Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7902

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
25-06-2007
Zaaknummer
07 / 2165 WWB VV en 07 / 2166 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Benedenverdieping woning is zeer karig ingericht. Onderzoekers hebben daarom de rest van de woning willen bekijken “om zich een beeld te vormen van de woon- en leefomstandigheden en wellicht andere van belang zijnde omstandigheden”. Na weigeren toestemming is WWB-uitkering ingetrokken wegens die weigering.

Voorzieningenrechter ziet geen redelijke grond voor huisbezoek en vernietigt handhaving intrekking.

Geen voorlopige voorziening getroffen omdat gebleken is van hennepkwekerij op zolder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummers: 07 / 2165 WWB VV en 07 / 2166 WWB

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde mr. A.A.J. Soffers,

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat (ISD), gevestigd te Waalwijk, verweerder.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 mei 2007 (bestreden besluit), inzake de intrekking van zijn uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (WWB). Tevens heeft hij op 16 mei 2007 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 juni 2007, waarbij aanwezig waren verzoeker en zijn gemachtigde en namens verweerder [naam persoon] en fraudepreventiemedewerker [naam persoon]. Laatstgenoemde is ter zitting als getuige gehoord.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker ontving van verweerder een WWB-uitkering.

Volgens een rapportage, die op 21 december 2006 is opgemaakt door fraudepreventiemedewerker [naam persoon], is in oktober 2006 anonieme telefonische informatie ontvangen. Volgens die informatie draagt verzoeker regelmatig een jack met het opschrift “Security”. Eveneens in oktober 2006 is, volgens die rapportage, vastgesteld dat verzoeker een internetsite heeft die betrekking heeft op een door hem opgericht beveiligingsbedrijf.

Bij brief van 11 december 2006 is verzoeker uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de ISD op 20 december 2006. Dit in verband met een onderzoek naar de rechtmatigheid en doelmatigheid van zijn WWB-uitkering. Verzoeker heeft op

20 december 2006 telefonisch laten weten dat hij door ziekte niet kon komen. Verzoeker heeft er mee ingestemd dat de fraudepreventiemedewerker en de klantmanager [naam persoon] bij hem langs zouden komen. Verzoeker heeft hen diezelfde ochtend binnengelaten en hij heeft hen te woord gestaan. Hij heeft verklaard dat het beveiligingsbedrijf, dat hij voornemens was op te richten, niet van de grond is gekomen.

De onderzoekers hebben geconstateerd dat de woonkamer karig gemeubileerd was. Zij hebben verzoeker gevraagd de rest van de woning te tonen, zodat een compleet beeld van de woonsituatie verkregen kon worden. Verzoeker heeft daar geen toestemming voor verleend omdat hij dat als een inbreuk op zijn privéleven beschouwde. Ook nadat de onderzoekers verzoeker hebben meegedeeld dat zijn medewerking noodzakelijk was voor de beoordeling van zijn recht op uitkering is hij blijven weigeren zijn woning te laten zien.

In de middag van 20 december 2006 heeft de politie op de zolder van verzoekers woning een hennepkwekerij, in ieder geval overblijfselen daarvan, aangetroffen.

Bij besluit van 20 december 2006 heeft verweerder verzoekers uitkering met ingang van

20 december 2006 ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, onderdeel a, van de WWB, omdat verzoeker niet heeft meegewerkt tijdens het huisbezoek door de ISD-onderzoekers. Hierdoor heeft verzoeker, volgens dat besluit, geen invulling gegeven aan de inlichtingenplicht. Het recht op uitkering is daardoor niet vast te stellen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaar en beroep, de bezwaren van verzoeker hiertegen ongegrond verklaard.

2.2 Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij alle medewerking heeft verleend aan het huisbezoek. Hij heeft alle bescheiden waar om werd gevraagd overgelegd. Het bekijken van de hele woning was niet noodzakelijk. Omtrent tips over een hennepkwekerij was verzoeker niets bekend. Er is geen reden gegeven om de hele woning te bekijken. Die reden werd pas in het bestreden besluit gegeven. Verzoeker is tijdens het huisbezoek niet duidelijk gemaakt welke gevolgen een eventuele weigering zou hebben voor zijn recht op uitkering.

De gevolgen van verweerders weigering mogen niet zo ernstig zijn dat de gehele uitkering wordt ingetrokken. Verzoeker raakt ernstig in financiële problemen. In beroep is gevraagd het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat verzoeker vanaf 20 december 2006 recht heeft op een WWB-uitkering.

