Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA6525

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
02/801481-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is naar het ouderlijk huis van zijn ex-vriendin gegaan waar zijn biologische zoon verbleef. Hij wilde koste wat het kost zijn zoon meenemen en is daartoe op een gegeven moment het huis binnengedrongen. Verdachte is betrapt, er is een handgemeen ontstaan tussen hem en de grootouders van zijn zoon en de verdachte heeft zich daarbij schuldig gemaakt aan doodslag door de vader van zijn ex-vriendin met een mes in het hoofd te steken. Verdachte heeft vervolgens zijn zoon meegenomen. Verdachte is vrijgesproken van de impliciet primair tenlastegelegde moord ter zake waarvan veroordeling was gevorderd door de officier van justitie. Strafoplegging ter zake van doodslag en onttrekking van een minderjarige aan het bevoegd opzicht: 6 jaren gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en TBS met dwangverpleging. Bevel dwangverpleging gemotiveerd anders dan door deskundigen geadviseerde TBS met voorwaarden. Advies TBS te laten aanvangen na 2 jaren, maar niet later dan na 3 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 02/801481-06

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren [in het jaar 1969] te Curaçao (Nederlandse Antillen),

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en zijn raadsman mr. G.L.A.M. van Doveren, advocaat te Waalwijk.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

De verdachte staat terecht, terzake dat

1.

hij op of omstreeks 16 december 2006 te Loon op Zand, opzettelijk en al dan

niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig

overleg, met kracht met een mes in het hoofd/de schedel van die [slachtoffer]

gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 16 december 2006, te Loon op Zand en/of in Tilburg, althans in het arrondissement Breda, een minderjarig kind, genaamd [kleinzoon] (geboren [in het jaar 2005]), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, terwijl de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt; immers heeft hij, verdachte, [kleinzoon] meegenomen uit de woning van de grootouders van die [kleinzoon] en/of heeft hij die [kleinzoon] vervoerd van Loon op Zand naar Tilburg, terwijl hij daartoe geen overeenstemming had/ overleg had gevoerd met [dochter van slachtoffer en moeder van het kind], degene die het wettig gezag over [kleinzoon] voert/voerde.

art 279 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 Vrijspraak

Door de officier van justitie is bij requisitoir (p. 11 e.v.) aangevoerd dat de verdachte zich naar het ouderlijk huis van zijn ex-vriendin [dochter van het slachtoffer en moeder van de mindejarige] heeft begeven met het doel zijn kind daar vandaan te halen. De verdachte zou zich daarbij, zo heeft de officier van justitie gesteld, door niets of niemand laten weerhouden. Dat de mogelijke reikwijdte van zijn voorgenomen handelen tevens de dood van (één van) de ouders van [dochter van het slachtoffer en moeder van de mindejarige] omvatte zou onder meer blijken uit bedreigende sms-jes die hij tot kort voor zijn handelen heeft verstuurd aan [dochter van het slachtoffer en moeder van de mindejarige] en de omstandigheid dat hij zich gewapend met een mes naar het huis van de grootouders van zijn biologische zoon [kleinzoon [voornaam] slachtoffer] heeft begeven. Aldaar heeft de verdachte kort nadat hij in het huis van het slachtoffer [slachtoffer] werd betrapt, hem met het mes met kracht nabij de linkerslaap in het hoofd gestoken, aan welke verwonding het slachtoffer is overleden. Zo de de rechtbank de officier van justitie niet in haar visie volgt dat hier sprake is geweest van voorbedachte rade in onvoorwaardelijke zin, dan is volgens de officier van justitie minstgenomen sprake van voorbedachte rade in voorwaardelijke zin: “Mocht [verdachte] al niet het vooropgezette plan hebben gehad om één van beide ouders te doden, is in ieder geval door hem ingecalculeerd dat hij alles en iedereen die tussen hem en zijn zoontje zou komen, zou uitschakelen.”

