Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA4921

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
11-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/1894
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende handelaar in aardolieproducten, had in haar accijnsgoederenplaats “rode gasolie” opgeslagen. Volgens analyse van een door de douane genomen monster was het gehalte aan herkenningsmiddel solvent yellow minder dan de norm van 6 gram per 1000 liter. Ten tijde van de uitslag van het onderzoek was alle olie al uitgeslagen, deels met toepassing van het lage accijnstarief, deels onder schorsing van accijns (naar een buitenlandse handelaar en naar een andere AGP). Er werd accijns nageheven naar het hoge tarief en een verzuimboete opgelegd. De rechtbank liet de naheffingsaanslag en de boete in stand. Niet aannemelijk was dat de fout met solvent yellow door de leverancier van belanghebbende was gemaakt. De monsterneming door de douane was correct, nu een medewerker van belanghebbende daarvoor had getekend. Er was geen reden te twijfelen aan de uitslag van de analyse door het douanelaboratorium. Wel vond de rechtbank het ongelukkig dat de inspecteur bij de uitslag van het laboratorium had vermeld dat daartegen geen bezwaar en beroep mogelijk was, maar belanghebbende had uit het rapport va het laboratorium moeten begrijpen dat zij een contra-expertise kon vragen en was derhalve niet in haar verdediging geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1894

Uitspraakdatum: 16 maart 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 november 2004 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag accijns van minerale oliën opgelegd van € 194.646,86, een naheffingsaanslag voorraadheffing van € 560,60 alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 4.537.

1.2. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 12 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 13 april 2006, beroep ingesteld. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 12 mei 2006. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 281.

1.4. De inspecteur heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007 te Breda. Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen alsmede van het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, inmiddels genaamd [BV]., handelt in aardolie, gas en gasprodukten. Aan belanghebbende is in 1993 een vergunning accijnsgoederenplaats (AGP) verleend op grond waarvan zij onder schorsing van accijns minerale oliën kan opslaan, ontvangen en verzenden, bepaalde vervaardigingshandelingen kan verrichten waaronder het toevoegen van herkenningsmiddelen alsmede zonder accijnsgoederendocument (AGD) minerale oliën kan vervoeren naar een andere AGP.

2.2. Op 12 oktober 2004 heeft [Raffinaderij] bij belanghebbende onder schorsing van accijns afgeleverd in tank 1078 (tank 11) 709.528 liter gasolie, in het afleverdocument omschreven als “Gasolie rood”. Bij de aflevering was gevoegd een “Certificate of Analysis”. Het certificaat vermeldt niets omtrent de aanwezigheid van Solvent Yellow 124 (Solvent Yellow), het herkenningsmiddel dat, naast rode kleurstof, aan gasolie moet zijn toegevoegd als kenmerk van laagbelaste (rode) gasolie.

2.3. Op 22 oktober 2004 heeft [Raffinaderij] bij belanghebbende onder schorsing van accijns afgeleverd in tank 1078 (tank 11) 699.943 liter gasolie, in het afleverdocument omschreven als “Gasolie rood”. Bij de aflevering was gevoegd een “Certificate of Analysis” waarop staat vermeld een gehalte aan Solvent Yellow van 6 tot 9 milligram per liter.

2.4. Op 15, 16 en 17 november is namens de inspecteur een controle uitgevoerd bij belanghebbende. Daarbij is onder meer van de inhoud van tank 11 een monster genomen. De tank bevatte op dat moment nog 605.541 liter gasolie (bij een temperatuur van 15 graden). Bij onderzoek in het Douane laboratorium is geconstateerd dat het gehalte Solvent Yellow per 1000 liter 5.1 gram beliep. De inspecteur heeft de uitslag van het monsteronderzoek op 9 februari 2005 aan belanghebbende toegezonden. In de brief staat onder meer:

“Tegen de uitslag van dit monsteronderzoek is geen bezwaar mogelijk. De uitslag van het monsteronderzoek kan leiden tot naheffing of teruggaaf accijns of verbruiksbelasting. Binnen enkele weken wordt u dan een naheffingsaanslag of teruggaafbeschikking toegezonden.”

Bij de brief waren twee bijlagen gevoegd. Eén daarvan was het rapport van het laboratorium. In dat rapport staat onder meer vermeld:

“ Deze olie bevat herkenningsmiddelen, maar minder dan is voorgeschreven voor laagbelaste doeleinden (Art 27, lid 3 van de Wet op de Accijns en art 13, lid 1 en 2 van de uitvoeringsregeling accijns). (…)

Opmerkingen: (…)

Het restant van het onderzochte monster wordt tot 04-02-05 in het laboratorium bewaard. Er zijn nog contramonster(s) beschikbaar in de centrale monsteropslag. Deze wordt(en) bewaard tot 12-05-05.”

