Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7495

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
423678 cv 06-7596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers beroepen zich op de betwiste stellingname dat twee van hen met gedaagde een overeenkomst sloten waarbij zij een vennootschap onder firma vormden. Die overeenkomst is als zodanig vormvrij, maar een vennootschap onder firma moet ingevolge artikel 22 Wetboek van Koophandel in beginsel bij authentieke of bij onderhandse akte worden aangegaan. Die wettelijke bepaling bevat een dwingend bewijs-voorschrift als gevolg waarvan het ontkende bestaan van de vennootschap onder firma binnen de interne vennootschappelijke verhoudingen in beginsel alleen kan worden bewezen door enige neerslag daarvan in een authentieke of onderhandse akte. Binnen de onderhavige interne vennootschappelijke verhoudingen is een dergelijk geschrift echter nimmer opgemaakt. Voor zover eisers zich beroepen op door gedaagde namens de vennootschap onder firma of als vennoot van de vennootschap onder firma tegenover derden (mee)ondertekende geschriften of contracten, zijn die geschriften of contracten met name bestemd om in de externe verhoudingen iets te bewijzen en met name niet bedoeld om binnen de onderhavige interne vennootschappelijke verhoudingen - of in het bijzonder tegenover de mede-vennoten - tot enig bewijs te dienen van de door eisers bedoelde vennootschap onder firma. Al bij gebreke van enige binnen de onderhavige interne vennootschappelijke verhoudingen relevante akte ten bewijze van de vennootschap onder firma, moet aan de door eisers gestelde vennootschap onder firma worden voorbijgegaan en kan die vennootschap onder firma geen grondslag bieden voor een toewijzing van de vordering.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel
Wetboek van Koophandel 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2007, 528
JOR 2007/177
JIN 2007/362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 423678 CV EXPL 06-7596

vonnis d.d. 13 juni 2007

inzake

1. de vennootschap onder firma [eiseres 1], gevestigd en kantoorhoudend te [adres];

2. [eiser 2], en

3. [eiser 3], beiden wonende te [adres],

eisers in vrijwaring,

gemachtigde: mr. R.A. Oliemans te Bergen op Zoom,

tegen

[gedaagde],

wonende te [adres]4,

gedaagde in vrijwaring,

gemachtigde: mr. P.C.H. Jansen te Roosendaal

Partijen worden aangeduid als “eisers” en “[gedaagde]”. Eisers worden afzonderlijk aangeduid als “de vennootschap onder firma”, “[2]” en “[3]”.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

1.1 de inleidende dagvaarding d.d. 23 november 2006;

1.2 de conclusie van antwoord in vrijwaring, met producties;

1.3 de conclusie van repliek in vrijwaring, met producties;

1.4 de conclusie van dupliek in vrijwaring, met een productie;

1.5 de akte uitlating producties.

2. Het geschil

Eisers vorderen, samengevat, bij vonnis veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het bedrag waartoe eisers in de hoofdzaak op vordering van [X]. (hierna: “[X]”) zullen worden veroordeeld, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[gedaagde] weerspreekt de vordering.

3. De beoordeling

3.1 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat zij met [gedaagde] een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, uit hoofde waarvan zij [gedaagde] mede aansprakelijk houden voor de schuld van de vennootschap onder firma aan [X]. Eisers leggen aan hun vordering ook ten grondslag dat [gedaagde] vennoot is geweest of geworden van de vennootschap onder firma en als zodanig samen met [2] en [3] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap onder firma, terwijl eisers [gedaagde] uit hoofde daarvan mede aansprakelijk houden voor de schuld van de vennootschap onder firma aan [X].

3.2 [gedaagde] verweert zich door, samengevat, te ontkennen dat hij partij was bij de met [X] gesloten mantelovereenkomst. [gedaagde] ontkent aansprakelijk te zijn voor de schulden van de vennootschap onder firma, omdat hij nimmer vennoot zegt te zijn geweest of geworden van de vennootschap onder firma. [gedaagde] stelt ooit wel te hebben overwogen middels een besloten vennootschap toe te treden tot de vennootschap onder firma, maar daartoe is het volgens [gedaagde] niet gekomen. [gedaagde] stelt met de vennootschap onder firma wel een samenwerkingsovereenkomst te hebben gesloten, op basis waarvan hij bemiddelde en incidenteel op naam en voor rekening van de vennootschap onder firma hypotheken en verzekeringen zou hebben afgesloten. [gedaagde] stelt ook door een dergelijke vertegenwoordiging echter geen vennoot van de vennootschap onder firma te zijn geworden. [gedaagde] stelt dat eisers zelf bovendien meermalen schriftelijk hebben aangegeven dat [gedaagde] geen eigendomsrechten op de activa van hun onderneming geldend kon maken, zodat ook daaruit volgt dat volgens eisers eigenlijk alleen sprake kan zijn van een opzegbaar samenwerkingsverband. [gedaagde] zegt niet hoofdelijk aansprakelijk en draagplichtig te zijn voor de door [X] in de hoofdzaak gevorderde schuld.

3.3 De kantonrechter overweegt dat de hoofdzaak een zogenoemde aardvordering betrof die tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoorde, zodat nu ook deze vrijwaringsvordering door de kantonrechter dient te worden behandeld en beslist.