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar stellingname, in onvoorwaardelijke noch in voorwaardelijke zin. Met de officier van justitie neemt de rechtbank aan dat de verdachte koste wat het kost zijn zoon wilde meenemen op het moment dat hij het huis binnendrong en dat hij daarbij risico’s heeft willen nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte deze risico’s ondergeschikt gemaakt aan het hogere doel dat hem voor ogen stond, te weten het meenemen van zijn kind. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de verdachte voorafgaand aan zijn handelen in zijn oordeelsvorming heeft meegenomen dat één van deze risico’s inhield dat hij iedere persoon die hij zou tegenkomen van het leven zou beroven én dat hij die mogelijkheid willens en wetens heeft aanvaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat uit het procesdossier naar voren komt dat de verdachte niet de eerste persoon heeft gestoken die hij tegenkwam, [partner van het sl[partner slachtoffer], maar pas de tweede persoon die de verdachte benaderde, het slachtoffer, zodat niet kan worden aangenomen dat iedereen die verdachte in de weg stond het risico liep te worden gedood. Daarnaast overweegt de rechtbank dat er tussen de verdachte en het slachtoffer geen negatieve gevoelens bestonden, zodat geen aanwijzingen bestaan dat verdachte specifiek het slachtoffer van het leven wilde beroven. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de verdachte het vooropgezette plan had om één van beide ouders te doden, noch dat het door hem aanvaarde risico om, zoals de officier van justitie heeft gesteld, “alles en iedereen die tussen hem en zijn zoontje zou komen, uit te schakelen” mede omvatte het hen van het leven beroven. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gestoken en zich dusdoende zou hebben schuldig gemaakt aan het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde, te weten moord. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank is wel van oordeel dat de verdachte door zijn handelen, te weten het met een mes in het hoofd steken van het slachtoffer, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden, zodat de onder 1 tenlastegelegde doodslag bewezen kan worden verklaard.

8 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op 16 december 2006 te Loon op Zand, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, met kracht met een mes in het hoofd/de schedel van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 16 december 2006, te Loon op Zand en/of in Tilburg, een minderjarig kind, genaamd [kleinzoon] (geboren [in het jaar 2005]), heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, terwijl de minderjarige de

leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt; immers heeft hij, verdachte, [kleinzoon] meegenomen uit de woning van de grootouders van die [kleinzoon] en heeft hij die [kleinzoon] vervoerd van Loon op Zand naar Tilburg, terwijl hij daartoe geen overeenstemming had met [dochter van slachtoffer en moeder van het kind], degene die het wettig gezag over [kleinzoon] voerde.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

9 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

9.1 De bewijsmiddelen.

P.M.

10 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf op:

Ten aanzien van feit 1: Doodslag.

Ten aanzien van feit 2: Onttrekking van een minderjarige aan het bevoegd opzicht.

11 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijner laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

12 De straffen en maatregelen.

12.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf en maatregel behoren te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

12.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte voor het onder 1 impliciet primair en onder 2 tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren wordt opgelegd en voorts dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

De verdachte is in de nachtelijke uren het huis van het slachtoffer binnengedrongen door een ruit in de achterdeur te verbreken en heeft zich begeven naar de kamer waar verdachtes zoon [voornaam], tevens kleinzoon van het slachtoffer, lag te slapen. De door het lawaai gewekte getuige [partner slachtoffer], grootmoeder van genoemde [voornaam], is polshoogte gaan nemen en werd, toen zij de verdachte tegen het lijf liep op de overloop op de 1e verdieping, onmiddellijk door de verdachte aangevallen. Het eveneens wakker geworden slachtoffer is tussen de getuige [partner slachtoffer] en de verdachte ingesprongen, waarna de verdachte vrijwel terstond tenminste twee keer met het mes dat hij had meegebracht naar het hoofd en het lichaam van het slachtoffer heeft uitgehaald. Daarbij heeft de verdachte het slachtoffer verwond aan de borst en in het hoofd. Het slachtoffer is over de getuige [partner slachtoffer] heen gevallen, waarop de verdachte zich uit de voeten heeft gemaakt, maar niet nadat hij eerst zijn zoon [voornaam], over wie hij geen ouderlijk gezag had, uit zijn bed heeft getild en meegenomen uit het huis. De verdachte heeft zich daarbij op geen enkel moment bekommerd om de verwondingen die hij had toegebracht aan het slachtoffer. De steekwond aan het hoofd van [slachtoffer] was uiteindelijk dodelijk.

Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten die Nederlandse strafrecht kent, te weten doodslag. Hij heeft daarmee aan het slachtoffer zijn meest wezenlijke bezit, zijn leven, ontnomen. Het intense leed dat de verdachte daarbij de nabestaanden, onder wie de echtgenote van het slachtoffer, heeft berokkend, wordt naar het oordeel van de rechtbank naar alle waarschijnlijkheid nog versterkt door de omstandigheid dat het slachtoffer het leven heeft gelaten terwijl hij zijn vrouw trachtte te verdedigen tegen de verdachte, die hij kende als ex-partner van zijn dochter en de vader van zijn kleinzoon. De rechtbank rekent de verdachte voorts aan dat hij slechts op zeer beperkte wijze er blijk van heeft gegeven spijt te hebben van zijn handelen en zich in zijn beleving van de gebeurtenissen vrijwel uitsluitend heeft gericht op het onrecht dat – in zijn visie – zijn zoon werd aangedaan.

Dat de verdachte voorts zijn zoon – over wie hij niet de ouderlijke macht had – aan het bevoegde opzicht van zijn zoons grootouders heeft onttrokken, is in vergelijking tot het hiervoor beschrevene uiteraard een minder ernstig delict, maar hieraan dient evenwel naar het oordeel van de rechtbank – ook in het licht van de gepleegde doodslag – onverminderd zwaar te worden getild. De verdachte heeft op een zo brute wijze kenbaar gemaakt dat hij zich niet wenst te houden aan wettelijke regelingen of persoonlijke afspraken die gelden omtrent de omgang met zijn zoon [voornaam], dat de rechtbank het niet onwaarschijnlijk acht dat de moeder van [voornaam], de dochter van het slachtoffer, voor langere duur in de vrees zal leven dat de verdachte dit gedrag zal herhalen.

De rechtbank acht op grond van de bewezenverklaarde feiten een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf als na te melden passend en geboden. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend enerzijds en de impact die de feiten op de nabestaanden en op de samenleving hebben gehad anderzijds.

12.3 De bijzondere overwegingen omtrent de maatregel.

Omtrent de persoon van verdachte is uitgebreid gerapporteerd door psycholoog drs. [naam] d.d. 15 februari 2007 en psychiate[naam] d.d. 8 maart 2007 en door mevrouw [naam] van Reclassering Nederland, Regio Breda-Middelburg d.d. 26 maart 2007.

De deskundigen [naam] en [naam] concluderen dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in lichte mate ontoerekeningsvatbaar, dan wel enigszins verminderd toerekeningsvatbaar was en lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis (NAO) met afhankelijke en vermijdende trekken, op basis waarvan, wanneer deze stoornis onbehandeld blijft, er sprake blijft van een reële dan wel verhoogde kans op recidive. De deskundigen concluderen voorts dat, gelet op de kans op recidive, de verdachte een behandeling dient te ondergaan die “zich richt op het in kaart brengen en vervolgens behandelen van de spanning en twijfels omtrent zijn eigen persoon, waarbij eventueel medicatie kan worden gebruikt om de soms intense spanningen te verlichten. Middels het toepassen van een behandelingsvorm als cognitieve gedragstherapie kan betrokkene in staat worden gesteld om zichzelf méér te gaan accepteren en zicht te krijgen op zijn beperkte copingsmechanismen” (drs. [naam]). Zij adviseren daarom een terbeschikkingstelling met als voorwaarde een plaatsing van verdachte op een forensisch psychiatrische afdeling.

