Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7313

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/2254
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffing BPM, gegrond

Volgens de rechtbank is de definiëring van een vlakke laadvloer in art. 3, derde lid, onderdeel a van de Wet BPM zo duidelijk dat er geen reden is om een auto die naar de tekst van deze bepaling onder deze definiëring valt, een behandeling als bestelauto te ontzeggen. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat een laadvloer waarop stoelen kunnen worden geplaatst door bevestiging aan een in de laadvloer verzonken clicksysteem niet meer voldoet aan de vereisten van een vlakke laadvloer. Temeer nu tussen partijen blijkbaar niet in geschil is dat wel sprake blijft van een bestelauto indien geen stoelen maar kisten op de laadvloer worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1368
FutD 2007-1148

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2254

Uitspraakdatum: 10 april 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] VOF, gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 20 april 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag belastingheffing van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2007.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 37 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Op 5 november 2005 hebben ambtenaren van de Belastingdienst/Douane Zuid geconstateerd dat een vennoot van belanghebbende, [vennoot], als bestuurder gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland met een auto, van het merk, [merknaam], die is voorzien van een Nederlands kenteken [00-00-00] (hierna: de auto). Aangezien het tussenschot van de auto was verwijderd en de laadvloer was voorzien van stoelen, voldeed de auto volgens de ambtenaren niet langer aan de in artikel 3, derde lid, onderdeel b, van de wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) neergelegde vereisten van een dubbele cabine.

2.2. In verband met het voormelde kan de auto volgens de inspecteur niet meer worden aangemerkt als bestelauto in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wet BPM (hierna: bestelauto). De inspecteur heeft derhalve op grond van artikel 12a, eerste lid, van de Wet BPM aan belanghebbende op 8 maart 2006 een naheffingsaanslag BPM opgelegd ten bedrage van € 9.039.

2.3. Niet in geschil is of de laadvloer van de auto van belanghebbende voldoet aan de omvangscriteria die zijn neergelegd in artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Wet BPM. In geschil is of de aanwezigheid van stoelen in de laadruimte ten tijde van de controle veroorzaakt dat de auto in zodanige staat is gebracht dat er geen sprake meer is van een vlakke laadvloer in de zin van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Wet BPM en dat de auto dientengevolge als een personenauto moet worden aangemerkt.

2.4. Volgens belanghebbende vormt de aanwezigheid van stoelen op de laadvloer onvoldoende reden om te stellen dat de auto niet langer voldoet aan de eisen van artikel 3, derde lid, van de Wet BPM. De stoelen waren bevestigd middels een clicksysteem en zijn inmiddels verwijderd. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat het clicksysteem wordt gebruikt voor de bevestiging van te vervoeren kisten. Belanghebbende onderbouwt haar standpunt door te verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 augustus 2005 (LJN: AU2801) die bij uitspraak van 23 januari 2007 is bevestigd door het gerechtshof Arnhem (LJN: BA0012).

2.5. Verweerder stelt dat op grond van de parlementaire geschiedenis van de wet bijzondere verbruiksbelasting van personenauto’s (de voorloper van de wet BPM) een auto als de onderhavige werd aangemerkt als personenauto. Ook onder toepassing van de Wet BPM geldt dat er sprake is van een personenauto indien deze, zoals de onderhavige auto, is ingericht voor het vervoer van personen.

De wetgever heeft met de definiëring van het begrip bestelauto in artikel 3 van de Wet BPM beoogt dit begrip te beperken ten opzichte van het voorheen geldende begrip. Volgens verweerder werd onder de oude wettekst een auto met clicksysteem aangemerkt als een personenauto. Het opnemen van de definitie in artikel 3 van de Wet BPM kan dan naar de bedoeling van de wetgever niet ertoe leiden dat een dergelijke auto onder de nieuwe wet wordt aangemerkt als bestelauto.

2.6. De rechtbank is van oordeel dat, wat er ook zij van de bedoeling van de wetgever, de tekst van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Wet BPM zo duidelijk is dat er geen reden is om een auto die naar de tekst onder deze definiëring valt een behandeling als bestelauto te ontzeggen.

2.7. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat een laadvloer waarop stoelen kunnen worden geplaatst door bevestiging aan een in de laadvloer verzonken clicksysteem, niet meer een vlakke laadvloer is als verwoord in artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Wet BPM.

2.8. Belanghebbende heeft geloofwaardig verklaard dat het clicksysteem ook werd gebruikt voor het vastzetten van kisten met goederen in de laadruimte. Tussen partijen is klaarblijkelijk niet in geschil dat het vastzetten van kisten op de laadvloer niet tot gevolg heeft dat geen sprake is van een vlakke laadvloer. De rechtbank ziet dan niet in dat dit anders is indien geen kisten maar stoelen op de laadvloer worden bevestigd.

2.9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de auto voldoet aan de vereisten van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Wet BPM, zodat sprake is van een bestelauto.

2.10. Gelet op het vorenoverwogene verklaart de rechtbank het beroep gegrond.

3. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht de rechtbank termen aanwezig de verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht de reiskosten van de gemachtigde van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting. Deze kosten worden becijferd op basis van openbaar vervoer 2e klasse, Tilburg-Breda vice versa, op een bedrag van € 37.

Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2007 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.