3.4 Eisers hebben in de hoofdzaak op 21 februari 2007 met [X] ter beëindiging van hun geschil een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarbij kwamen zij onder meer overeen dat eisers aan [X] tegen finale kwijting een bedrag zou betalen van € 23.000,00. Gelet daarop begrijpt de kantonrechter de vordering in deze vrijwaringszaak aldus dat eisers vorderen, samengevat, om [gedaagde] bij vonnis te veroordelen tot betaling van een hoofdsom van € 23.000,00 en van de proceskosten.

3.5 Eisers baseren hun vordering op een met [gedaagde] gesloten samenwerkings-overeenkomst althans dat [gedaagde] daadwerkelijk vennoot was of is in de vennootschap onder firma, als gevolg waarvan [gedaagde] zijn aandeel in die schuld van de vennootschap onder firma aan [X] in de interne vennootschappelijke verhouding zou moeten bijdragen. Waar eisers zich op het standpunt stellen dat [gedaagde] de schuld samen met [2] en [3] en naar evenredigheid dient te dragen, volgt al uit de stellingen van eisers dat de gevorderde hoofdsom slechts toewijsbaar kan zijn tot eenderde deel van € 23.000,00, dus tot een bedrag van (afgerond) € 7.666,67. Dat [gedaagde] volgens de stellingen van eisers hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de verbintenissen van de vennootschap onder firma, maakt dat niet anders. Die hoofdelijke aansprakelijkheid ziet immers op de externe aansprakelijkheid voor verbintenissen van de vennootschap onder firma tegenover derden zoals [X], maar de onderhavige vrijwaringsvordering betreft volgens de stellingen van eisers alleen de onderlinge draagplicht en de interne vennootschappelijke verhouding tussen eisers en [gedaagde] met betrekking tot de schuld aan [X]. Op grond van het voorgaande zal de gevorderde hoofdsom dus in ieder geval worden afgewezen voor zover aan hoofdsom meer is gevorderd dan € 7.666,67.

3.6 Zoals uit het voorgaande volgt baseren eisers hun vordering op een met [gedaagde] gesloten samenwerkingsovereenkomst, althans dat [gedaagde] daadwerkelijk vennoot was of is in de vennootschap onder firma, waarbij [gedaagde]’s aandeel in winst en verlies eenderde zou bedragen. Eisers beroepen zich daartoe meer in het bijzonder op de betwiste stellingname dat [2], [3] en [gedaagde] een overeenkomst sloten, waarbij zij zich verbonden om ieder iets in de gemeenschap van de vennootschap onder firma te brengen, met het oogmerk om aldus het bedrijf van de vennootschap onder firma uit te oefenen en het daaruit ontstane resultaat naar evenredigheid met elkaar te delen. Die overeenkomst is als zodanig vormvrij, maar [gedaagde] beroept zich er terecht op dat een vennootschap onder firma ingevolge artikel 22 Wetboek van Koophandel in beginsel bij authentieke of bij onderhandse akte moet worden aangegaan. Die wettelijke bepaling bevat een dwingend bewijsvoorschrift als gevolg waarvan het ontkende bestaan van de vennootschap onder firma binnen de interne vennootschappelijke verhoudingen in beginsel alleen kan worden bewezen door enige neerslag daarvan in een authentieke of onderhandse akte. Uit de stellingen van eisers volgt echter dat binnen de onderhavige interne vennootschappelijke verhoudingen nimmer enig geschrift is opgemaakt om tussen eisers en [gedaagde] tot enig bewijs van de bedoelde vennootschap onder firma te dienen. Voor zover eisers zich beroepen op door [gedaagde] namens de vennootschap onder firma of als vennoot van de vennootschap onder firma tegenover derden (mee)ondertekende geschriften of contracten, zijn die geschriften of contracten met name bestemd om in de externe verhoudingen iets te bewijzen en met name niet bedoeld om binnen de onderhavige interne vennootschappelijke verhoudingen - of in het bijzonder tegenover de medevennoten - tot enig bewijs te dienen van de door eisers bedoelde vennootschap onder firma. Al bij gebreke van enige binnen de onderhavige interne vennootschappelijke verhoudingen relevante akte ten bewijze van de vennootschap onder firma, moet aan de door eisers gestelde vennootschap onder firma worden voorbijgegaan en kan die vennootschap onder firma geen grondslag bieden voor een toewijzing van de hiervoor genoemde hoofdsom van € 7.666,67.

3.7 Waar de door eisers gestelde feiten de vordering anderszins niet althans onvoldoende kunnen rechtvaardigen, zal de gevorderde hoofdsom op grond van het voorgaande moeten worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen eisers in de proceskosten van deze vrijwaringszaak worden veroordeeld.

3.8 Gelet op het voorgaande behoeven de overige geschilpunten geen bespreking meer en wordt als volgt beslist.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering van eisers in vrijwaring af;

veroordeelt eisers in de kosten van het geding, deze voor zover aan de zijde van [gedaagde] gevallen tot op heden begroot op € 800,00 aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken op

13 juni 2007.