Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7168

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/2336
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteerde vanaf 1 januari 1997, met het oog op een toekomstige overname, in maatschapverband een varkenshouderij. In de overeenkomst was onder andere bepaald dat de maatschap van rechtswege zou eindigen op 31 december 2002 en de maat van belanghebbende per die datum het recht had de varkenshouderij over te nemen. De overname heeft plaatsgevonden bij akte van levering de dato 12 december 2003. Belanghebbende heeft de stakingswinst aangegeven in zijn aangifte over het jaar 2002 en daarbij aftrek geclaimd van lijfrentepremie op grond van artikel 3.127 en 3.129 van de Wet IB 2001, welke aftrek deels door de inspecteur is geweigerd. Belanghebbende heeft zich vervolgens onder meer op het standpunt gesteld dat de stakingswinst belastbaar is in 2003 en dat de lijfrentepremie ook in dat jaar aftrekbaar is. Tussen partijen is primair in geschil in welk jaar de stakingswinst moet worden verantwoord, in het jaar 2002 (standpunt inspecteur) of in het jaar 2003 (standpunt belanghebbende). De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 1952, B nummer 9242, dat belanghebbende in de onderhavige situatie de keuze had om de stakingswinst in het jaar 2003, het jaar waarin de overdracht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, in aanmerking te nemen. De andersluidende opvatting van de inspecteur vindt in het arrest geen steun en kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden vastgesteld overeenkomstig de conclusie van belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1221
FutD 2007-1127
V-N 2007/53.16

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2336

Uitspraakdatum: 3 april 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 31 maart 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 433.082 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.067.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.067;

- stelt het verlies uit werk en woning over het jaar 2002 vast op € 6.647;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.207,50, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende, geboren op 20 februari 1943, exploiteerde tot 1 januari 1997 voor eigen rekening en risico een varkenshouderij. Vanaf 1 januari 1997 is belanghebbende met [[de heer] een maatschapovereenkomst (de overeenkomst) aangegaan, met het oog op de toekomstige overname van de varkenshouderij door [de heer]. In de overeenkomst was bepaald, voor zover te dezen van belang, dat de maatschap van rechtswege zou eindigen op 31 december 2002, dat [de heer] per die datum het recht had de varkenshouderij over te nemen en dat belanghebbende, indien [de heer] niet in staat zou zijn de volledige overnamesom door leningen van bankinstellingen te financieren, aan [de heer] een achtergestelde lening zou verstrekken tot een maximum van f 250.000.

2.2. Op basis van de concept-jaarcijfers per 31 december 2002, neergelegd in het accountantsrapport van 27 maart 2003, is de overnamesom die [de heer] aan belanghebbende moest betalen vastgesteld op € 747.955. Vervolgens heeft [de heer] bij de Rabobank een financieringsaanvraag ingediend teneinde de overname te kunnen realiseren. Op 18 juli 2003 is onder opschortende voorwaarden de financiering door de bank goedgekeurd, aan welke voorwaarden uiteindelijk op 19 november 2003 werd voldaan. De financiering is op 5 december 2003 verleend. De overname heeft plaatsgevonden bij akte van levering de dato 12 december 2003.

2.3. De overname leidde voor belanghebbende tot een bedrag aan belastbare stakingswinst. Belanghebbende was ten tijde van de staking voor 45% of meer arbeidsongeschikt. Belanghebbende heeft op 31 december 2003 een lijfrentepolis gesloten bij Interpolis voor een koopsom van € 501.087 waarvan de uitkeringen ingingen op 1 december 2003. Belanghebbende heeft de stakingswinst aangegeven in zijn aangifte over het jaar 2002 en daarbij aftrek geclaimd van lijfrentepremies tot een bedrag van € 23.271 op grond van artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet) plus € 356.810 op grond van artikel 3.129 van de Wet. De inspecteur heeft aftrek tot een bedrag van € 187.732 geweigerd omdat niet zou zijn voldaan aan de in artikel 3.129, tweede lid, sub 2, van de Wet gestelde eis dat de termijnen van lijfrente ingaan binnen 6 maanden na het stakingstijdstip. Belanghebbende heeft zich vervolgens onder meer op het standpunt gesteld dat de stakingswinst belastbaar is in 2003 en dat de lijfrentepremie ook in dat jaar aftrekbaar is. De inspecteur heeft (tot behoud van rechten) ook in 2003 de stakingswinst in de heffing betrokken.

2.4. Tussen partijen is primair in geschil in welk jaar de stakingswinst moet worden verantwoord, in het jaar 2002 (standpunt inspecteur) of in het jaar 2003 (standpunt belanghebbende). Voor het geval de rechtbank mocht beslissen dat dit het jaar 2002 is, is tussen partijen subsidiair in geschil of belanghebbende de voor de stakingswinst gestorte lijfrente op zijn inkomen uit werk en woning in mindering mag brengen.

2.5. De Hoge Raad heeft in het arrest van 18 juni 1952, B nummer 9242, voor zover hier van belang, overwogen:

“dat indien een belastingplichtige met een derde een overeenkomst aangaat tot overdracht van zijn bedrijf, waarbij bepaald wordt, dat die overdracht op een in de toekomst gelegen tijdstip zal geschieden en de betaling van de overnemingssom bij of na de overdracht zal plaats vinden, goed koopmansgebruik in het algemeen toelaat, dat de belastingplichtige eerst nadat de overdracht daadwerkelijk heeft plaats gehad, het met de overeenkomst behaalde resultaat in zijn boekhouding tot uitdrukking brengt;

dat dan ook, zo de overdracht geschiedt in een later boekjaar dan dat, waarin de overeenkomst werd gesloten, belanghebbende niet verplicht is de overdrachtswinst als reeds in laatstbedoeld boekjaar genoten in aanmerking te nemen;

dat het echter anders wordt indien bij de overeenkomst het tijdstip voor de overdracht is vastgesteld op den eersten dag, volgende op het boekjaar, waarin de overeenkomst is gesloten, en de overdracht ook daadwerkelijk op dien dag – althans op den eersten werkdag na afloop van het bedoelde boekjaar – heeft plaatsgevonden.”

2.6. Vaststaat dat de overdracht van de varkenshouderij heeft plaatsgevonden op 12 december 2003. De hiervóór geciteerde overwegingen van de Hoge Raad kunnen naar het oordeel van de rechtbank tot geen andere conclusie leiden dan dat belanghebbende in de onderhavige situatie de keuze had om de stakingswinst in het jaar 2003, het jaar waarin de overdracht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, in aanmerking te nemen. De visie van de inspecteur dat belanghebbende op grond van voornoemd arrest verplicht is de stakingswinst in het 2002 te verantwoorden, vindt in het arrest geen steun en kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd. Uit het arrest volgt naar het oordeel van de rechtbank dat slechts ingeval de overdracht op 1 januari 2003, althans op de eerste werkdag na afloop van het boekjaar 2002, zou hebben plaatsgevonden, voor belanghebbende de verplichting bestond de stakingwinst in het jaar 2002 te verantwoorden.

2.7. Belanghebbende heeft er in de aangifte voor gekozen de stakingswinst als in 2002 genoten in aanmerking te nemen. Nu de inspecteur de stakingswinst ook in 2003 heeft belast, heeft de keuze van belanghebbende voor 2002 geen onherroepelijke gevolgen gehad en kan belanghebbende op die keuze terugkomen. Gelet op het onder 2.5. en 2.6. overwogene moet de primair in geschil zijnde vraag worden beantwoord in de door belanghebbende voorgestane zin. Het subsidiaire geschilpunt behoeft geen bespreking meer. Het beroep is gegrond.

2.8. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat het belastbare inkomen uit werk en woning moet worden vastgesteld overeenkomstig de conclusie van belanghebbende in het beroepschrift op nihil en het verlies uit werk en woning op € 6.647.

2.9. Belanghebbende had in zijn aangifte geen verlies vermeld. Gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 16 december 2005, nummer 41 587 (BNB 2006/73) ligt bij de vaststelling van de aanslag naar een positief bedrag daarin besloten de beschikking dat het verlies van dat jaar nihil bedraagt en ligt in de uitspraak op bezwaar waarbij de aanslag wordt gehandhaafd of verminderd tot een lager positief bedrag ook de beslissing besloten om de in de aanslag besloten liggende beschikking inzake het verlies te handhaven. De rechtbank zal het verlies uit werk en woning vaststellen op € 6.647.

2.10. Gelet op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid van de Awb, dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van € 38, te worden vergoed.

2.11. Nu het beroep gegrond is, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan een integrale vergoeding zou moeten worden toegekend. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.207,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5). Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor het overige kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 3 april 2007 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. W. Brouwer en prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.