Het verzoek om voorlopige voorziening is er op gericht dat aan verzoeker met onmiddellijke ingang een volledige WWB-uitkering wordt verstrekt.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal, op grond van artikel 8:86 van de Awb, tevens onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

2.4 In artikel 17, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In het tweede lid is bepaald dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

In artikel 54, derde lid, onderdeel a, van de WWB is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand kan herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

2.5 Het bestreden besluit berust op de opvatting dat verzoeker door niet mee te werken aan het bekijken van de gehele woning niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Deze opvatting van de CRvB blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraak van

11 april 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BA2447.

2.6 Op de zitting van de voorzieningenrechter heeft de fraudepreventiemedewerker verklaard dat men de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de bijstandverlening aan verzoeker heeft willen onderzoeken. Er was een vermoeden dat verzoeker werkzaam was als zelfstandig beveiligingsfunctionaris en men wilde met verzoeker spreken over de toeleiding naar werk. Hij is daartoe uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de ISD.

Er waren ook aanwijzingen dat verzoeker betrokken was bij een hennepkwekerij. Er was een anonieme, niet concrete telefonische tip en het was opgevallen dat het dak van verzoekers woning niet berijpt was toen de daken van de omringende woningen wel berijpt waren. De fraudepreventiemedewerker heeft ter zitting verklaard dat deze aanwijzingen onvoldoende waren om een onderzoek in te stellen naar een hennepkwekerij.

Toen verzoeker zich ziek meldde bleek dat een nieuw gesprek op de ISD pas op langere termijn kon worden gepland. Verzoeker stemde er mee in dat de onderzoekers hem onmiddellijk thuis bezochten om het gesprek te voeren.

De aanleiding om, na voltooiing van het gesprek met verzoeker, de rest van de woning te willen zien lag volgens de rapportage van de fraudepreventiemedewerker in de constatering dat de woning zeer karig was ingericht. De onderzoekers waren niet overtuigd door de verklaring van verzoeker dat hij huisraad had verkocht om schulden af te lossen en in leven te blijven. Zij hebben, volgens de verklaring van de fraudepreventiemedewerker, aan verzoeker meegedeeld dat zij zich een beeld wilden vormen van de woon- en leefomstandigheden en wellicht andere van belang zijnde omstandigheden. Ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat de onderzoekers zich afvroegen of verzoeker wel zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.

De voorzieningenrechter constateert dat er geen concrete objectieve feiten en omstandigheden waren die redelijkerwijs aanleiding gaven tot twijfel aan de juistheid of de volledigheid van de door verzoeker verstrekte inlichtingen. De omstandigheid dat de woning karig gemeubileerd was vormt op zichzelf niet een aanwijzing dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Bovendien blijkt noch uit de rapportage, noch uit de verklaring van de fraudepreventiemedewerker ter zitting dat aan verzoeker mededeling is gedaan van die concrete aanleiding om de rest van de woning te willen zien.

De klantmanager heeft in zijn rapportage van 20 december 2007 vermeld dat ook “aanwijzingen drugsplantage” aanleiding waren de rest van de woning te willen zien. Ter zitting heeft de fraudepreventiemedewerker verklaard dat die aanwijzingen geen rol speelden. Hij heeft verklaard dat, als de karige meubilering niet was opgevallen, niet gevraagd was verder te mogen kijken.

Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat er in het onderhavige geval geen redelijke grond bestond voor een huisbezoek. Verweerder was dan ook niet bevoegd om aan de weigering aan een huisbezoek mee te werken het gevolg van intrekking van de bijstandsuitkering te verbinden.

Het bestreden besluit is derhalve in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het zal dan ook worden vernietigd en het beroep zal gegrond worden verklaard.

Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.7 De vernietiging van het bestreden besluit leidt er niet zonder meer toe dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Bij de heroverweging van het intrekkingsbesluit van 20 december 2006 kan verweerder de grondslag van de intrekking aanvullen of wijzigen. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat, bij vernietiging van het bestreden besluit, van die bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt, aldus dat de intrekking wordt gehandhaafd in verband met de inkomsten die eiser verondersteld wordt te hebben genoten uit de hennepkwekerij. Nu naar verwachting van de voorzieningenrechter intrekking van de uitkering op die grondslag in rechte stand zal kunnen houden is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.8 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht in de beroepszaak aan verzoeker te worden vergoed.

Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoeker in de beroepszaak, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

Aangezien verzoeker met een toevoeging procedeert moeten die kosten worden betaald aan de griffier, waarvoor een acceptgiro zal worden toegezonden.

Nu het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen is er geen aanleiding tot vergoeding van griffierecht of tot een proceskostenveroordeling in verband met het verzoek om voorlopige voorziening.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

gelast dat de ISD aan verzoeker het door hem in de beroepszaak betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker in de beroepszaak tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de ISD aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, en in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij op het beroep is beslist, kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Tegen de uitspraak inzake de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: