de bewoners van Vinkenslag waren achtereenvolgende medewerkers en teamleiders van de toenmalige eenheid Belastingdienst/Ondernemingen [woonplaats] betrokken. Over de aanpak vond frequent overleg plaats met het hoofd en plaatsvervangend hoofd van de eenheid. Ook de toenmalige directie Ondernemingen Zuid was van de gekozen aanpak op de hoogte. Dit blijkt uit het feit dat deze onderwerp van gesprek is geweest tijdens een DGM-overleg van deze directie. De directie Ondernemingen Zuid was binnen de Belastingdienst de bestuurlijke eenheid waaronder de in het zuiden van Nederland ressorterende eenheden Ondernemingen ressorteerden.

De afspraken werden gemaakt in de overtuiging dat alleen een stapsgewijze benadering er uiteindelijk toe zou kunnen leiden dat de belastingplichtigen op Vinkenslag aan hun fiscale verplichtingen zouden gaan voldoen. De gekozen aanpak leidde er toe dat de ondernemers op Vinkenslag een begin maakten met administratieve vastleggingen en deze ook beschikbaar stelden voor controles door de Belastingdienst. De belastingafdrachten stegen in de loop van de jaren aanzienlijk; in de eerste helft van 1992 werd een bedrag van f 9338 aan omzetbelasting afgedragen, in 2001 was dat opgelopen tot f 1 012 863. In 1994 werd een bedrag van f 101 651 inkomstenbelasting geïnd. In 2000 werden voor een bedrag van f 355 225 aanslagen inkomstenbelasting opgelegd. De toenemende geldopbrengst bevorderde het continueren en verlengen van de gemaakte afspraken, laatstelijk in 2000 door middel van een vaststellingsovereenkomst.

In het voorjaar van 2002 is een plan van aanpak opgesteld om te komen tot beëindiging van de afspraken en per 1 januari 2003 een normale toepassing van de regels op Vinkenslag te bewerkstelligen. De opzet daarbij was de tot dat moment bereikte resultaten vast te houden. Met het oog daarop is door de Belastingdienst/Ondernemingen [woonplaats] besloten de afspraken voor 2002 nog stilzwijgend te verlengen. De overeenkomst is per 1 januari 2003 opgezegd. Omdat de communicatie daarover achteraf niet helder bleek, zijn de afspraken als uitvloeisel van het vertrouwensbeginsel uiteindelijk ook nog voor 2003 toegepast. De feitelijke opzegging van de afspraken heeft dan ook plaatsgevonden per 1 januari 2004.

Er zijn geen stukken meer aangetroffen waaruit zou kunnen blijken op welke wijze de fiscale behandeling van de bewoners van Vinkenslag vóór 1993 plaatsvond.

Ik heb de Directeur-Generaal Belastingdienst opdracht gegeven onderzoek te doen naar de gang van zaken rond Vinkenslag en zonodig tegen de betrokken medewerkers disciplinaire maatregelen te nemen. Op grond van mijn en haar bevoegdheden in dezen kan ik over dat traject geen verdere mededelingen doen.

Vraag 3 van het Tweede-Kamerlid Dezentjé-Hamming

3. Bestaat er een apart fiscaal beleid voor woonwagenkampbewoners of soortgelijke ondernemers? Zo ja, wat houdt dit beleid in? Zo nee, wordt er wel belasting betaald en wordt hier ingevorderd?

Antwoord van de Staatssecretaris van Financiën op vraag 3

Tot 1997 bestond er geen landelijk gecoördineerde fiscale aanpak van woonwagencentra. Wel is in 1983 een algemene interne instructie verschenen op grond waarvan belastingplichtigen van wie over een periode van twee jaar vorderingen oninbaar waren geleden of kwijtgescholden (zgn. kwade posten) werden gesignaleerd, zodat de inspecteur kon onderzoeken hoe de verdere behandeling van deze belastingplichtigen zou moeten plaatsvinden. Dit kon ertoe leiden dat besloten werd de betrokken belastingplichtige niet langer in de heffing te betrekken, bijvoorbeeld omdat een ondernemer was gefailleerd. In de praktijk zal het ook voorgekomen zijn dat bewoners van woonwagencentra na opneming op een signaallijst als belastingplichtige zijn afgevoerd. Voor zover kan worden nagegaan worden de signaallijsten op de eenheden niet of nauwelijks meer gebruikt. Ik heb besloten de interne instructie met onmiddellijke ingang in te trekken.

Met ingang van 1997 is binnen de Belastingdienst beleid geformuleerd rond wat wel overheidsvrijplaatsen werden genoemd. Dit beleid kwam voort uit de ervaring van de Belastingdienst dat bepaalde probleemgroepen - zoals bewoners van bepaalde woonwagencentra - een bredere aanpak behoefden dan alleen een fiscale. Het vrijplaatsenbeleid is er op gericht alle betrokken overheden te mobiliseren om tot een gezamenlijke aanpak van vrijplaatsen te komen. De gedachte daarbij is dat de Belastingdienst pas echt succesvol aan de slag kan als de gemeentelijke en politiële overheden de situatie in een bepaalde vrijplaats voldoende onder controle hebben. De Belastingdienst is daarom sinds 1997 actief om met alle betrokken partijen afspraken te maken over de aanpak van specifieke vrijplaatsen. De Belastingdienst brengt partijen bij elkaar. Het voortouw bij de aanpak ligt echter nadrukkelijk niet bij de Belastingdienst, maar bij de andere participanten, waaronder de gemeenten. Onder de paraplu van deze aanpak zijn pilots gestart op zes woonwagencentra. Daarvan lopen er op dit moment nog drie.

Het fiscale vrijplaatsenbeleid wordt binnen de Belastingdienst landelijk gecoördineerd door een gespecialiseerde groep medewerkers. De aanpak voor een aantal aangewezen categorieën vrijplaatsen door de Belastingdienst vindt uitsluitend nog plaats in afstemming met en met toestemming van het landelijke coördinatiepunt. Onder meer zijn ook de behandeling van illegale casino's en de prostitutiebranche onder het landelijke vrijplaatsenbeleid gebracht.

Vragen 4 en 5 van het Tweede-Kamerlid Dezentjé-Hamming

4. Is het waar dat de ondernemers in Vinkenslag ontslagen waren van hun administratie- en bewaarplicht? Welke gevolgen heeft dit voor de aanslagen in de komende jaren?

5. Hoe ondervangt u mogelijke witwaspraktijken als aangifte wordt gedaan over de jaren dat de oude regeling gold, met inachtneming van het bovenstaande?

Antwoord van de Staatssecretaris van Financiën op de vragen 4 en 5

In 1993 zijn als onderdeel van de afspraken met de bewoners van Vinkenslag ook afspraken gemaakt over de administratieve vastleggingen die zij moesten doen. Dit was een basis, waarvan het de bedoeling was daar in de volgende jaren op voort te bouwen. In de jaren daarna bleek dat de gemaakte afspraken redelijk goed werden nageleefd. In 2000 zijn de afspraken over de nakoming van administratieve verplichtingen verder uitgebreid. Dit moest ertoe leiden dat beter inzicht zou ontstaan in de juistheid van de geheven bedragen aan inkomsten- en omzetbelasting. Aan dat betere inzicht zouden voor de duur van deze afspraak (2000 en 2001) geen fiscale consequenties worden verbonden. Eind 2001 bleek niet te zijn voldaan aan de uitgebreidere administratieve verplichtingen.

Met ingang van 1 januari 2004 zijn op Vinkenslag de normale fiscale regels van toepassing. Dit betekent dat de betrokken ondernemers de Belastingdienst inzicht moeten geven in hun totale vermogenspositie (ondernemings- én privé-vermogen) op die datum. Ook moeten zij per die datum een openingsbalans inleveren. Dit is hen bekend. Voor de jaren tot 31 december 2003 behoeven de betrokken ondernemers op grond van de gemaakte afspraken geen aangifte in te dienen.

De Belastingdienst zal de te ontvangen cijferopstellingen per 1 januari 2004 met de beschikbare middelen beoordelen om vast te stellen of het vermogen redelijkerwijs uit de bekende bedrijfsvoering is opgekomen. Mocht blijken dat er sprake is van frauduleus of crimineel gewin, dan zal alsnog tot het opleggen van boetes of strafrechtelijke vervolging worden overgegaan.”

2.6. Bij brief van 3 juni 2004 heeft de staatssecretaris aan de Tweede Kamer een rapportage doen toekomen inzake onderzoeken in de Belastingdienst naar zogeheten contra legemhandelingen en naar de aanpak van vrijplaatsen door de Belastingdienst. Daarin wordt onder meer verwezen naar de Vinkenslag-regeling. De staatssecretaris schreef onder meer:

“Ik vind het bestaan van contra legemhandelingen en van (fiscale) vrijplaatsen niet aanvaardbaar. De verontwaardiging over beide kwesties kan ik dan ook goed begrijpen, temeer omdat het merendeel van de Nederlandse belastingplichtigen de fiscale verplichtingen correct nakomt.”

2.7. In januari 2005 heeft de staatssecretaris geantwoord op vragen van het Tweede Kamerlid Van As. De vragen en antwoorden, onder meer gepubliceerd in VN 2005/9.3, luidden als volgt:

“1. Zijn door de fiscus behalve met De Vinkenslag nog andere overeenkomsten met bewoners van andere woonwagenkampen recentelijk opgezegd?

2. Was in het geval van De Vinkenslag sprake van een overeenkomst voor bepaalde of voor onbepaalde tijd? Kunt u, indien sprake was van een overeenkomst voor bepaalde tijd, aangeven hoelang de bewoners van De Vinkenslag mochten profiteren van de "3%-regeling"?

3. Is het beleid van de Belastingdienst om overeenkomsten - ook die met goedwillende burgers - zonder overgangsregeling eenzijdig op te zeggen?

4. Op grond van welke beleidsregels kunnen overeenkomsten met kwaadwillende belastingplichtigen zonder overgangsregeling worden opgezegd?

Antwoorden van de Staatssecretaris van Financiën

1. 2. 3. 4. In mijn brief van 3 juni 2004 is een overzicht gegeven van door de Belastingdienst gemelde contra legem handelingen. Veelal betreft het daarbij afspraken die de Belastingdienst met een of meer belastingplichtigen heeft gemaakt. Aangezien ik het bestaan van contra legem afspraken niet aanvaardbaar acht, moeten deze worden opgezegd. Daarbij hanteert de Belastingdienst de volgende lijn:

- sommige afspraken zijn zo zeer in strijd met de wet dat ook de openbare orde of de goede zeden daarmee zijn geschonden. Zulke afspraken zijn nietig. De Belastingdienst beroept zich op de nietigheid van die afspraken. Voor zover aanslagen reeds onherroepelijk vast staan, worden deze niet door de nietigheid van de afspraken aangetast. Voor zover aanslagen nog niet onherroepelijk vaststaan, worden deze conform geldende wet- en regelgeving vastgesteld, alsof de contra legem afspraak niet had bestaan;

- de Belastingdienst zegt ook andere in strijd met de wet gemaakte afspraken op. Daarbij is de Belastingdienst gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit betekent dat bij het opzeggen van afspraken rekening moet worden gehouden met het gerechtvaardigde belang van de belastingplichtige met wie de afspraak is gemaakt. In ieder geval betekent dit dat bij het opzeggen van een afspraak een redelijke termijn in acht moet worden genomen. De lengte van die termijn is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval.

De in beeld gebrachte contra legem afspraken worden alle langs de hiervoor geschetste lijnen beoordeeld en opgezegd. Naar het zich laat aanzien, zal slechts in uitzonderingsgevallen sprake zijn van een afspraak die zich in de categorie "strijd met de openbare orde of de goede zeden" bevindt.