Door de raadsman van de verdachte is bepleit dat de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden, teneinde aanvullende rapportage over de verdachte te laten opmaken door het Piet Baan Centrum (PBC) te Utrecht. De raadsman heeft gesteld dat deze rapportage zowel in het kader van contra-expertise dient te worden opgemaakt, als – zo het PBC tot een gelijkluidende conclusie zou komen als de deskundigen [naam] en [naam]– in het kader van een nadere invulling van de voorwaarden die aan de maatregel van terbeschikkingstelling dienen te worden verbonden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat sommige conclusies van de deskundigen niet of onvoldoende gemotiveerd zijn en de voorgestelde voorwaarden waaronder de maatregel van terbeschikkingstelling wordt geadviseerd op te leggen niet of onvoldoende ingevuld zijn.

De rechtbank wijst dit verzoek van de verdediging af.

Op basis van de voorhanden rapportages acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht omtrent de persoon van de verdachte. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de rapportages van de deskundigen [naam] en [naam] op de essentiële onderdelen gelijkluidend zijn en over en weer nader aanvullend en dat de daarin getrokken conclusies in voldoende mate zijn onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank een indruk van de persoon van de verdachte gekregen naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting, welke indruk de rechtbank in overeenstemming acht met hetgeen in de drie rapportages naar voren wordt gebracht. Daarbij doelt de rechtbank met name op de vaststelling dat bij de verdachte meerdere afhankelijke en vermijdende trekken binnen zijn persoonlijkheid zijn vast te stellen en dat hij vermijdt een “gezond” en “volwassen” conflict met zijn omgeving aan te gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het nogmaals over de verdachte laten opmaken van een dubbel- of tripelrapportage door het PBC – mede nu zijdens de verdediging niet anderszins gemotiveerd verweer is gevoerd ten aanzien van de in de rapportages getrokken conclusies – niet noodzakelijk is.

De rechtbank is derhalve op grond van de adviezen van oordeel dat verdachte in lichte mate ontoerekeningsvatbaar is en dat de kans op recidive, wanneer verdachte niet behandeld wordt, reëel is. De door de deskundigen geadviseerde TBS met voorwaarden acht de rechtbank evenwel niet op zijn plaats, gelet op de ernst van de feiten, het wettelijk kader en de passend en geboden geachte gevangenisstraf. TBS met voorwaarden kan immers slechts worden opgelegd in combinatie met een gevangenisstraf van maximaal drie jaren. Een dergelijke straf is in deze zaak, gelet op het feit dat een dodelijk slachtoffer is gevallen, niet aan de orde. De rechtbank van oordeel dat een terbeschikkingstelling noodzakelijk is, waarbij de rechtbank zal bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder overwogen dat het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte, mede gezien in het licht van zijn op het gebied van geweldsdelicten blanco strafblad, enerzijds als uitzonderlijk, anderzijds als onvoorspelbaar getypeerd kan worden. In het licht van voorgaande overweging zal de rechtbank voorts adviseren dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen na ommekomst van een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, maar dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet later dient aan te vangen dan na ommekomst van de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten dat:

- bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond;

- op de gepleegde misdrijven gevangenisstraffen van vier jaren of meer zijn gesteld.

- de algemene veiligheid van personen of goederen die maatregel eist.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 57, 279 en 287 van het wetboek van strafrecht.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. impliciet primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 8. is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9. vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt daarbij dat hij van overheidswegen zal worden verpleegd.

Zij adviseert dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen na ommekomst van een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, maar dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet later dient aan te vangen dan na ommekomst van de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. Schnitzler, voorzitter, mr. Janssen en mr. Van den Berg Jeths, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van Kuilenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 juni 2007.