Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA3984

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
800977-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Slachtoffer, 13 jaar oud, verlaat in de avonduren van 17 juni 2006 zonder toestemming van haar ouders de woning om naar een vriendin te gaan. Kort na aankomst bij die vriendin, vertrekt slachtoffer weer naar huis. Onderweg wordt zij bij het Westerpark te Tilburg aangeroepen en raakt in contact met een groepje jongens. Eén van de jongens kent ze vaag van school, de overige jongens kent ze niet. Op enig moment vraagt slachtoffer de jongens of ze mee willen lopen naar haar huis. Vijf jongens gaan met haar mee. Onderweg sluiten nog drie jongens zich bij de groep aan. De jongens variëren in leeftijd van 15 tot en met 17 jaar. Eén persoon is 18 jaar. Op weg naar haar huis worden seksueel getinte vragen gesteld aan slachtoffer. Bij haar thuis aangekomen laat slachtoffer de jongens binnen en wordt de televisie op een muziekzender afgestemd en wordt er gedanst, waarbij slachtoffer over haar achterwerk wordt gewreven. Als een aantal personen een sigaret wil roken, gaat de groep naar buiten in de tuin.

In de tuin vinden vervolgens seksuele handelingen plaats. Zo is sprake van een kus gegeven door slachtoffer op het geslachtsdeel van een van de jongens. Voorts maakt een jongen, terwijl het slachtoffer met haar rug naar hem toe staat, neukende bewegingen tegen de achterzijde van haar lichaam. Slachtoffer is bovendien in de tuin gevingerd.

Vervolgens gaat de groep weer naar binnen. Binnen zijn ze verder gegaan met dansen, specifiek “schuren”. Schuren is een dans waarbij de jongen met zijn geslachtsdeel tegen de billen van het meisje wrijft. Voorts is slachtoffer op een tafel getild en doet ze een striptease.

Op enig moment is de groep naar boven gegaan. Slachtoffer is op haar kamer op haar bed gaan liggen, waarna verregaande seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is geweest van vaginale seks en orale seks door meerdere jongens met slachtoffer.

Door met zo’n grote groep personen met een meisje mee te gaan, een meisje dat ze overigens niet kenden, en zulke verregaande seksuele handelingen met haar te plegen, heeft verdachte handelingen van seksuele aard verricht die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het verrichten van ontuchtige handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van een 13-jarig meisje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 800977-06

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren op [1989 te Somailie],

wonende te [adres],

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting met gesloten deuren. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. Van ‘t Hoff, advocaat te Tilburg.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

hij op of omstreeks 17 juni 2006 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer] (geboren in 1992), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van

zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en)

heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte en/of

(een of meer van) zijn mededader(s)

- zijn/hun penis(sen) in de mond en/of de vagina van [slachtoffer]

geduwd/gebracht/gehouden en/of

- zijn/hun vinger(s) in de vagina van [slachtoffer] geduwd/gebracht/gehouden

en/of

- met zijn/hun hand(en over de borst(en) en/of billen en/of vagina, althans

het lichaam van [slachtoffer] gewreven en/of

- zijn/hun penis(sen) tegen de billen, althans het lichaam van [slachtoffer] geduwd/gehouden;

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 17 juni 2006 te Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen, met [slachtoffer] (geboren in 1992), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte en

zijn mededaders

- hun penissen in de mond en de vagina van [slachtoffer]gebracht

en

- hun vingers in de vagina van [slachtoffer]gebracht

en

- met hun handen over de borsten en billen en van [slachtoffer] geduwd;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De raadsman heeft aangevoerd dat [slachtoffer] aan een groep jongens zou hebben verteld dat ze 15 jaar oud was, terwijl ze in werkelijkheid 13 jaar oud was. Hoewel de leeftijd van het slachtoffer met betrekking tot artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht geobjectiveerd is, is de mening van de raadsman dat verdachte door toedoen van [slachtoffer] verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van haar echte leeftijd. Dit zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de groep jongens en in het bijzonder verdachte, zich hebben vergewist of [slachtoffer] instemde met de seksuele handelingen. Verdachte zou gevraagd hebben of [slachtoffer] het goed vond dat zij geslachtsgemeenschap zouden hebben en [slachtoffer] heeft hier woordelijk mee ingestemd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De rechtbank stelt vast dat het volgende zich feitelijk heeft afgespeeld.

