Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA5601

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
159210 HAZA 06-651
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Koop en levering bouwgrond door gemeente. Het beding in algemene verkoopvoorwaarden waarbij de bouwonderneming wordt verplicht onder GIW-garantie te bouwen en te verkopen aan derden, is in strijd met artikel 122 van de Woningwet en derhalve nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2008/217 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

Team handelsrecht

zaaknummer / rolnummer: 159210 / HA ZA 06-651

Vonnis van 23 mei 2007

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE BREDA,

gevestigd te Breda,

eiseres,

procureur mr. E.C.M. Wagemakers,

advocaten mr. J.P.F.W. van Eijck en mr. P.W.H. van Wijmen,

tegen

[gedaagde],

wonende te Meer (België),

gedaagde,

procureur mr. C.M.J. Peeters.

Partijen zullen hierna ‘de Gemeente’ en ‘[gedaagde]’ genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 14,

- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5,

- de conclusie van repliek, met productie 15,

- de conclusie van dupliek, met producties 6 tot en met 10.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. De Gemeente vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens de Gemeente toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst;

II [gedaagde] veroordeelt de door de Gemeente als gevolg van deze tekortkoming te lijden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III [gedaagde] veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis aan de Gemeente te betalen de door [gedaagde] verbeurde contractuele boete ad totaal euro 480.000,--, inclusief de daarover verschuldigde rente op basis van artikel 6:119a BW vanaf de dag der ingebrekestelling althans de dag van dagvaarding tot en met de dag dat [gedaagde] het volledige bedrag heeft betaald aan de Gemeente;

IV [gedaagde] veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis aan de Gemeente de buitengerechtelijke kosten van euro 3.500,-- te betalen en [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de onderhavige procedure, met bepaling dat [gedaagde] over beide bedragen wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum van het ten dezen te wijzen vonnis tot en met de dag van algehele voldoening.

2.2. [gedaagde] weerspreekt de vordering.

3. De beoordeling

3.1. De volgende feiten staan in rechte vast:

a. Het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente en [gedaagde] hebben op 11 mei 2004 een overeenkomst gesloten ter zake de verkoop van diverse percelen grond door de Gemeente aan [gedaagde] in het project “Nieuw Wolfslaar Noord”. De koopprijs van de percelen grond bedraagt euro 4.800.000,-- exclusief BTW en kosten koper. Bij akte van 30 juni 2004 zijn de percelen aan [gedaagde] geleverd.

b. In de koopovereenkomst van 11 mei 2004 is – onder meer – het volgende bepaald:

“Burgemeester en wethouders van de gemeente Breda; (…)

besluiten:

A. aan [gedaagde] (…) ten behoeve van de bouw van 60 woningen (…) te verkopen:

diverse percelen grond met een totale oppervlakte van ± 15.172 m² (…)

B. te bepalen, dat op de verkoop van de onder A genoemde onroerende zaak, de navolgende voorwaarden van toepassing zijn:

I. de hoofdstukken 1, 2, en 3, alsmede artikel 5.4 van de Algemene verkoopvoorwaarden van de gemeente Breda 1999 (…)

Door ondertekening van dit conceptbesluit verklaart koper de voornoemde onroerende zaak tegen de vermelde prijs en voorwaarden van de gemeente te willen kopen. Tevens verklaart hij een exemplaar van de Algemene Verkoopvoorwaarden gemeente Breda 1999 te hebben ontvangen.”

c. In de Algemene Verkoopvoorwaarden 1999 van de Gemeente Breda (AV) is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“Artikel 2.15 Boetebepaling

a. Bij niet-nakoming van enige verplichting voortvloeiende uit de koopovereenkomst en het daarin van toepassing verklaarde deel van deze algemene verkoopvoorwaarden, verbeurt de koper, na ingebrekestelling en na verloop van de in die ingebrekestelling bepaalde termijn, ten behoeve van de gemeente een onmiddellijk opeisbare boete, tenzij op de betreffende niet-nakoming in enig artikel afzonderlijk een boete is gesteld, in welk geval de afzonderlijke boeteregeling van toepassing is.

b. De boete bedraagt:

1. tien procent van de koopprijs; dan wel

2. ƒ 250,-- voor elke niet of niet volledige nakoming of een gelijk bedrag per dag dat deze niet of niet volledige nakoming voortduurt; dit ter keuze van de gemeente.

c. Naast het gestelde in lid a van dit artikel behoudt de gemeente het recht om bij niet- of niet-volledige nakoming van enige verplichting op grond van de overeenkomst alsnog nakoming dan wel vergoeding van meer geleden schade te vorderen. (…)

Artikel 3.4 Bouwplicht

a. Koper is verplicht de onroerende zaak te bebouwen met de in de koopovereenkomst aangegeven bebouwing waarvoor de gemeente Breda een bouwvergunning heeft verleend of zal verlenen. (…)

Artikel 3.9 Stichting Garantie Instituut Woningbouw

Voorzover op de onroerende zaak koopwoningen worden gebouwd die zijn bestemd om te worden verkocht, is koper verplicht met de kopers van de door hem te bouwen woningen een koop-aannemings-overeenkomst te sluiten naar het model van de Stichting Garantie Instituut Woningbouw (G.I.W), of een gelijkwaardig instituut, van welk instituut de koper bij de oplevering van de woningen aan de kopers daarvan tevens een garantiecertificaat dient af te geven.”

d. De (particuliere) Stichting GIW heeft blijkens haar statuten d.d. 1 juli 1992 ten doel in het algemeen belang:

“a. een goede kwaliteit te bevorderen van de in Nederland te bouwen woningen, in het bijzonder die bestemd zijn om te worden bewoond door de eigenaren en daartoe waarborgen te verschaffen of te doen verschaffen en voorzieningen te treffen;

b. het vertrouwen te bevorderen tussen hen die bemoeiingen hebben bij het tot stand komen en leveren van vorengenoemde woningen en hen die deze woningen in eigendom verwerven.”

e. In de Garantie- en Waarborgregeling voor eengezinshuizen E.2003 van het GIW is in artikel 6 (Garantie, garantienormen en garantietermijn) – onder meer – het volgende bepaald:

“6.1 De ondernemer garandeert aan de verkrijger, met wie hij onder toepassing van deze regeling een over-eenkomst tot bouw of levering van een huis is aangegaan, dat het huis zal voldoen aan de hierna genoemde garantienormen.

6.2 Gegarandeerd wordt, dat de toegepaste constructies, materialen en onderdelen, en de installaties, onder redelijkerwijs te voorziene externe omstandigheden deugdelijk zijn en bruikbaar voor het doel waarvoor ze zijn bestemd; een en ander voor zover in deze regeling ter zake geen beperkingen zijn opgenomen.

6.3 Het huis voldoet aan de voor het desbetreffende huis toepasselijke eisen voor nieuwbouw gesteld in het Bouwbesluit. (…)

6.5 In de bij deze overeenkomst behorende bijlage A zijn de garantietermijnen voor verschillende onderde-len van het huis en uitsluitingen van de garantie, alsmede de eisen met betrekking tot verwarmingsinstalla-ties al dan niet gecombineerd met warmwaterinstallaties, opgenomen. (…)

6.6 Het huis zal de indeling hebben die tussen de ondernemer en de verkrijger is overeengekomen. De indeling, die onder verantwoordelijkheid van de ondernemer is of zal worden uitgevoerd, zal voldoen aan de daarvoor geldende eisen van het Bouwbesluit.”

In artikel 11 (Waarborg van de Aangesloten Organisatie in geval van Insolventie van de ondernemer voor ingang van de garantietermijn) is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“11.3 Indien tengevolge van insolventie de ondernemer in gebreke blijft om de verplichtingen uit hoofde van de koop-/aannemingsovereenkomst na te komen, wordt de verkrijger door de Aangesloten Organisatie schadeloos gesteld met inachtneming van de volgende voorwaarden en bepalingen.

De Aangesloten Organisatie heeft bij de schadeloosstelling de keuze uit de volgende opties:

a. de Aangesloten Organisatie betaalt de meerkosten voor de verkrijger voor het afbouwen van het huis ten opzichte van de oorspronkelijk overeengekomen koop-/aannneemsom;

b. de Aangesloten Organisatie betaalt de reeds door de verkrijger betaalde termijnen en overige betalin-gen ter zake van de verkrijging aan de verkrijger terug, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling tot de dag der voldoening.”

f. Ingevolge de GIW-regeling dient vanaf drie maanden na oplevering een garantie door de ondernemer te worden afgegeven van gemiddeld zes jaar voor de meeste onderdelen van de woning. Voor ernstige constructieve gebreken kan de garantietermijn oplopen tot tien jaar.

g. [gedaagde] heeft alle percelen grond doorverkocht aan Bouw- en Aannemingsbedrijf [X] te Etten-Leur (het bouwbedrijf). [gedaagde] is directeur van het bouwbedrijf. Van [X] B.V. (de holding) is enig aandeelhouder en bestuur-der van het bouwbedrijf. [gedaagde] houdt alle aandelen in de holding.

h. Het bouwbedrijf heeft de woningen aan derden verkocht en heeft daarbij geen gebruik gemaakt van een koop- en aannemingscontract overeenkomstig het model van de GIW. De woningen worden niet onder GIW-garantie gebouwd. Aan vijf van de zestig kopers heeft het bouwbedrijf in de plaats van de financiële insolventiewaarborg die voortvloeit uit de GIW een aanvullende bankgarantie verstrekt.

i. Bij brieven van 19 november 2004 en 16 december 2004 heeft de gemeente [gedaagde] in gebreke gesteld.

3.2. De Gemeente legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. De Gemeente stelt daartoe dat zij met [gedaagde] in privé een koopovereenkomst heeft gesloten ter zake van de levering van grond waarop een aantal woningen zouden worden gebouwd. In artikel 3.9 van de toepasselijke AV is neergelegd dat de te bouwen woningen onder GIW-garantie moeten worden gebouwd. Nu gebleken is dat zulks niet geschiedt, is sprake van een tekortkoming zijdens [gedaagde] in privé en is hij ingevolge artikel 2.15 van de AV aan de Gemeente een boete verschuldigd van euro 480.000,--, aldus de Gemeente. Zij stelt dat de gegronde vrees bestaat dat, indien zij niet zou overgaan tot het in rechte betrekken van [gedaagde], overige bouwers/projectontwikkelaars zich in de toekomst tegen deze voorwaarde zouden verzetten, zodat de Gemeente recht en belang heeft bij het instellen van onderhavige vorderingen.

3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Op zijn stellingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.4. Ingevolge artikel 5, eerste lid onder a, van de EEX-Verordening is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het geschil. Bij gebreke van een rechtskeuze tussen partijen is op grond van artikel 4, derde lid, van het EEG-Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) het Nederlandse recht op de overeenkomst van toepassing.

de toepasselijkheid van artikel 3.9 AV

3.5. [gedaagde] betwist dat artikel 3.9 AV van toepassing is op de overeenkomst van 11 mei 2004, aangezien de daarin neergelegde verplichting tot het sluiten van een koop- en aannemingsovereenkomst naar het GIW-model met de kopers van door hem te bouwen naar zijn aard niet oplegbaar is aan [gedaagde] als privé-persoon. Volgens [gedaagde] was het van aanvang af aan voor de Gemeente duidelijk dat hij handelde als particuliere belegger en dat hij de percelen zou doorverkopen aan een bouwbedrijf.

