Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA4830

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-05-2007
Datum publicatie
10-05-2007
Zaaknummer
AWB- 06_3739 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene verricht in het tweede ziektejaar voor 20 uur per week werkzaamheden. Over die uren heeft betrokkene recht op doorbetaling van de bezoldiging. Betrokkene heeft wegens ziekte 3 dagen niet gewerkt (andere ziekteoorzaak). Verweerder heeft de bezoldiging gedurende deze 3 dagen gesteld op 70%. De rechtbank ziet in de tekst van artikel 37 van het ARAR noch in de nota van toelichting aanknopingspunten voor betrokkenes standpunt dat de ambtenaar die in het tweede ziektejaar een aantal uren passende arbeid verricht en die tijdelijk wegens andere ziekteoorzaak uitvalt, eveneens recht heeft op volledige loondoorbetaling. De rechtbank overweegt dat artikel 37 van het ARAR dwingendrechtelijk van aard is zodat verweerder in beginsel niet de bevoegdheid toekomt om betrokkene in afwijking daarvan de volle bezoldiging te verlenen over de niet gewerkte uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 06 / 3739 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam eiser],

wonende te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde mr. J. Choufoer – van der Wel,

en

de Staatssecretaris van Financiën,

verweerder.

1. Het procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 juni 2006 (bestreden besluit), inzake de korting op de bezoldiging in het tweede ziektejaar vanwege een op 12 april 2006 aanvangende en drie dagen durende volledige arbeidsongeschiktheid. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 maart 2006, waarbij aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. J.J.V.J. van der Smissen.

2. De beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is sedert 2 januari 1972 werkzaam bij de Belastingdienst als [functie]. Op 6 december 2004 heeft eiser zich ziek gemeld wegens een nekhernia en schouderklachten. Vervolgens zijn er vanwege een longemfyseem klachten van vermoeidheid en kortademigheid bijgekomen.

In 2005 is eiser gedeeltelijk in arbeid hervat; eerst voor 12 uur per week, later voor 20 uur per week. Eiser heeft op 12, 13 en 14 april 2006 wegens ziekte geen arbeid verricht.

Verweerder heeft eiser bij primair besluit van 14 april 2006 medegedeeld dat eiser gelet op het oordeel van de bedrijfsarts met ingang van 4 februari 2006 voor 20 uur per week loonvormende arbeid dient te verrichten. Over de uren die eiser in het tweede ziektejaar loonvormende arbeid verricht wordt de bezoldiging aangevuld tot 100%. Echter gezien het feit dat eiser zich op 12 april 2006 volledig arbeidsongeschikt heeft gemeld, acht verweerder zich genoodzaakt de bezoldiging terug te brengen tot 70%.

Eiser heeft bij brief van 24 april 2006 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 18 mei 2006 is eiser omtrent zijn bezwaren gehoord. Eiser heeft aangevoerd dat hij tengevolge van zijn aandoening (longemfyseem) voor 20 uur per week werkt. Eiser acht het begrijpelijk dat hij voor de overige uren (16) betreffende zijn arbeidsongeschiktheid wordt gekort tot 70% van zijn salaris. Dat is op democratische wijze door de wetgever besloten. Eiser heeft vervolgens een ziekte gekregen die niet gerelateerd is aan longemfyseem. Volgens eiser is er sprake van onrecht dan wel discriminatie dat hij hiervoor gekort wordt op zijn bezoldiging. Dit is volgens eiser nooit de bedoeling van de wetgever geweest.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft in beroep – samengevat – in aanvulling op hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd, aangegeven dat tijdens het Sectoroverleg Rijkspersoneel (hierna: SOR-overleg) op 6 juni 2006 door [naam persoon 1] zijdens de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel (SCO) is opgemerkt dat is geconstateerd dat een gedeeltelijk arbeidsongeschikte die zich in het tweede ziektejaar bevindt, bij iedere ziekmelding slechts 70% van zijn loon doorbetaald krijgt, ook als de ziekte niet gerelateerd aan de eerste oorzaak van zijn arbeidsongeschiktheid. [naam vertegenwoordiger], vertegenwoordiger van het ministerie van Binnenlandse zaken, heeft daarop te kennen gegeven dat dit niet met de regelgeving bedoeld is en dat gezocht moet worden naar verbetering van de regelgeving. [naam persoon 2] heeft tijdens het SOR-overleg voorgesteld dat gekeken kan worden of er sprake is van afname van de arbeidsgeschiktheid of dat de nieuwe ziekmelding over de uren dat passende arbeid wordt verricht slechts een tijdelijk karakter heeft. Hieruit blijkt volgens eiser dat de betrokken partijen niet de intentie hebben gehad om de regeling zo uit te leggen als verweerder doet. Aangezien eiser slechts drie dagen ziek is geweest waarna hij zijn werkzaamheden weer voor 20 uren heeft hervat, is sprake van een tijdelijk andere ziekte. Eiser is van mening dat artikel 37 van het ARAR zich niet verzet tegen de door hem gegeven uitleg. Eiser concludeert dat in de periode van 12 tot en met 14 april 2006 zijn salaris over 20 uren ten onrechte tot 70% is gekort.

2.3 In artikel 37 van het ARAR is – voor zover van belang – het volgende bepaald:

“1. De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.

2. (…)

3. (…)

4. In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging indien de ongeschiktheid om zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een beroepsincident.

5. In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging over het aantal uren dat hij passende arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden.

6. (…)”

2.4 De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de bedrijfsarts eiser voor 20 uur per week arbeidsgeschikt heeft verklaard en dat verweerder eiser die arbeid heeft aangeboden. Evenmin is in geschil dat eiser deze werkzaamheden wegens ziekte niet heeft verricht van 12 tot en met 14 april 2006. Voorts wordt door verweerder niet weersproken dat er sprake is van een andere ziekteoorzaak. Partijen zijn verdeeld over de uitleg respectievelijk toepassing van artikel 37, eerste en vijfde lid, van het ARAR.

2.4.1 Volgens verweerder volgt uit artikel 37 van het ARAR dat eiser in het tweede ziektejaar recht heeft op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging; in afwijking hiervan heeft eiser tevens recht op doorbetaling van zijn bezoldiging over het aantal uren dat hij passende arbeid heeft verricht. Eiser heeft voornoemde drie dagen geen passende arbeid verricht. Derhalve heeft eiser geen recht op doorbetaling van de bezoldiging boven de 70%. Dat er sprake is van een andere ziekteoorzaak doet hieraan volgens verweerder niet af.

2.4.2 Eiser acht daarentegen van belang dat er sprake is van een andere ziekteoorzaak. Volgens eiser is er geen sprake van een ‘voortdurende arbeidsongeschiktheid’ als bedoeld in artikel 37 van het ARAR, in welke bepaling blijkens de woorden ‘voortdurend’ en ‘vervolgens’ wordt gedoeld op de ziekte die oorspronkelijk ten grondslag lag aan de arbeidsongeschiktheid van de betrokken ambtenaar, zijnde in eisers geval longemfyseem. Volgens eiser is met de regelgeving niet bedoeld betrokkenen die in aangepast werk werkzaam zijn en die tijdelijk wegens een andere ziekteoorzaak uitvallen, terug te laten vallen op 70% van de bezoldiging. Eiser ziet zich in zijn standpunt gesteund door het verslag van het SOR-overleg van 6 juni 2006.

2.4.3 De rechtbank overweegt dat de tekst van artikel 37, eerste lid, van het ARAR de hoofdregel formuleert dat een ambtenaar in het tweede ziektejaar recht heeft op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging. In het vierde en vijfde lid van dit artikel is een drietal uitzonderingen op deze hoofdregel verwoord. In het vierde lid, welke situatie in het onderhavige geval niet speelt, gaat het erom (a) dat de ongeschiktheid is veroorzaakt door een beroepsincident. In het vijfde lid van artikel 37 van het ARAR staat dat de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken recht heeft op doorbetaling van zijn bezoldiging (b) over het aantal uren dat hij passende arbeid heeft verricht of (c) zou hebben verricht indien de arbeid zou zijn aangeboden. Over de b-situatie staat in de nota van toelichting (Stb. 2005/591, blz. 28) vermeld: “Het vijfde lid bevat de afspraak dat als de ambtenaar voor een aantal uren geschikt is bevonden om passende arbeid te verrichten en hij die passende arbeid (…) verricht, hij zijn volledige bezoldiging voor die uren krijgt doorbetaald.”.

De rechtbank ziet in de tekst van artikel 37 van het ARAR noch in de nota van toelichting aanknopingspunten voor eisers standpunt dat de ambtenaar die in het tweede ziektejaar een aantal uren passende arbeid verricht en die tijdelijk wegens andere ziekteoorzaak uitvalt, eveneens recht heeft op volledige loondoorbetaling. Dat deze situatie niet kan worden aangemerkt als uitzonderingssituatie op de hoofdregel van artikel 37, eerste lid, van het ARAR, blijkt naar het oordeel van de rechtbank eveneens uit de Circulaire Arbeidsvoorwaarden sector Rijk 2004 (Stcrt. 2005/128, blz. 10) waarin expliciet staat vermeld: “Voor alle duidelijkheid: dit betekent dat in het tweede ziektejaar over gewerkte uren 100% wordt doorbetaald en over niet gewerkte uren 70%.”

De rechtbank overweegt dat artikel 37 van het ARAR dwingendrechtelijk van aard is zodat verweerder in beginsel niet de bevoegdheid toekomt om eiser in afwijking daarvan de volle bezoldiging te verlenen over de niet gewerkte uren. De rechtbank moet eiser nageven dat blijkens het verslag van SOR-overleg van 6 juni 2006 de regelgeving zoals neergelegd in artikel 37 van het ARAR punt van verdere bespreking vormt. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat thans van de toepassing van de hoofdregel van artikel 37, eerste lid, van het ARAR kan en mag worden afgeweken.

2.4.4 Aangezien vast staat dat eiser gedurende de periode van 12 tot en met 14 april 2006 geen werkzaamheden heeft verricht, was verweerder ingevolge artikel 37 van het ARAR gehouden om eiser gedurende deze dagen 70% van de bezoldiging uit te keren. Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat het bestreden besluit in stand blijft.

2.5 Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard. Gezien de ongegrondverklaring van het beroep, is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier, in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: