Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA8403

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/4335
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum 30%-bewijsregel.

De belastingdienst heeft in december 2005 het beleid t.a.v. toepassing van de 30%-bewijsregel voor profvoetballers versoepeld. Een voetballer die onder het nieuwe beleid wel (en onder het oude beleid niet) recht had op toepassing van de regel, diende een verzoek in in december 2005. Hij was op 1 juli 2005 gaan spelen bij een Nederlandse club. De rechtbank oordeelt dat de beleidswijziging van de belastingdienst geen reden is om de bewijsregel met terugwerkende kracht tot 1 juli 2005 toe te passen. De bewijsregel gold m.i.v. 1 januari 2006, conform artikel 9h, 2e lid, Uitvoeringsbesluit loonbelasting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/2.4 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4335

Uitspraakdatum: 7 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Polen), eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende bij beschikking van 23 maart 2006 medegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 2006 in aanmerking komt voor toepassing van Hoofdstuk 3, vrije vergoedingen en verstrekkingen extraterritoriale werknemers, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (de 30%-bewijsregel).

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 juli 2006 de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 28 augustus 2006, ontvangen bij de rechtbank op 29 augustus 2006, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38. Het beroepschrift is aangevuld bij brieven van 25 september 2006 en 16 oktober 2006.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is beroepsvoetballer. Hij is in 1997 vanuit het buitenland aangetrokken door [De Graafschap]. Per 1 juli 1999 is hij in dienst getreden bij [club]. Voor beide tewerkstellingen is toepassing van de toenmalige 35%-regeling aangevraagd en verkregen. Na afloop van het seizoen 2002-2003 is belanghebbende voor [club 1] gaan spelen. Per 1 augustus 2004 is belanghebbende door [club 2] gecontracteerd. Per 1 juli 2005 is belanghebbende gecontracteerd door [club 4].

2.2. In oktober 2004 hebben belanghebbende en [club 2] gevraagd om toepassing van de 30%-bewijsregel. In december 2005 hebben belanghebbende en [club 4] gevraagd om toepassing van de 30%-bewijsregel. Op beide verzoeken is met dagtekening 23 maart 2006 positief beslist, en wel voor de dienstbetrekking bij [club 2] met ingang van 1 augustus 2004 en voor die bij [club 4] met ingang van 1 januari 2006.

2.3. Tot in het jaar 2005 was het beleid van de inspecteur om toepassing van de 30%-bewijsregel te weigeren voor voetballers die niet voldeden aan bepaalde inkomenscriteria. Op grond van dat beleid kwam belanghebbende niet in aanmerking voor toepassing van de regeling. Ultimo 2005 is in een convenant tussen de belastingdienst en de KNVB overeengekomen dat de criteria voor toepassing van de 30%-bewijsregel zouden worden verruimd. Volgens de nieuwe criteria kwam belanghebbende wel in aanmerking voor toepassing van de regeling.

3. Geschil

3.1. In geschil is met ingang van welke datum de 30%-bewijsregel van toepassing is. Belanghebbende stelt de ingangsdatum op 1 juli 2005, de inspecteur op 1 januari 2006.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikking in dier voege dat de ingangsdatum wordt gesteld op 1 juli 2005. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De 30%-bewijsregel is vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit Loonbelasting (het Besluit). De voor dit geding van belang zijnde bepalingen luiden als volgt:

Art. 9. 1. Vergoedingen en verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers van kosten, respectievelijk ter voorkoming van kosten van verblijf buiten het land van herkomst worden, ten aanzien van ingekomen werknemers op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de inhoudingsplichtige, in elk geval beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot (bewijsregel):

a. 30% van de grondslag, waarbij de grondslag is de som van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst voorzover de ingekomen of uitgezonden werknemer ter zake geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting, en de vergoeding voor extraterritoriale kosten;

Art. 9c. 1. Indien een ingekomen werknemer tijdens de looptijd een andere inhoudingsplichtige krijgt, blijft op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige de bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing, mits de periode tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de aanvang van de tewerkstelling door de nieuwe inhoudingsplichtige niet langer is dan drie maanden.

2. Bij een dergelijk verzoek moet door de nieuwe inhoudingsplichtige opnieuw aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer.

Art. 9h. 1. Een verzoek om toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel ten aanzien van een ingekomen werknemer wordt gedaan aan de inspecteur. Deze beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

2. Indien het verzoek is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer door de inhoudingsplichtige, werkt de beschikking terug tot en met de aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer. Indien het verzoek later is gedaan, is de beschikking van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het verzoek is gedaan.

4.2. Vaststaat dat belanghebbende en [club 4] niet binnen 4 maanden na aanvang van de tewerkstelling van belanghebbende hebben verzocht om toepassing van de 30%-bewijsregel. Nu het verzoek is gedaan in december 2005, brengt het bepaalde in artikel 9h van het Besluit mee dat de bewijsregel eerst toepassing vindt met ingang van 1 januari 2006 zoals de beschikking vermeldt en is terugwerkende kracht tot de datum van aanvang van de dienstbetrekking niet mogelijk.

4.3. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van profvoetballers die wel binnen 4 maanden na tewerkstelling een verzoek om (voortzetting van) toepassing van de 30%-bewijsregel hebben gedaan, acht de rechtbank ongegrond. Van gelijke gevallen is immers reeds geen sprake doordat in belanghebbendes geval het verzoek niet, en in de andere gevallen wel binnen de in artikel 9h, tweede lid, van het Besluit vermelde termijn is ingediend. Het gegeven dat belanghebbende het verzoek niet eerder heeft ingediend omdat hij wist dat hij op grond van de toenmalige criteria van de belastingdienst niet voor de regeling in aanmerking zou komen, doet daar niet aan af. De beslissing omtrent het al dan niet van toepassing zijn van de 30%-bewijsregel wordt immers genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking zodat niet de door de inspecteur daarbij toegepaste criteria beslissend zijn maar het oordeel van de rechter daarover. Belanghebbende had een eventuele afwijzende beschikking kunnen voorleggen aan de rechter.

4.4. Datzelfde heeft te gelden ten aanzien van het beroep van belanghebbende op het Besluit van de staatssecretaris van 24 april 2003, nr. CPP2003/642M (VN 2003/23.9). Zoals de inspecteur terecht opmerkt in het verweerschrift, is de situatie van Belgische grensarbeiders die werkzaam zijn in Nederland, die tot 1 januari 2003 niet onderworpen waren aan inhouding van loonbelasting in Nederland en daardoor in veel gevallen niet op de hoogte waren van de mogelijkheid om toepassing van de 30%-bewijsregel te verzoeken, niet op één lijn te stellen met de situatie van belanghebbende die van het bestaan van die regeling wel op

de hoogte was. De rechtbank is van oordeel dat de bijzondere omstandigheden van genoemde grensarbeiders een voldoende objectieve rechtvaardiging vormen voor het besluit van staatssecretaris van financiën om alleen voor deze groep te komen tot een versoepeling van de in artikel 9h, tweede lid, van het Besluit vastgelegde termijnen.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat de beschikking tot toepassing van de 30%-bewijsregel voor de tewerkstelling in [club 2] pas in 2006 is afgegeven, geen reden om toepassing van hetgeen is bepaald in artikel 9h, tweede lid, van het Besluit achterwege te laten.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 7 juni 2007 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr A.A. den Hartog en mr. W. Brouwer, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.