De op grond van artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op mij rustende geheimhoudingsplicht verhindert mij mededelingen te doen over concrete gevallen, waaronder de gang van zaken rond woonwagencentrum Vinkenslag.”

2.8. Belanghebbende heeft zijn aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2003 ingediend in juni 2005. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld volgens de wettelijke normen, derhalve zonder toepassing van de vaststellingsovereenkomst. De op de aanslag verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen beliep € 39.465. Indien wordt uitgegaan van de vaststellingsovereenkomst zou de aanslag € 6.806 belopen.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de aanslag moet worden berekend met toepassing van de vaststellingsovereenkomst. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een te betalen bedrag van € 6.806.

3.4. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank leidt uit de onder 2.4. vermelde feiten af dat de vertegenwoordigers van de ondernemers op Vinkenslag reeds begin 2003 meenden dat de overeenkomst voor het jaar 2003 zou worden verlengd, en dat de inspecteur tijdens of kort na de bespreking van 30 oktober 2003 aan hen heeft laten weten dat de vaststellingsovereenkomst ook voor het jaar 2003 zou gelden. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende hieraan het in rechte te honoreren vertrouwen ontleent dat de opzegging van 22 november 2002 ongedaan is gemaakt en dat de vaststellingsovereenkomst ook gold voor het jaar 2003.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de vaststellingsovereenkomst een vaststellingsovereenkomst is als bedoeld in artikel 7:900 BW. De rechtbank acht dat uitgangspunt juist. Belanghebbende, ondernemer voor de inkomstenbelasting, en de inspecteur hebben zich, naar uit de overeenkomst blijkt, jegens elkaar verbonden tot een vaststelling van de over de winst uit de onderneming van belanghebbende verschuldigde belastingen en premies, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil. Op grond van het bepaalde in artikel 7:902 BW is een vaststelling ter beëindiging van onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk gebied ook geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde.

4.3. De vaststellingsovereenkomst houdt, kort gezegd, in dat belanghebbende een forfaitair bepaald bedrag aan inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen dat afhankelijk is van de omzet verschuldigd is, plus 3% meer omzetbelasting dan geldt bij toepassing van het wettelijke omzetbelastingtarief, dat voorts de verschuldigde omzetbelasting wordt aangegeven volgens de wettelijke regels, waarbij de aftrek van voorbelasting wordt beperkt, alsmede dat de premie ingevolge de Wet Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (WAZ) in de aldus verschuldigde bedragen is verdisconteerd. Tussen partijen is klaarblijkelijk niet in geschil, en de rechtbank sluit zich daarbij aan, dat het bedrag van de aldus in 2003 verschuldigde belasting en premies niet overeenstemt met het totaal van de bedragen die verschuldigd zouden zijn bij een juiste toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de omzetbelasting 1968 en de WAZ. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de regeling afwijkt van het wettelijk systeem. De vaststellingsovereenkomst is in zoverre derhalve in strijd met bepalingen van dwingend recht.

4.4. De inspecteur is, naar uit de stukken blijkt, vanaf 1993 vaststellingsovereenkomsten aangegaan met (het collectief van) Vinkenslagondernemers omdat er, gezien de gebrekkige of afwezige administratie, onzekerheid bestond over de aan belasting en premies verschuldigde bedragen. Uit de door de staatssecretaris gegeven antwoorden op kamervragen, vermeld in 2.6., blijkt dat deze afspraken werden gemaakt in het kader van een traject om de administraties en aangiften van de inwoners van Vinkenslag die tevens ondernemer waren, op orde te krijgen. De rechtbank leidt hieruit af dat de inspecteur in 1993 blijkbaar als uitgangspunt had dat van de bewoners van Vinkenslag gezien hun bijzondere achtergrond en, naar de rechtbank aannemelijk acht, gebrekkige opleiding, niet kon worden verwacht dat zij de wettelijke verplichtingen op dit punt nakwamen.

4.5. In de overwegingen in de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd dat er in 2000 bewust, in plaats van één collectieve overeenkomst, afzonderlijke vaststellingsovereenkomsten zijn gesloten met de individuele ondernemers op Vinkenslag. Uit de overwegingen bij de vaststellingsovereenkomst blijkt tevens dat daarbij op basis van theoretische berekeningen is benaderd welke bedragen aan belasting verschuldigd zouden zijn bij diverse omzetcategorieën en dat is overeengekomen dat die bedragen zouden worden geheven via een forfaitair bedrag aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen plus een opslag van 3% op de omzetbelasting. De rechtbank leidt hieruit af dat het in 2000 blijkbaar de bedoeling was van partijen dat het op basis van de vaststellingsovereenkomst verschuldigde bedrag aan belastingen en premies, als geheel genomen, de wettelijk verschuldigde belasting en premies zoveel mogelijk zou benaderen.

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank moet de vraag of de overeenkomst in strijd komt met de goede zeden of openbare orde worden beoordeeld naar de situatie en de kennis die bestonden op het tijdstip dat de overeenkomst werd gesloten, in het onderhavige geval derhalve naar de situatie en kennis van mei 2000. Dat wordt niet anders doordat de overeenkomst, die gold tot en met 31 december 2001, voor de jaren 2002 en 2003 is verlengd, nu bij die verlenging niet een nieuwe overeenkomst is gesloten en partijen blijkbaar de inhoud en fiscale gevolgen van de overeenkomst niet opnieuw hebben beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank konden partijen bij de verlenging in redelijkheid afzien van een herbeoordeling van de overeenkomst nu tussen hen blijkbaar geen twijfel was over de aanvaardbaarheid van de op grond van de overeenkomst verschuldigde belasting en premies, er zich in 2003 ten opzichte van het jaar 2001 geen wezenlijke fiscale veranderingen hadden voorgedaan en tevens in confesso was dat de overeenkomst nog slechts een korte looptijd had en na 2003 zou worden beëindigd.

4.7. Het gegeven dat de inspecteur achteraf heeft berekend dat belanghebbende door toepassing van de vaststellingsovereenkomst in 2003 veel minder belasting en premies verschuldigd is dan bij een juiste wetstoepassing, is, gezien het onder 4.6. overwogene, voor de beoordeling van de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst als zodanig niet beslissend, nog daargelaten dat de juistheid van die berekening niet vaststaat. Ter zitting is immers komen vast te staan dat de door de inspecteur voor 2003 berekende winst is gebaseerd op de administratie van belanghebbende van 2004 omdat belanghebbende over het jaar 2003 niet meer over bonnetjes en andere stukken beschikte.

4.8. De rechtbank is van oordeel dat van deze vaststellingsovereenkomst die, zoals uit het onder 4.5. overwogene volgt, over het geheel bezien de strekking heeft om op een relatief eenvoudige en goed controleerbare wijze te komen tot een benadering van de verschuldigde belasting en premies zoals die bij een juiste wetstoepassing verschuldigd zouden zijn, mede gezien de blijkbaar reeds in 1993 erkende bijzondere situatie van de inwoners van Vinkenslag, niet kan worden gezegd dat deze zozeer in strijd is met hetgeen de wet – over het geheel bezien – bepaalt met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting, premieheffing volksverzekeringen, omzetbelasting en premie WAZ dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de inhoud of de strekking van de overeenkomst in strijd is met de goede zeden of de openbare orde. De inspecteur is derhalve aan de vaststellingsovereenkomst gebonden.

4.9. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, conform de conclusie van belanghebbende, € 6.806 beloopt.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de samenhangende zaken 06/2887, 06/2886, 06/2885, 06/2897, 06/2898 en 06/2899 vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1, en met toepassing van een factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken) waarvan 1/6e deel of € 161 in deze zaak.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een te betalen bedrag van € 6.806;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 161 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2007 door mr. W. Brouwer, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.