3.6. Dit verweer faalt.

Bij de uitleg van een overeenkomst is niet slechts de taalkundige betekenis van de daarin opgenomen bepalingen van belang, doch komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Weliswaar heeft de Gemeente – naar moet worden aangenomen bewust – met [gedaagde] in privé gecontracteerd, terwijl [gedaagde] niet zelf de woningen zou bouwen en verkopen, doch dat maakt in onderhavige omstandigheden nog niet dat artikel 3.9 AV in die verhouding toepassing mist. Reeds het feit dat het hier een groot aantal percelen ten behoeve van de bouw van aan derden te verkopen woningen betreft, anders dan een enkele bouwkavel ten behoeve van de bouw van één woning voor eigen gebruik, maakt dat de door [gedaagde] gemaakte vergelijking met die situatie niet opgaat. De Gemeente heeft aan de koper van het bouwterrein een bouwplicht opgelegd, evenals de verplichting om volgens het GIW-model te contracteren. Doel daarvan was dat de te realiseren woningen onder GIW-garantie zouden worden gebouwd. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de gemeente van [gedaagde] als koper, zoals reeds op voorhand bekend niet zijnde de daadwerkelijke bouwer, mocht verwachten dat hij er voor zou zorgen dat het door hem in te schakelen bouwbedrijf die voorwaarde ook naleeft. Dit temeer nu hij eigenaar en bestuurder is van het bouwbedrijf en een en ander zo ook feitelijk in zijn macht ligt. De stelling dat de Gemeente er niet op basis van het enkele van toepassing verklaren van de AV vanuit mocht gaan dat hij als privé-persoon ook aan artikel 3.9 AV zou voldoen, strookt tenslotte niet met het feit dat de in de artikelen 3.1 tot en met 3.8 AV opgenomen voorwaarden wel door het bouwbedrijf aan de kopers zijn doorge-legd, terwijl deze bepalingen zich blijkens de tekst eveneens richten tot de koper van het bouwterrein, tevens zijnde de bouwer van de op te richten bouwwerken. Klaarblijkelijk is er bewust voor gekozen de onderhavige verplichting niet door te leggen.

3.7. Bij conclusie van dupliek (sub 10) heeft [gedaagde] zich nog op het standpunt gesteld dat op de voet van artikel 6:237 onder j BW wordt vermoed dat het beding onredelijk bezwarend is, nu dit beding [gedaagde] als particuliere koper verplicht tot het sluiten van een overeenkomst met een derde. Zou al moeten worden aangenomen dat artikel 3.9 AV onder de werking van dit artikel valt, hetgeen in het midden blijft, dan nog geldt dat [gedaagde] hier niet kan worden aangemerkt als een consument. Ook al heeft hij in dezen als natuurlijke persoon gehandeld, de onderhavige overeenkomst betreft de uitwerking van een aan hem enkele jaren eerder toegekende bouwclaim voor een groot aantal woningen en kan ook in het licht van de hiervoor reeds vermelde feiten en omstandigheden niet worden be-schouwd als een overeenkomst die ook door particulieren ten behoeve van hun eigen gezins- of privégebruik pleegt te worden aangegaan. Artikel 6:237 BW mist derhalve toepassing.

de nietigheid ex artikel 3:40 BW jo. artikel 122 Woningwet

3.8. [gedaagde] heeft aangevoerd dat, nu het GIW primair als doelstelling heeft de bevordering van een goede kwaliteit van de in Nederland te bouwen woningen, de door de Gemeente opgelegde verplichting om te contracteren overeenkomstig het GIW-model een rechtshandeling is die valt onder het verbod van artikel 122 Woningwet. Artikel 3.9 AV is derhalve ingevolge artikel 3:40, tweede lid, BW nietig, aldus [gedaagde].

