Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA5907

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
427651 cv 07-130
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel recht.

Bindend advies van Geschillencommissie Wonen. Aantastbaarheid bindend advies? art. 7:904 lid 1 BW. Geen strijd met redelijkheid en billijkheid. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 427651 CV EXPL 07-130

vonnis bij vervroeging d.d. 23 mei 2007

inzake

[eiseres],

handelend onder de naam [LDF],

wonende te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: M.J. van Twuijver van Van Twuijver Incasso B.V. te Amsterdam,

tegen

1. [R],

2. [B],

beiden wonende te [adres],

gedaagden,

gemachtigde: mr. B. Maat, advocaat te Breda.

1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

1.1 het exploot van dagvaarding van 19 december 2006, met producties;

1.2 de conclusie van antwoord, met producties;

1.3 de conclusie van repliek tevens akte van vermeerdering en voorwaardelijke wijziging van eis, met producties;

1.4 de conclusie van dupliek, met productie;

1.5 de akte uitlating productie.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

2. Het geschil

Eiseres vordert na vermeerdering en wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van gedaagden om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen, ieder hoofdelijk en voor het geheel, des dat de een betalende de ander tot dat bedrag zal zijn bevrijd, de som van € 2.074,67 (€ 1.682,17 plus € 392,50), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 maart 2006, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, en met veroordeling in de kosten van het geding.

Gedaagden concluderen tot het bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijk verklaren van eiseres in haar vorderingen, althans tot ontzegging hiervan, met veroordeling van eiseres in de kosten van dit geding.

3. De beoordeling

3.1 De kantonrechter gaat onder meer uit van de navolgende tussen partijen vaststaande feiten:

? Op 7 december 2005 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen, waarbij eiseres zich heeft verplicht tot -kort gezegd- het renoveren van de keuken van gedaagden en het leveren van een nieuwe kastenwand aan gedaagden tegen een door gedaagden te betalen prijs van € 8.510,00;

? Gedaagden hebben aan eiseres een bedrag van € 851,00 aanbetaald;

? De levering vond plaats op of omstreeks 6 februari 2005;

? Tussen partijen is een geschil ontstaan en partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Wonen, hierna te noemen: de commissie, te laten beslechten;

? De commissie heeft in dat verband kennisgenomen van de door partijen aan de commissie overgelegde stukken;

? Na een schriftelijke rapportage door een deskundige aan de commissie en na een mondelinge behandeling op 20 september 2006 beslist de commissie eveneens op

20 september 2006;

? Deze beslissing is vastgelegd in het (schriftelijk) bindend advies van de commissie (verzonden op 20 oktober 2006), welk advies als productie 2 bij dagvaarding is overgelegd. De beslissing luidt als volgt:

“De ondernemer (ktr leest: eiseres) betaalt aan de consument (ktr leest: gedaagden) een vergoeding van € 5.910,00, zijnde € 3.910,00 voor de kastenwand en € 2.000,00 voor aspectverlies van de keuken. Voor zover van toepassing te verrekenen met het depotbedrag. Betaling zal plaats vinden binnen een maand na de verzending van dit bindend advies. De commissie wijst het meer of anders verlangde af. Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 115,00 aan de consument te vergoeden ter zake van klachtengeld. Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie als bijdrage in de behandelingkosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 500,00. Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag van € 5.841,50 als volgt verrekend. Het depotbedrag wordt aan de consument teruggestort.” ;

? Bij brief van 21 oktober 2006 (productie 4 bij CvD) van eiseres aan de commissie wijst eiseres op het feit, dat volgens haar de commissie ten onrechte heeft beslist, dat de aankoopkosten van de kastenwand ad € 3.910,00 dienen te worden terugbetaald. Dit omdat volgens haar deze kosten nooit door gedaagden (de consument) zijn voldaan. Genoemd bedrag is volgens eiseres ook niet in depot gestort zodat dit ook niet behoeft te worden gerestitueerd. Eiseres verzoekt de commissie haar beslissing ter zake aan te passen in die zin, dat met het wel in depot gestorte bedrag alleen het bedrag van € 2.000,00 wordt verrekend m.b.t. het aspectverlies van de keuken en het bedrag van € 115,00 aan klachtengeld. Het restant bedrag in het depot van € 3.726,50 verzoekt eiseres op haar rekening over te maken;

? Bij brief van 8 december 2005 (productie 4 bij dagvaarding) bericht de secretaris van de commissie aan eiseres, dat de commissie geen aanleiding ziet om op haar uitspraak terug te komen. Voorts wordt eiseres in deze brief gewezen op de mogelijkheid om binnen twee maanden na verzending van het bindend advies de uitspraak ter toetsing voor te leggen aan de burgerlijke rechter.

3.2 Met dagvaarding van gedaagden tegen 19 december 2006 heeft eiseres tijdig (binnen genoemde termijn van 2 maanden) de uitspraak ter toetsing voorgelegd aan de kantonrechter en is eiseres in zoverre ontvankelijk in haar vordering.

3.3 Bij repliek stelt eiseres, dat zij zich neerlegt bij de uitspraak van de commissie ten aanzien van de door de commissie vastgestelde bedragen welke in mindering moeten worden gebracht op de oorspronkelijke offerte, namelijk het gehele bedrag voor de kastenwand, € 2.000,00 voor aspectverlies van de keuken en € 115,00 aan klachtengeld. Volgens eiseres is de commissie echter bij haar berekening van de verkeerde uitgangspunten uitgegaan.

Op dat punt verzoekt eiseres het oordeel van de kantonrechter. In de opgave van het uiteindelijk verschuldigde bedrag van

€ 5.841,50 (zijnde de optelling van de factuur 06/AK416 en 06/AK418), zoals genoemd in de brief van 14 juni 2006 (productie 3 bij CvA), was volgens eiseres al rekening gehouden met een verlaging van de kosten voor de kastenwand tot € 1.700,00 volgens factuur 06/AK418. In de berekening van de commissie wordt volgens eiseres ten onrechte uitgegaan van het oorspronkelijke volledige bedrag volgens offerte van € 3.910,00. Deze vergissing van de commissie is volgens eiseres op te vatten als in strijd met de redelijkheid en billijkheid en het beroep van gedaagden om haar toch te houden aan dit advies van de commissie is volgens eiseres in strijd met de goede trouw. Eiseres benadrukt, dat gedaagden tot op dit moment niet meer hebben betaald dan het aanbetaalde bedrag van € 815,00. Conform het advies van de commissie behoeven gedaagden volgens eiseres niets voor de kastenwand te betalen. Dit betekent volgens eiseres, dat de factuur 06/AK418 volledig vervalt. Blijft volgens eiseres echter over de factuur 06/AK416, minus genoemde aanbetaling, zijnde een bedrag van € 4.141,50.

Op laatstgenoemd bedrag strekt volgens eiseres in mindering het bedrag van € 2.000,00 ter zake aspectverlies en een bedrag van € 115,00 aan klachtengeld, aldus resteert volgens eiseres het nog door gedaagden te betalen bedrag van

€ 2.026,50, te vermeerderen met rente.

3.4 Namens gedaagden wordt bij antwoord en bij dupliek allereerst benadrukt, dat het onderhavige bindend advies een species van een vaststellingsovereenkomst is en dat een dergelijke overeenkomst ook geldig is indien het in strijd mocht zijn met dwingend recht, tenzij het bindend advies tevens naar inhoud en/of strekking in strijd komt met de openbare orde of de goede zeden. De (kanton)rechter dient volgens gedaagden dan ook heel terughoudend te zijn in zijn toetsing. Verwijzend naar (onder meer) Asser Hartkamp concluderen gedaagden, dat het advies apert onjuist moet zijn, wil men met vrucht een beroep doen op de onverbindendheid. Volgens gedaagden is er in casu geen sprake van een apert onjuist advies. De onderhavige geschillencommissie heeft volgens gedaagden op basis van de aangeleverde gegevens advies gegeven, als gevolg waarvan volgens gedaagden aan de rechtsstrijd tussen partijen een einde is gekomen. Een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid dient de (kanton)rechter volgens gedaagden met de grootst mogelijke terughoudendheid te beoordelen. Voor zover een partij zich hierop beroept, moet volgens gedaagden dan wel de juiste grondslag worden gekozen. Volgens gedaagden stelt eiseres bij repliek weliswaar, dat de beweerdelijke vergissing aan de zijde van de commissie in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel in strijd met de goede trouw, maar laat eiseres na te stellen waarom dit zo is. Volgens gedaagden voldoet eiseres bij repliek andermaal niet aan haar stelplicht en zou om die reden de vordering van eiseres al moeten worden afgewezen. Daar komt volgens gedaagden bij, dat er geen sprake is van een vergissing. Voor zover de commissie al is uitgegaan van verkeerde uitgangspunten, is dit volgens gedaagden aan eiseres zelf te wijten. Zij heeft de commissie immers van informatie voorzien. Gedaagden stellen vast, dat eiseres (ook) in deze procedure met steeds wijzigende stellingen komt. Volgens gedaagden heeft eiseres bij de commissie gelegenheid genoeg gehad om haar stellingen te onderbouwen. Op basis van de ter beschikking staande gegevens heeft de commissie volgens gedaagden een rechtens juist bindend advies gegeven. Gedaagden bieden bewijs aan van hun stellingen.

3.5 De kantonrechter overweegt hieromtrent het navolgende. Vast staat, dat partijen het tussen hen bestaande geschil over de onderhavige overeenkomst hebben voorgelegd aan genoemde commissie voor een bindend advies. Deze commissie heeft ook daadwerkelijk beslist in het geschil en ter zake het overgelegde schriftelijke bindend advies aan partijen afgegeven. Deze vaststellingsovereenkomst is in beginsel onaantastbaar. Er kan zich niettemin de situatie voordoen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat partijen (of één van hen) gebonden zijn aan de beslissing die door genoemde commissie is genomen. In dat geval is de beslissing van de commissie vernietigbaar op grond van artikel 7:904 lid 1 BW. In feite is laatstgenoemd artikel geschreven met het oog op het bindend advies. In de wet is enigszins onduidelijk of artikel 7:904 lid 1 BW de toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW uitsluit. Wat hier ook van zij op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer NJ 1998, 382) kan worden geconcludeerd, dat alleen ernstige gebreken in de beslissing gebondenheid eraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. Deze ernstige gebreken zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de orde. De commissie heeft geoordeeld op basis van de (mede) door eiseres aangedragen gegevens. Indien deze gegevens onjuist dan wel niet volledig waren, is dat een omstandigheid die voor rekening van eiseres zelf komt. Dit maakt echter niet -zoals namens gedaagden terecht wordt opgemerkt- dat de commissie daarmee een rechtens niet juiste beslissing zou hebben genomen. Gelet op bovenstaande zal de kantonrechter de vordering van eiseres hierna meteen afwijzen.

3.6 Eiseres zal tevens als de volledig in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering van eiseres af;

veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, aan de zijde van gedaagden tot deze uitspraak begroot op € 300,00, als salaris voor de gemachtigde van gedaagden.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en bij vervroeging uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 23 mei 2007 in aanwezigheid van de griffier.

Conc. EvZ