2.5. Naar aanleiding van de uitslag van het laboratoriumonderzoek heeft de inspecteur in 2005 een nader onderzoek ingesteld. Daarbij bleek dat de ten tijde van de monstername in tank 11 aanwezige 605.541 liter gasolie geheel was uitgeslagen in november en december 2004:

? 499.767 liter was uitgeslagen met betaling van accijns als bedoeld in artikel 27, lid 3, WA als laagbelaste (rode) gasolie;

? 14.040 liter was uitgeslagen zonder geleidedocument naar een andere AGP;

? 91.734 liter was uitgeslagen op administratieve geleidedocumenten naar een brandstoffenhandel in België.

De inspecteur heeft vervolgens de litigieuze naheffingsaanslagen opgelegd waarbij voor 499.767 liter is nageheven het verschil tussen het accijnstarief van artikel 27, eerste lid, WA voor “normale” gasolie en het tarief van voor laagbelaste gasolie van artikel 27, derde lid, WA, en voor de overige 105.774 liter accijns naar het tarief van artikel 27, eerste lid, WA. Tevens is een naheffingsaanslag voorraadheffing als bedoeld in artikel 22 van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001(Stb. 2001, 155) opgelegd.

3. Geschil

3.1. In geschil is (i) of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd of dat deze opgelegd had moeten worden aan [Raffinaderij] als leverancier van de olie, (ii) of de uitslag van het onderzoek van het monster in het Douanelaboratorium als basis voor de aanslagen kan dienen, (iii) of terecht ook is nageheven voor zover sprake is geweest van uitslag onder schorsing van accijns, (iv) of de inspecteur belanghebbende had moeten waarschuwen voor gebreken bij leveranties door [Raffinaderij] en (v) of naheffing moet afstuiten op de omstandigheid dat de gasolie uiteindelijk is gebruikt voor in artikel 27, derde lid, WA genoemde bestemmingen. Tevens is de boete in geschil. De berekening van de aanslagen is niet in geschil.

3.2. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, van de naheffingsaanslagen en van de boete. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukke alsmede hetgeen zij daar ter zitting aan hebben toegevoegd, zoals vermeld in het proces-verbaal.

4. Beoordeling van het geschil

De naheffingsaanslag accijns

4.1. Artikel 27, derde lid, WA bepaalt, voor zover te dezen van belang, dat de accijns voor gasolie die is bestemd voor ander gebruik dan voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen of voor de voortstuwing van luchtvaartuigen en die daartoe is voorzien van bij ministeriële regeling, onder daarbij te stellen voorwaarden, voorgeschreven herkenningsmiddelen, per 1 000 L bij een temperatuur van 15° C, in afwijking van het normale tarief van artikel 27, eerste lid, WA, € 46,56 bedraagt. Artikel 13 Uitvoeringsregeling accijns bepaalt dat als herkenningsmiddel, bedoeld in artikel 27, derde lid, WA aan gasolie en lichte stookolie moet worden toegevoegd: per 1 000 L ten minste 6 g en niet meer dan 9 g Solvent Yellow 124 en aan lichte gasolie mede een voldoende hoeveelheid kleursel om aan de gasolie een goed zichtbare en blijvende rode kleur te geven. De eis dat het gehalte Solvent Yellow ten minste 6 en niet meer dan 9 gram per 1000 liter moet bedragen, komt overeen met hetgeen terzake is vastgesteld bij besluit van de Europese Commissie van 13 juli 2001 (2001/574/EC).

4.2. De rechtbank zal eerst onderzoeken of de inspecteur heeft bewezen dat het gehalte aan Solvent Yellow in de gasolie in tank 11 onvoldoende was.

4.2.1. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de monsterneming niet correct is verlopen. Anders dan in het communautaire douanerecht, waarin is bepaald dat de aangever krachtens het recht heeft om bij de monsterneming en het onderzoek aanwezig te zijn (artikel 69, tweede lid, van het CDW) en dat de douaneautoriteiten de aangever of diens vertegenwoordiger in kennis stellen van hun besluit om monsters te nemen (artikel 242 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993, houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het douanewetboek, PB L 253, blz. 1) bevat de WA geen dwingende regels omtrent het nemen van monsters. Artikel 84 WA bepaalt slechts dat de inspecteur kan vorderen dat van goederen één of meer monsters worden verstrekt. In het onderhavige geval hebben blijkbaar de controleurs zelf monsters genomen. [medewerker], medewerker van belanghebbende, heeft zich blijkens de tot de stukken behorende verklaring akkoord verklaard met de wijze van monsterneming. Naar het oordeel van de rechtbank is monsterneming door de inspecteur op zichzelf niet in strijd met het bepaalde van artikel 84 WA nu dat artikel openlaat op welke wijze en door wie het monster moet worden genomen. De rechtbank heeft ook geen reden om aan te nemen dat belanghebbende door de gang van zaken is benadeeld. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te bepalen dat, zoals belanghebbende voorstaat, het monster niet mag worden gebruikt voor het bewijs van het gehalte aan Solvent Yellow in de gasolie in de tank.

4.2.2. Belanghebbende heeft ook gesteld dat het monster dat voor de bepaling van het gehalte aan Solvent Yellow was gebruikt, ten onrechte niet is bewaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende voldoende mogelijkheid gehad om, met behulp van het reservemonster dat blijkens het laboratoriumrapport tot mei 200 5is bewaard, een contra-expertise te laten uitvoeren. Niet is gesteld of gebleken dat er zich ten aanzien van het gehalte aan Solvent Yellow in de gasolie verschillen kunnen voordoen tussen twee van dezelfde tank genomen monsters, zodat aangenomen kan worden dat het reservemonster dezelfde kenmerken had als het door het laboratorium beoordeelde monster.

4.2.3. De rechtbank is met belanghebbende van oordeel dat de opmerking in de brief van de inspecteur waarbij de laboratoriumuitslag werd meegedeeld, dat tegen die uitslag geen bezwaar en beroep mogelijk was, hoewel formeel juist, hoogst ongelukkig is omdat deze mededeling de indruk wekt dat de uitslag op geen enkele wijze aanvechtbaar is. De uitslag is immers voor de belastingplichtige wel controleerbaar en aanvechtbaar, doordat deze een contra-expertise kan laten verrichten aan de hand van het reservemonster. De rechtbank is echter van oordeel dat het belanghebbende uit de opmerking onder het laboratoriumrapport omtrent de aanwezigheid van een reservemonster en de tijdspanne waarin dat reservemonster zou worden bewaard, voldoende duidelijk moet zijn geweest dat het doen verrichten van een contra-expertise tot de mogelijkheden behoorde zodat belanghebbende door de aangehaalde opmerking in de brief van de inspecteur niet in haar procespositie is geschaad.

4.2.4. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de uitslag van het Douanelaboratorium dat het gehalte Solvent Yellow in het onderzochte monster uit tank 11 lager was dan was vereist. Partijen hebben weliswaar rapporten overgelegd (een rapport van de Europese Commissie uit 2004 en een gedeelte – de oneven pagina’s - van een Evaluatie ringonderzoek uit 2006) waaruit valt af te leiden dat bij onderzoek van gasolie met de in casu door het Douanelaboratorium gebruikte methode, sprake kan zijn van enige afwijking in de uitkomsten, maar daarmee heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat die verschillen zo groot zijn dat bij een bevonden gehalte van 5,1 gram per 1000 liter het feitelijke gehalte aan Solvent Yellow 6 gram per liter zou kunnen zijn. In elk geval valt uit die rapporten niet af te leiden dat de door het laboratorium gebruikte methode ondeugdelijk zou zijn. Integendeel: blijkens de rapporten zijn ook de daarin beschreven testen grotendeels volgens diezelfde methode uitgevoerd.

4.2.5. Het onder 4.2.1. tot en met 4.2.4. overwogene leidt tot conclusie de voldoende aannemelijk is dat de ten tijde van de monsterneming in tank 11 aanwezige gasolie qua gehalte aan Solvent Yellow niet voldeed aan de wettelijke eis zodat, ondanks de rode kleur, geen sprake was van laagbelaste gasolie als bedoeld in artikel 27, derde lid WA.

4.3. Voor dat geval is in geschil aan wie een (eventuele) naheffingsaanslag naar het tarief van artikel 27, eerste lid, WA moest worden opgelegd.

4.3.1. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag had moeten worden opgelegd aan [Raffinaderij] omdat [Raffinaderij] de gasolie aan haar heeft geleverd. De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de door [Raffinaderij] aan belanghebbende geleverde “rode gasolie” een te laag gehalte aan Solvent Yellow bevatte. Voor wat betreft de lading die op 22 oktober 2004 is geleverd, spreekt het door [Raffinaderij] meegeleverde analyserapport van een gehalte aan Solvent Yellow van 6 tot 9 milligram per liter, dus binnen de norm van het Uitvoeringsregeling. Bij de lading van 12 oktober 2004 was geen analyserapport gevoegd maar belanghebbende heeft zelf ook geen analyse laten doen. De enkele stelling van belanghebbende dat beide leveringen van [Raffinaderij] in dezelfde tank hebben plaatsgevonden, is onvoldoende bewijs dat in één of beide leveringen niet het vereiste gehalte aan Solvent Yellow aanwezig was.

4.3.2. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de inspecteur zich met recht op het standpunt kon stellen dat bij [Raffinaderij] in verband met de levering van de onderhavige gasolie geen accijns kon worden nageheven.

4.4. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat de uitslag van het onderzoek niet gebruikt mag worden als basis van de naheffingsaanslag.

4.4.1. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet in strijd heeft gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur door belanghebbende niet in te lichten over eerdere onregelmatigheden die met rode gasolie van [Raffinaderij] waren geconstateerd. In de eerste plaats niet omdat belanghebbende zelf al een keer was geconfronteerd, in België, met twijfel over het gehalte aan Solvent Yellow in door [Raffinaderij] geleverde gasolie en daarover ook contact met de inspectie had opgenomen, zodat belanghebbende geacht kon worden op de hoogte te zijn van de mogelijkheid van onregelmatigheden. In de tweede plaats niet omdat het verstrekken van dergelijke informatie in strijd zou komen met de geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR.

4.4.2. De rechtbank acht aannemelijk dat bij het nemen van de monsters die tot de onderhavige naheffingsaanslag hebben geleid, sprake was van een reguliere controle en niet van een controle die expliciet gericht was op leveringen van gasolie door [Raffinaderij]. Er zijn immers meerdere monsters genomen uit meerdere tanks, waaronder ook tanks met niet-rode gasolie. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat reguliere controles pleegden plaats te vinden. Belanghebbende had als professionele marktpartij moeten begrijpen dat het nemen van een monster van rode gasolie zou worden gevolgd door een onderzoek of die olie aan de wettelijke voorwaarden voldeed en had ook zelf een onderzoek daarnaar kunnen (laten) instellen. Aan de inspecteur kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden verweten dat hij belanghebbende daar niet expliciet over heeft geïnformeerd.

4.4.3. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek naar de gasolie in het Douanelaboratorium niet onrechtmatig laat is verricht en dat de uitslag daarvan niet onrechtmatig laat aan belanghebbende is medegedeeld. Belanghebbende stelt terecht dat zij, op het moment dat zij de uitslag vernam, niets meer kon doen aan het te lage gehalte aan Solvent Yellow doordat alle gasolie toen al was uitgeslagen. Zoals hiervoor is overwogen had zij echter wel, vóór de uitslag, zelf een onderzoek naar het gehalte aan Solvent Yellow kunnen (laten) instellen. Ook had zij met uitslag van de gasolie kunnen wachten tot de uitslag van het onderzoek bekend was.

4.5. Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de inspecteur terecht de onderhavige naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd. In geschil is dan nog of van belang is dat de olie uiteindelijk wel gebruikt is voor laagbelaste doeleinden, en of de aanslag mede betrekking kan hebben op onder schorsing van accijns uitgeslagen gasolie.

4.5.1. Zoals onder 4.2.5. is overwogen, is de onderhavige gasolie niet aan te merken als laagbelaste gasolie als bedoeld in artikel 27, derde lid WA. Derhalve heeft de hoofdregel te gelden dat bij uitslag van de gasolie accijns verschuldigd is naar het normale tarief van artikel 27, eerste lid, WA, ongeacht het gebruik van de gasolie door de afnemer. Belanghebbende heeft geen recht op teruggaaf van het verschil tussen de naheffingsaanslag en de accijns die verschuldigd zou zijn bij toepassing van het lage tarief van artikel 27, derde lid, WA nu teruggaaf, krachtens het bepaalde van artikel 70, eerste lid, onderdeel d, en vierde lid, WA, uitsluitend wordt verleend aan degene die de gasolie heeft verbruikt.

4.5.2. Artikel 2, derde lid, WA bepaalt dat als uitslag niet wordt aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar een andere accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen. Op grond van artikel 2, vijfde lid, Uitvoeringsbesluit accijns (het Besluit) kan daarbij onder voorwaarden een geleidedocument achterwege blijven. Aan belanghebbende is blijkens de voorwaarden AGP toestemming verleend van deze mogelijkheid gebruik te maken. Zij dient bij de aangifte een opgaaf te doen van de in het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft zonder geleidedocument overgebrachte accijnsgoederen. De opgaaf dient ingevolge artikel 2, zesde lid, van het Besluit onder meer te bevatten de soort accijnsgoederen.

4.5.3. Belanghebbende heeft 14.040 liter van de in tank 11 opgeslagen gasolie zonder geleidedocument onder schorsing van accijns uitgeslagen naar een andere AGP. Door belanghebbende is op de opgaaf vermeld dat sprake was van “gasolie v.z.v. herkenningsmiddelen. De rechtbank deelt de zienswijze van de inspecteur dat de betiteling “gasolie v.z.v. herkenningsmiddelen” niet anders begrepen kan worden dan als gasolie voorzien van herkenningsmiddelen als bedoeld in artikel 27, derde lid, WA of, in het spraakgebruik, laagbelaste rode gasolie. Nu, naar de rechtbank onder 4.2.5. heeft geoordeeld, daarvan geen sprake was, is op de opgaaf een onjuiste gasoliesoort vermeld. De mogelijkheid van uitslag met schorsing van accijns is een uitzondering op de hoofdregel dat bij uitslag van accijnsgoederen steeds accijns verschuldigd is. De rechtbank is van oordeel dat de eis dat het juiste goed op de opgaaf wordt vermeld van zodanig belang is, alleen al ter voorkoming van misbruik van de regeling, dat het niet voldoen aan die voorwaarde ertoe moet leiden dat de regeling van uitslag met schorsing van accijns voor de betrokken goederen niet geldt en dat wordt teruggevallen op de hoofdregel dat bij uitslag accijns verschuldigd is. Derhalve is hiervoor terecht van belanghebbende accijns nageheven.

4.5.4. Voor de 91.734 liter die onder schorsing van accijns is uitgeslagen op administratieve geleidedocumenten naar een brandstoffenhandel in België, luidt het oordeel hetzelfde. Voorwaarde voor de overbrenging onder schorsing van accijns is in die gevallen immers dat op het geleidedocument vermeld wordt “de commerciële omschrijving van de goederen”. Belanghebbende heeft als goederenomschrijving ingevuld “gasolie rood, gasolie voorzien van herkenningsmiddelen” waarmee, naar de rechtbank niet voor twijfel vatbaar acht, is bedoeld laagbelaste rode gasolie. Belanghebbende heeft op de geleidedocumenten derhalve een onjuiste oliesoort vermeld. Ook hier geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de eis dat het juiste goed op het geleidedocument wordt vermeld van zodanig belang is, alleen al ter voorkoming van misbruik van de regeling, dat het niet voldoen aan die voorwaarde ertoe moet leiden dat de regeling van uitslag met schorsing van accijns voor de betrokken goederen niet geldt en dat wordt teruggevallen op de hoofdregel dat bij uitslag accijns verschuldigd is. De naheffingsaanslag is ook voor deze zendingen terecht opgelegd.

De naheffingsaanslag voorraadheffing

4.6. Op grond van het bepaalde in artikel 13h van de Wet voorraadvorming aardolieproducten, wordt onder de naam voorraadheffing een heffing ingesteld op aan accijns onderworpen aardolieprodukten. De heffing is verschuldigd door degene die van de aardolieprodukten accijns verschuldigd is en de wettelijke bepalingen inzake de heffing en invordering van accijns zijn van overeenkomstige toepassing als ware de heffing accijns.

Tussen partijen is klaarblijkelijk niet in geschil dat, indien de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, dat ook heeft te gelden voor de naheffingsaanslag voorraadheffing. Nu de naheffingsaanslag accijns in stand blijft, heeft dat derhalve ook te gelden voor de naheffingsaanslag voorraadheffing.

De boete

4.7. Belanghebbende bestrijdt de verzuimboete met de stelling dat zij niet kon weten dat het gehalte aan Solvent Yellow in de gasolie te laag was zodat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Nu, zoals hiervoor is overwogen, de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn is opgelegd, is daarmee gegeven dat belanghebbende in verzuim was ten aanzien van het op aangifte voldoen van de accijns en voorraadheffing. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele, onbewezen, stelling van belanghebbende dat het aan [Raffinaderij] te wijten is dat het gehalte aan Solvent Yellow te laag was, onvoldoende om te concluderen dat belanghebbende zelf geen enkel verwijt treft. Nu de boete in overeenstemming is met de ter zake geldende beleidsregels, ziet de rechtbank geen aanleiding de boete te verminderen of vernietigen.

Conclusie

4.8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2007 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr.drs. G.H.C. Blommers, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Abbing-van Kleef, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.