Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA8236

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
996001-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De invoer van 1000 gram cocaïne in Nederland vanuit Uruguay. De cocaïne zou in een pakje met babykleren hebben gezeten.

Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet vastgesteld kan worden dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de handelingen zoals die op de ten laste legging staan vermeld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 352
Opiumwet
Opiumwet 1
Opiumwet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2007/319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 996001-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 juni 2007

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren [in het jaar] 1967 te [in het land] (Colombia),

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

raadsvrouwe mr. C.P. van Dijk, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juni 2007, waarbij de officier van justitie, mr. Huisman, en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1000 gram cocaïne in Nederland heeft ingevoerd dan wel die 1000 gram heeft vervoerd in ieder geval aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

Op 16 januari 2007 komt verdachte vanuit Barcelona per vliegtuig in Nederland aan. Op 17 januari wordt een Nederlandse sim-kaart met het nummer [telefoonnummer] gekocht. Deze kaart wordt bij verdachte in zijn telefoon aangetroffen. Op 19 januari 2007 wordt vanuit Uruguay een pakketje verzonden naar Nederland. Geadresseerde is verdachte. Tevens staat het hiervoor genoemde mobiele nummer vermeld op de bij het pakketje behorende Airwaybill. Op 22 januari wordt bij een fysieke controle door de douane het pakketje gecontroleerd. In het pakketje wordt onder een stapel babykleertjes een verdikking in de bodem van het pakket geconstateerd. De bodem wordt losgetrokken en er wordt een zwart geseald pakketje zichtbaar. Na opening blijkt het pakketje circa 1 kilo cocaïne te bevatten. Besloten wordt het pakketje leeg te halen en een bevel pseudo-dienstverlening ex artikel 126i WvSv te verlenen. Er wordt contact gezocht met de geadresseerde. Afgesproken wordt dat het pakket op 31 januari 2007 bij DHL in Rotterdam kan worden afgehaald. Op 31 januari verschijnt verdachte om het pakket op te halen. Daarna wordt hij gearresteerd.

Verdachte verklaart bij de politie dat hij naar Nederland is gekomen, dat hij niet wist dat er cocaïne in het pakketje zat, dat hij op verzoek van een kennis in Uruguay het pakket heeft opgehaald en dat hij dat zou moeten brengen naar een voor hem onbekende vrouw. Hij zou hiervoor betaald worden.

Aan verdachte is ten laste gelegd het medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne als bedoeld in artikel 1, vierde lid van de Opiumwet. De officier van justitie heeft – hoewel niet noodzakelijk- er voor gekozen in de tenlastelegging “het binnen het grondgebied van Nederland brengen als bedoeld in artikel 1, vierde lid van de Opiumwet” te verfeitelijken. Dit heeft zij gedaan door een beschrijving te geven van de handelingen die ten aanzien van de drugs in Uruguay zijn verricht, kort gezegd het verstoppen van de drugs in een pakket met babykleren en het verzenden van dit pakket naar Nederland.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij deze handelingen. Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte is geweest van die handelingen waardoor wellicht zou kunnen worden vastgesteld dat verdachte die handelingen heeft gepleegd in een nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijk uitvoering.

De handelingen die aan verdachte wel zouden kunnen worden verweten, kort gezegd de afspraak dat het pakketje aan hem zou worden verstuurd, het beschikbaar stellen van zijn telefoonnummer en het afhalen van het pakketje en die in een voorwaardelijke opzetconstructie zouden kunnen leiden tot een bewezenverklaring van de verlengde invoer van cocaïne, staan niet op de tenlastelegging vermeld.

Nu deze handelingen niet op de tenlastelegging staan vermeld kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen van het primair ten laste gelegde feit.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde is de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel dat vaststaat dat op het moment van het afhalen van het pakje door verdachte alle cocaïne uit dit pakje was verwijderd, zodat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het feit dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoer dan wel het aanwezig hebben van de cocaïne. De rechtbank verwijst daarbij naar een uitspraak van de Hoge Raad van 17 maart 1998, NJ 1998, 515. De rechtbank zal hem daarom ook van dit onderdeel vrijspreken.

De rechtbank laat, nu zij tot een volledige vrijspraak is gekomen, de overige verweren van de raadsvrouwe onbesproken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is bij vervroeging gewezen door mr. Sutorius-Van Hees, voorzitter, mr. Janssen en mr. Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van Van Hamme, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 juni 2007.

BIJLAGE

hij op of omstreeks 21 januari 2007, althans in de periode van 01 januari

2007 tot en met 31 januari 2007 te Breda en/of Rotterdam, althans elders in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1000 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte en/of zijn

medeverdachte(n) opzettelijk

- de cocaine in twee in zwart kunststof verpakte pakketten gedaan en/of

- (vervolgens) die pakketten verstopt in de dubbele bodem van een kartonnen

doos en/of

- (vervolgens) die kartonnen doos gevuld met babykleren en/of

- (vervolgens) die doos met de cocaine en de babykleren vanuit Uruguay,

althans vanuit een ander land, (via DHL) naar Nederland opgestuurd;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 21 januari 2007 tot en met 31 januari 2007

te Breda en/of Rotterdam en/of Amsterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 1000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht