Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7863

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/2857
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vakantietoeslag behoort niet tot het toetsloon voor de berekening van de afdrachtverminderingen. Boete vernietigd ivm pleitbaar standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1351

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2857

Uitspraakdatum: 24 april 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

V.O.F. [belanghebbende], gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 18 april 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen alsmede tegen de daarbij opgelegde boetebeschikking.

Zitting

Een onderzoek ter zitting is met toestemming van partijen achterwege gebleven.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het betreft de boete;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de boete;

- vernietigt de boetebeschikking;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 161, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Op 16 november 2005 is namens de inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek aangevangen. Dit onderzoek richtte zich op de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften loonbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 voor zover het betreft de door belanghebbende geclaimde afdrachtverminderingen. Op 19 januari 2006 is het rapport van het onderzoek opgemaakt en aan belanghebbende gezonden.

2.2. Tijdens het onderzoek is gebleken dat betaling van de vakantietoeslag door belanghebbende tweemaal per jaar plaats vindt, namelijk in de maanden juni en december. Belanghebbende rekent deze uitbetaalde vakantietoeslag niet tot het toetsloon ter bepaling van de afdrachtvermindering lage lonen. De inspecteur heeft dit gecorrigeerd als gevolg waarvan de onderhavige naheffingsaanslag loonbelasting is opgelegd.

2.3. In geschil is het antwoord op de vraag of bij de berekening van de afdrachtvermindering lage lonen de tweemaal per jaar uitbetaalde vakantietoeslag tot het toetsloon moet worden gerekend. Belanghebbende beantwoordt vorenstaande vraag ontkennend. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

2.4. Op grond van artikel 7 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: Wva) is de vermindering van lage lonen van toepassing ten aanzien van de werknemer wiens loon in het desbetreffende loontijdvak niet meer bedraagt dan het toetsloon voor dat tijdvak. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, 1e, van de Wva moet onder loon worden verstaan het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met daarin begrepen tantièmes, gratificaties en andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend.

2.5. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende met haar desbetreffende werknemers - in afwijking in zoverre van de geldende CAO - is overeengekomen dat zij het vakantiegeld tweemaal per jaar zal uitbetalen, en dat zij het vakantiegeld in het onderhavige tijdvak ook daadwerkelijk tweemaal, te weten in juni en december, aan de desbetreffende werknemers heeft uitbetaald.

2.6. In de Memorie van Toelichting van de Wva is ten aanzien van het toetsloon onder meer vermeld:

'Om te kunnen vaststellen of een werkgever voor een bepaalde werknemer in aanmerking komt voor de vermindering lage lonen, moet worden getoetst of de werknemer niet meer verdient dan 115% van het voor hem van toepassing zijnde WML, het zogenoemde toetsloon. Om redenen van eenvoud en ter voorkoming van extra administratieve lasten is gekozen voor een loonbegrip dat aansluit bij de gegevens waarover de werkgever in zijn fiscale loonadministratie reeds beschikt. Dit loonbegrip sluit aan bij de definitie van 'loon' in de Wet op de loonbelasting 1964, maar zondert daar vervolgens een aantal beloningen met een incidenteel karakter (tantièmes, overwerkloon, vakantiegeld, etc.) van uit. Bovendien wordt loon uit vroegere dienstbetrekking (ouderdomspensioenen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, etc.) van het 'loon' in de zin van het wetsvoorstel uitgezonderd. Aldus wordt het criterium voor het al dan niet recht hebben op de vermindering lage lonen zoveel mogelijk voor alle werknemers gelijk toegepast. Het bedrag dat met inachtneming van de in het wetsvoorstel opgenomen definitie van 'loon' is berekend, en dat in de meeste gevallen gelijk is aan het loon dat in de administratie bekend is als het 'loon van kolom 14 van de loonstaat', moet worden getoetst aan het in het wetsvoorstel opgenomen toetsloon. Bij de berekening van het toetsloon is er naar gestreefd om, uitgaande van de hierboven beschreven 'loon'-definitie, een zo goed mogelijke aansluiting te bewerkstelligen bij de definitie van het WML voor volwassenen.'

MvT, Kamerstukken II 1995/96, 24 458, nr. 3, blz. 6-7.

2.7. Blijkens de wetsgeschiedenis is beoogd de bepaling van het toetsloon zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij het reguliere maandloon en incidenteel betaalde bedragen daarbuiten te laten. In de wettekst is dat tot uitdrukking gebracht door uit te zonderen beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de weergegeven passage uit de Memorie van Toelichting niet af te leiden dat de wettekst niet weergeeft hetgeen de wetgever heeft bedoeld, al zou ook een ruimere omschrijving van het begrip incidentele betalingen eveneens binnen die bedoeling hebben gepast.

2.8. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval met betrekking tot de uitbetaalde vakantietoeslag geen sprake van loon dat in de regel éénmaal of éénmaal per jaar wordt toegekend. Voor de toepassing van de Wva mag het loon, alvorens het te vergelijken met het zogenoemde toetsloon, derhalve niet worden verminderd met de daarin begrepen vakantietoeslag Belanghebbendes opvatting dat het eenmalige karakter van de betaling van de vakantietoeslag in stand blijft en dat het feit dat het vakantiegeld in twee termijnen wordt uitbetaald hieraan niets af doet, is naar het oordeel van de rechtbank onjuist.

2.9. Belanghebbende stelt voorts dat een zo stringente toepassing van de wettekst leidt tot rechtsongelijkheid. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende zich beroept op het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De rechtbank stelt voorop dat deze bepalingen niet iedere ongelijke behandeling verbieden doch slechts die waarvoor geen objectieve en gerechtvaardigde gronden bestaan De artikelen 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR eisen niet het treffen van zo uitgewerkte regelingen dat elke ongelijkheid of onevenredigheid in elke denkbare situatie wordt vermeden. De rechtbank is met belanghebbende van oordeel dat er in beginsel geen verschil is tussen werkgevers die vakantiegeld eenmaal of tweemaal per jaar uitbetalen. Blijkens de geciteerde wetsgeschiedenis is de wetgever zich er bij de invoering van de Wva echter van bewust geweest dat er een zekere grofheid optreedt bij het bepalen van het toetsloon en is daarvoor om redenen van eenvoud gekozen. Met de onderhavige regeling heeft de wetgever naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van de hem op fiscaal gebied toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden. Gelet op doel en strekking van de wet, namelijk het doel om pieken in de loonbetalingen buiten beschouwing te laten om te voorkomen dat over één of enkele tijdvakken geen recht op vermindering zou bestaan vanwege een incidenteel hogere beloning, is de onderhavige ongelijke behandeling niet disproportioneel of ongerechtvaardigd.

2.10. Belanghebbend stelt tot slot dat de boete moet worden vernietigd omdat geen sprake is van grove schuld. Het standpunt van belanghebbende dat uitbetaling van de vakantietoeslag in twee termijnen niet afdoet aan het eenmalige karakter van deze beloning kan naar het oordeel van de rechtbank, hoewel onjuist, als pleitbaar worden aangemerkt. Het is derhalve niet aan opzet of grove schuld van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep voor zover het betreft de boete gegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 voor de zaken 06/2857 en 06/2858 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 322, een wegingsfactor 1 en een factor 1 voor samenhangende zaken) waarvan 1/2 of € 161 in de onderhavige zaak.

Deze uitspraak is gedaan op 24 april 2007 door A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van L. Abbing-van Kleef, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.