Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA4927

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
11-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/2251
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"De voorperiode waarin de digra van BV X ten behoeve van BV X i.o. arbeid heeft verricht kan als diensttijd bij de bepaling van de hoogte van de pensioenvoorziening in aanmerking genomen worden.

BV X is op 30 november 2001 door Y opgericht. De voorperiode heeft geduurd vanaf 1 januari 1996 tot datum oprichting BV X. De pensioenvoorziening ten behoeve van Y (directeur en enig aandeelhouder) is berekend met in achtneming van een diensttijd die aanvangt op 1 januari 1996 (aanvang voorperiode). In geschil is of de pensioenlast die in het jaar 2001 is genomen onzakelijk en niet aftrekbaar van de winst van BV X is voorzover deze is gebaseerd op de dienstjaren die zijn toegerekend aan de voorperiode. De rechtbank is van oordeel dat in de op 30 november 2001 opgemaakte pensioenovereenkomst werkgever (BV X) en werknemer (Y) overeengekomen zijn dat de diensttijd voor de berekening van de pensioenvoorziening zal aanvangen op 1 januari 1996. Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 7 mei 1980 (BNB 1980/274) en 1 juli 1981 (BNB 1981/247) is de toegezegde diensttijd vanaf datum aanvang voorperiode in de vennootschapsbelasting fiscaal aanvaardbaar omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de totale abeidsbeloning, inclusief de toegezegde pensioenrechten, dermate hoog zijn dat geconcludeerd moet worden dat de lasten geheel of ten dele zijn genomen ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van Y. Dat uit het bepaalde in artikel 10a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zou voortvloeien dat een zuivere pensioenregeling niet mogelijk is als een voorperiode meetelt als diensttijd doet aan het voorgaande niet af. Beroep gegrond"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/35.2.2
FutD 2007-0932
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2251

Uitspraakdatum: 22 maart 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 20 maart 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2001 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 94.135.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2007 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van nihil;

- stelt het te verrekenen verlies 2001 vast op € 25.503;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is opgericht bij notariële akte van 30 november 2001. Haar directeur-enig aandeelhouder, [directeur], heeft ter storting op de aandelen zijn voorheen gedreven onderneming ingebracht. De resultaten van die onderneming worden vanaf 1 januari 1996 aan belanghebbende toegerekend.

2.2. [directeur] heeft vanaf het begin van de voorperiode (1 januari 1996) tot het einde daarvan (30 november 2001) arbeid verricht en heeft daarvoor van belanghebbende, als B.V. in oprichting, jaarlijks een beloning van € 72.605 verkregen.

2.3. Belanghebbende en [directeur], als respectievelijk werkgever en werknemer, hebben op 30 november 2001 een pensioenovereenkomst gesloten. De in deze procedure van belang zijnde bepalingen daarvan luiden als volgt:

"Artikel 2: Hoogte van de toegezegde pensioenen

1. Basispensioengrondslag

(…)

De basispensioengrondslag is gelijk aan het jaarsalaris van de werknemer verminderd met 8/7 maal de som van het jaarlijks AOW-pensioen van man en vrouw, zoals dit luidt op 31 december van het jaar van vaststelling van de pensioengrondslag.

(…)

2. Grootte van het ouderdomspensioen

Het jaarlijkse ouderdomspensioen bedraagt evenveel malen 2% van de voor de werknemer het laatst voor de pensioendatum vastgestelde pensioengrondslag als er jaren liggen tussen de aanvangsdatum en de pensioendatum.

(…)”.

2.4. Belanghebbende heeft in het kader van deze pensioenovereenkomst een pensioenvoorziening gevormd welke per 31 december 2001 is gewaardeerd op € 129.367. Dit bedrag is in zijn geheel in 2001 ten laste van de winst gebracht.

2.5. De pensioenvoorziening is op grond van een eindloonstelsel gewaardeerd met in achtneming van een diensttijd die is aangevangen per 1 januari 1996. Ook is rekening gehouden met een inbouw van de zogenaamde ongehuwden AOW.