3.9. In artikel 122 Woningwet is bepaald dat de Gemeente geen rechtshandelingen naar burgerlijk recht kan verrichten ten aanzien van de onderwerpen waarin bij of krachtens het Bouwbesluit en het gewijzigde vergunningenregime van hoofdstuk IV van de Woningwet, in het bijzonder de bouwvergunning, is voorzien. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat dit artikel in de wet is opgenomen om te voorkomen dat gemeenten langs privaatrechte-lijke weg nog diverse (bouw)technische voorschriften zouden formuleren, die zij niet buiten het Bouwbesluit om via een andere publiekrechtelijke weg konden stellen, als gevolg waar-van de met voormelde regelingen beoogde deregulering gefrustreerd zou kunnen worden. Ingevolge artikel 2 Woningwet kunnen aldus geen nadere technische voorschriften worden gesteld ten aanzien van de in dat artikel genoemde doelen, te weten veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft artikel 3.9 AV – onder meer – via de GIW-regeling betrekking op het Bouwbesluit, zodat het beding valt onder de reikwijdte van het verbod van artikel 122 Woningwet. Daartoe overweegt zij als volgt.

3.10. Uitgangspunt is dat op de Gemeente de publiekrechtelijke taak rust om in het belang van de volkshuisvesting binnen haar huishouding zorg te dragen voor een voldoende woningaanbod van voldoende kwaliteit. Daartoe staan de Gemeente publiekrechtelijke middelen ten dienste, zoals de inzet van planologische instrumenten ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de toepassing en handhaving van de bij het Bouwbesluit gestelde technische eisen via het vergunningenstelsel. Daarnaast heeft de Gemeente – zoals kennelijk niet ongebruikelijk in de gemeentelijke praktijk – het ter realisering van deze doelstelling noodzakelijk geoordeeld om bouwers van woningen voor derden op bouwterreinen op haar grondgebied bij privaatrechtelijke koopovereenkomst te verplichten te bouwen onder GIW-garantie. Daarmee is volgens de Gemeente beoogd dat verbintenissen worden aangegaan met ondernemers die deugdelijke woningen opleveren, aangezien bepaalde kwaliteiten van de woning gegarandeerd zijn met als gevolg dat de ondernemer gebruik zal maken van hoogwaardige materialen, en vanwege de insolventiewaarborg wordt voorkomen dat door een faillissement van die ondernemer een achterstand in de bouw ontstaat.

3.11. Ter beoordeling van de vraag of het aan de koop verbinden van de in artikel 3.9 AV opgenomen voorwaarde om overeenkomstig het GIW-model te contracteren en te garanderen in strijd is met artikel 122 van de Woningwet, dient te worden beoordeeld of de GIW-regeling, en dan met name de daarin gestelde garantienormen, betrekking hebben op dezelfde onderwerpen als in het Bouwbesluit voorzien.

De Gemeente betwist dat dit het geval is en voert daartoe aan dat de GIW-garantie op veel meer ziet dan slechts op bouwtechnische voorwaarden. Het begrip “kwaliteit” in de zin van de GIW-garantie ziet op de eigenschappen die een zaak moet bezitten, in die zin dat deze door de ondernemer worden gegarandeerd, terwijl de in artikel 2 Woningwet genoemde doelen van het Bouwbesluit zien op bouwtechnische eisen en eigenschappen. Aangezien de publiekrechtelijke normen van het Bouwbesluit niet kunnen worden aangemerkt als civiel-rechtelijk afdwingbare garantienormen, bestaat er geen publiekrechtelijke garantie op een te bouwen woning. Het staat de Gemeente aldus vrij om een dergelijke garantie contractueel te bedingen, aldus de Gemeente.

3.12. Dat verweer faalt.

Uit de parlementaire geschiedenis van de herziening van de Woningwet en het Bouwbesluit volgt dat met de inwerkingtreding van het Bouwbesluit de – voordien door de gemeenten geformuleerde – technische bouwvoorschriften zijn geüniformeerd en gecentraliseerd om redenen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Het Bouwbesluit bevat minimumeisen – in de vorm van functionele eisen die daar waar mogelijk zijn uitgewerkt in concrete prestatie-voorschriften – waaraan een bouwwerk publiekrechtelijk gezien moet voldoen, wil daarvoor een bouwvergunning worden verleend. Bouwtechnische voorschriften zijn voorschriften die aangeven op welke wijze de constructie van een bouwwerk moet worden gemaakt en waar-aan de daarin aangebrachte technische voorzieningen moeten voldoen. Uit het een en ander volgt dat een publiekrechtelijk minimum aan kwaliteit wordt gewaarborgd, in het bijzonder betrekking hebbend op de in artikel 2 Woningwet genoemde doelen, hetgeen overigens aan een door de bouwer gewenste hogere kwaliteit niet in de weg staat. Deze minimum kwaliteit wettigt het afdwingen ervan door de overheid, zo heeft de wetgever bepaald, terwijl de wens tot en de realisering van een verdergaand kwaliteitsniveau is overgelaten aan de markt.

3.13. Weliswaar moet met de Gemeente worden vastgesteld dat het Bouwbesluit geen civielrechtelijke garantienormen bevat, dit biedt evenwel geen grond voor de Gemeente om middels het contractueel opleggen van de GIW-normen een verdergaand kwaliteitsniveau na te streven dan de wetgever heeft beoogd en publiek-rechtelijk is geregeld, terwijl zulks gelet op de gestelde doelstelling wel haar oogmerk is geweest. Immers, niet alleen dienen de te bouwen woningen ingevolge de Woningwet te voldoen aan de in het Bouwbesluit neerge-legde voorschriften, daarenboven dient de ondernemer jegens de koper een bouwkundige kwaliteitsgarantie af te geven door te garanderen dat het bouwwerk als zodanig aan het Bouwbesluit voldoet én daarbij dat bepaalde in het Bouwbesluit geregelde eisen en eigen-schappen gedurende een bepaalde termijn zijn gegarandeerd. Door de verwijzingen naar NEN-normen en kwaliteitsverklaringen is in het Bouwbesluit reeds voorzien in een bepaald kwaliteitsniveau, terwijl de wetgever er nadrukkelijk voor heeft gekozen niet verder te gaan dan dat bouwkundige minimum. Bij de totstandkoming van die normen en oordelen over de gebruikswaarde van bouwmaterialen, bouwdelen en bouwconstructies speelt een belang als duurzaamheid al een rol van betekenis. Zou het bouwplan niet aan deze vereisten voldoen, met als gevolg dat het minimum kwaliteitsniveau niet zou worden behaald, wordt er geen bouwvergunning verleend. Indien de ondernemer het bouwplan in afwijking van de vergun-ning – en in strijd met het Bouwbesluit – uitvoert, heeft de Gemeente de beschikking over een wettelijk handhavingsinstrumentarium. Gezien de wetsgeschiedenis en de systematiek van de Woningwet eindigen daar de taken en de bevoegdheden van de Gemeente. Dat het merendeel van de gemeenten in Nederland in de contracten ter zake van de verkoop van bouwterreinen een aan artikel 3.9 AV gelijke bepaling opneemt, maakt het voorgaande niet anders. Dit temeer niet nu de Gemeente heeft betoogd dat deze praktijk – in elk geval bij de Gemeente – reeds sedert 1979 bestaat en het huidige artikel 122 Woningwet eerst bij de herziening van de Woningwet in 1992 is ingevoerd.

3.14. Door [gedaagde] bij de onderhavige koopovereenkomst te verplichten onder GIW-garantie te bouwen en te verkopen, heeft de Gemeente in strijd met artikel 122 Woningwet gehandeld, met als gevolg dat artikel 3.9 AV ingevolge artikel 3:40, tweede lid, nietig is. Van wanprestatie op de door de Gemeente aangevoerde gronden kan derhalve geen sprake zijn. De overige stellingen en weren van partijen behoeven zodoende geen verdere bespreking.

3.15. De vorderingen van de Gemeente liggen derhalve voor afwijzing gereed. Zij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Nu [gedaagde] zulks heeft verzocht, zal de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van eiseres af;

veroordeelt eiseres in de kosten van het geding, deze voor zover aan de zijde van gedaagde gevallen tot op heden begroot op euro 6.280,--, waaronder begrepen een bedrag van euro 5.160,-- aan procureurssalaris;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Vincent, mr. Van Noort en mr. Van Lanen en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2007.