2.6. In geschil is of de pensioenlast geheel danwel ten dele als onzakelijk aangemerkt dient te worden. De inspecteur is de mening toegedaan dat de voorperiode niet kan meetellen als diensttijd ter bepaling van de hoogte van het pensioen. Enerzijds omdat zij vindt dat dit niet is toegezegd en anderzijds omdat artikel 10a, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) dit niet toelaat. Voor het geval de pensioenvoorziening berekend dient te worden met in achtneming van het door belanghebbende bepleite aantal dienstjaren zijn partijen het erover eens dat de pensioenvoorziening per 31 december 2001 gewaardeerd dient te worden op € 121.149.

2.7. Belanghebbende is de mening toegedaan dat ook pensioenopbouw over de jaren van de voorperiode bij de pensioenovereenkomst is toegezegd en daarnaast dat op basis van het Besluit van 22 april 2004, nr. CPP2003/2794M, gepubliceerd in V-N 2004/23.12, de voorperiode wel mag meetellen als diensttijd omdat de voorperiode vóór 1 juni 1999 is aangevangen.

2.8. Ter zitting heeft belanghebbende, zonder bezwaar van de inspecteur, (delen van)

commerciële jaarstukken van belanghebbende ingebracht. Deze jaarstukken omvatten alle jaren van de voorperiode en laten alle een pensioenvoorziening aan het einde van het kalenderjaar/boekjaar zien. De jaarstukken over het jaar 1996 zijn gedateerd op 7 juni 1997. Op basis van deze jaarstukken en de niet door de inspecteur weersproken verklaring ter zitting dat deze jaarstukken jaarlijks aan de bank dienden te worden verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende in de voorperiode als B.V. in oprichting het stellig voornemen had aan [directeur] een pensioen toe te kennen.

2.9. In de in 2.3 aangehaalde tekst van de pensioenovereenkomst (artikel 2, lid 2) wordt de diensttijd berekend vanaf het "aanvangstijdstip" welk begrip in de pensioenovereenkomst niet nader wordt gedefinieerd. In het licht van het in 2.8 gegeven oordeel en het voor meerderlei uitleg vatbare begrip "aanvangstijdstip" is de rechtbank van oordeel dat werkgever en werknemer overeengekomen zijn de diensttijd voor de berekening van de pensioenvoorziening ten behoeve van [directeur] aan te laten vangen op 1 januari 1996 en zij daar ook uitvoering aan hebben gegeven gezien de in 2.8 genoemde jaarrekeningen en de door belanghebbende berekende pensioenvoorziening per ultimo 2001.

2.10. De volgende vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of artikel 18g van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto artikel 10a, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit met zich meebrengt dat belanghebbende een onzakelijke pensioenlast neemt voorzover die gebaseerd is op dienstjaren gedurende de voorperiode van belanghebbende.

2.11. De rechtbank is van oordeel dat, los van de vraag of artikel 10a van het Uitvoeringsbesluit een dergelijke beperking kent, dit bij de beoordeling van de vraag of de pensioenlast als onzakelijk dient te worden aangemerkt niet van belang is. Voor de heffing van vennootschapsbelasting is louter van belang of de totale arbeidsbeloning van [directeur], inclusief de aan hem toegezegde pensioenrechten, dermate hoog is dat geconcludeerd moet worden dat de lasten geheel of ten dele zijn gemaakt ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van [directeur]. De inspecteur, op wie ten deze de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de arbeidsbeloning, inclusief het toekennen van pensioenrechten over de voorperiode, dermate hoog is dat de pensioenlast niet ten laste van het resultaat gebracht kan worden.

2.12. Gelet op de naar het oordeel van de rechtbank nog steeds gelding hebbende arresten van de Hoge Raad van 7 mei 1980 en 1 juli 1981, gepubliceerd in respectievelijk BNB 1980/274 en BNB 1981/247 is de onderhavige pensioenvoorziening, welke rekening houdt met een toegezegde diensttijd vanaf datum aanvang voorperiode, aftrekbaar van de belastbare winst.

2.13. Gelet op hetgeen in 2.6 is verwoord, dient de pensioenvoorziening dan te worden gewaardeerd op € 121.149. Het door de inspecteur vastgestelde belastbare bedrag ad € 94.135 dient te worden verminderd met het verschil tussen de waarde van de pensioenvoorziening per 31 december 2001 ad € 121.149 en het door de inspecteur in aftrek toegelaten bedrag van € 1.511, zodat per saldo een te verrekenen verlies 2001 resteert van € 25.503.

2.14. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.15. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 22 maart 2007 door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. drs. G.H.C. Blommers, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.