Aangeefster [slachtoffer], 13 jaar oud, verlaat in de avonduren van 17 juni 2006 zonder toestemming van haar ouders de woning om naar een vriendin te gaan. Kort na aankomst bij die vriendin, vertrekt [slachtoffer] weer naar huis. Onderweg wordt zij bij het Westerpark te Tilburg aangeroepen en raakt in contact met een groepje jongens. Eén van de jongens, [mede[mededader], kent ze vaag van school, de overige jongens kent ze niet. Ze raakt in gesprek met de jongens en vertelt onder andere dat ze 14 jaar oud is. Op enig moment vraagt [slachtoffer] de jongens of ze mee willen lopen naar haar huis. Vijf jongens gaan met haar mee. Onderweg sluiten nog drie jongens zich bij de groep aan. Op weg naar haar huis worden seksueel getinte vragen gesteld, zoals “ben je nog maagd” en “welke standje zullen we direct doen”. [slachtoffer] heeft de jongens -in strijd met de waarheid- verteld dat ze geen maagd meer is. Bij haar thuis aangekomen laat [slachtoffer] de jongens binnen en wordt de televisie op een muziekzender afgestemd en wordt er gedanst, waarbij [slachtoffer] over haar achterwerk wordt gewreven. Als een aantal personen een sigaret wil roken, gaat de groep naar buiten in de tuin.

In de tuin vinden vervolgens seksuele handelingen plaats. Zo moet [slachtoffer] van medeverdachte [mededader] een kusje op zijn geslachtsdeel geven. Voorts maakt een jongen terwijl [slachtoffer] met haar rug naar hem toe staat, neukende bewegingen tegen de achterzijde van haar lichaam. [slachtoffer] is bovendien in de tuin gevingerd.

Vervolgens gaat de groep weer naar binnen. Binnen zijn ze verder gegaan met dansen, specifiek “schuren”. Schuren is een dans waarbij de jongen met zijn geslachtsdeel tegen de billen van het meisje wrijft. Voorts is [slachtoffer] op een tafel getild en doet ze een striptease.

Op enig moment is de groep naar boven gegaan. [slachtoffer] is op haar kamer op haar bed gaan liggen, waarna verregaande seksuele handelingen, onder andere verricht door verdachte [voornaam], hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is geweest van vaginale seks en orale seks door meerdere jongens met [slachtoffer].

Gesteld kan worden dat de sociaal-ethische norm de afgelopen jaren is verschoven, in die zin dat jeugdigen op steeds jongere leeftijd seksuele handelingen verrichten. Artikel 245 van het Wetboek van strafrecht strekt echter tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die daartoe, gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht worden niet of onvoldoende in staat te zijn. Hier moet naar het oordeel van de rechtbank, onder de genoemde omstandigheden, onverkort aan worden vastgehouden.

Onder omstandigheden kan aan zodanige handelingen met een minderjarige tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter ontbreken; dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen.

In de onderhavige zaak dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag beantwoord te worden of er omstandigheden waren, waardoor het ontuchtig karakter aan de door verdachten gepleegde handelingen is komen te vervallen.

Ten aanzien van verdachte [voornaam] is daarbij het volgende van belang:

? De rechtbank constateert dat het mogelijk niet kenbaar was voor verdachte of er sprake was van onvrijwilligheid van de zijde van [slachtoffer];

? Verdachte was ten tijde van het plegen van de handelingen 17 jaar oud, terwijl [slachtoffer] 13 jaar oud was. De rechtbank is van oordeel dat dit niet een gering leeftijdsverschil is;

? Er is sprake van acht jongens die besluiten mee te gaan met één meisje van dertien jaar, dat zij niet dan wel vaag kennen, waarbij geen sprake is van een liefdesrelatie en met wie door meerdere jongens verregaande seksuele handelingen worden verricht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van seksuele handelingen die niet sociaal-ethisch aanvaardbaar zijn en derhalve een ontuchtig karakter hebben. Zelfs indien [slachtoffer] volmondig heeft ingestemd met de seksuele handelingen, valt zij volledig onder de reikwijdte van artikel 245 van het Wetboek van strafrecht.

Nu naar het oordeel van de rechtbank wel sprake is van seksuele handelingen die niet sociaal-ethisch aanvaardbaar zijn en derhalve een ontuchtig karakter hebben, ondanks de instemming van [slachtoffer], treft het verweer van de raadsman geen doel en zal het worden verworpen.

Voorts zal ook het verweer op afwezigheid van alle schuld worden verworpen, aangezien de leeftijd van een slachtoffer onder artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht een geobjectiveerde leeftijd is.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf op:

Medeplegen van met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf en maatregel behoren te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangegeven dat ten tijde van de voorgeleiding en verdere voorlopige hechtenis was gekozen voor de primaire verdenking van verkrachting. Uit diverse verklaringen van verdachten, maar ook uit de aangifte van [slachtoffer] (en later uit het studioverhoor) is echter gebleken dat zij op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt dat zij de seks niet wilde. [slachtoffer] heeft ook geen verzet, in welke vorm dan ook, geboden.

De geweldscomponent c.q. de feitelijkheden waren dan ook vooral gebaseerd op het grote aantal jongens en het leeftijdsverschil. Een aantal jongens heeft verregaande seksuele handelingen verricht met [slachtoffer], zonder zich ervan te vergewissen of zij dit wel wilde. Dit acht de officier van justitie zeer verwijtbaar, maar het feit dat meerdere jongens (soms tegelijkertijd) seks met [slachtoffer] hadden, kan naar haar mening niet leiden tot de conclusie dat sprake was van dwang.

Om die reden heeft de officier van justitie besloten artikel 245 van het Wetboek van strafrecht ten laste te leggen.

Met inachtneming van het vorenstaande heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het tenlastegelegde op te leggen een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest moet worden opgelegd met daarbij een beperkte voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering.

Verdachte is op 17 juni 2006 samen met nog 7 andere jongens en met [slachtoffer], een meisje van 13 jaar oud, op haar uitnodiging, naar huis gegaan. Onderweg werden al seksueel getinte opmerkingen gemaakt richting [slachtoffer]. De rechtbank heeft geconstateerd dat [slachtoffer] op de opmerkingen inging. Bij haar huis aangekomen, is verdachte met de groep naar binnen gegaan. Er ontstond een feestsfeer, waarbij “geschuurd” werd, zoals de betrokkenen zelf verklaard hebben. In de tuin ging het vervolgens nog een stap verder. Medeverdachte werd daar op zijn geslachtsdeel gekust door [slachtoffer]. Tevens werd [slachtoffer] gevingerd. Dit was echter pas de voorbode. De groep is vervolgens naar boven gegaan, waar verdachte vaginale seks met [slachtoffer] had. Ook anderen van de groep hadden vaginale en ook orale seks met haar.

Door met zo’n grote groep personen met een meisje mee te gaan, een meisje dat ze overigens niet kenden, en zulke verregaande seksuele handelingen met haar te plegen, heeft verdachte handelingen van seksuele aard verricht die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het verrichten van ontuchtige handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van een 13-jarig meisje.

De rechtbank beschouwt dit feit als zeer ernstig van aard.

Verdachte heeft bij zijn handelen louter en alleen oog gehad voor zijn eigen directe behoeftebevrediging en heeft zich op generlei wijze bekommerd om de gevoelens van het slachtoffer en haar (seksuele) ontwikkeling. Door zijn handelen heeft de verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten kunnen grote schade toebrengen aan de ontwikkeling van kinderen met name als zij zich in de puberteit bevinden. De effecten van de strafbare handelingen van de verdachte op de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het slachtoffer zijn momenteel niet geheel te overzien.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte reeds eerder met justitie in aanraking is geweest, maar niet terzake van soortgelijke zaken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op de het rapport van psycholoog [achternaam] d.d. 27 november 2006. Hieruit komt het volgende naar voren.

Verdachte is lijdende aan een in ontwikkeling zijnde persoonlijkheidsstoornis met anti-sociale trekken. Hij beschikt over intellectuele capaciteiten die als gemiddeld beschouwd kunnen worden. Zijn IQ ligt rond de 100.

Ten tijde van het ten laste gelegde was er bij verdachte ook sprake van een in ontwikkeling zijn persoonlijkheidsstoornis met anti-sociale trekken.

Het gebrekkig functionerend geweten, zijn impulsiviteit, zijn moeite met het conformeren aan de maatschappelijke norm en zijn sterke behoefte aan macht, status en erkenning, leiden ertoe dat liet ten laste gelegde mede daardoor verklaard kan worden.

Als gevolg van bovenstaand heeft verdachte een grotere neiging tot niet-adequaat gedrag dan leeftijdgenoten. Dit leidt echter niet tot volledige uitschakeling van de vrije wil. Als beschermende factoren gelden bij verdachte namelijk zijn gemiddelde intelligentie en goede copingskills.

Bij verdachte is sprake van een enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Met name de impulsiviteit en het gebrekkig functionerend geweten, maken de kans op recidive groter.

Het feit dat verdachte erg op zoek is naar macht, status en erkenning en alles zal doen om zijn sociale contacten met anderen te behouden is een factor die een rol speelt. Ook het feit dat zijn moeder onvoldoende zicht heeft speelt een rol. Deze kunnen elkaar versterken

De psycholoog geeft aan dat mocht het ten laste gelegde bewezen worden, het in het belang van verdachte en de omgeving is dat er een onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd. Dit lijkt naast de ernst van het delict ook de meest gepaste maatregel, gezien de problematiek zoals die eerder beschreven is.

De rechtbank heeft voorts betrokken het rapport van psychiater [achternaam] d.d. 7 november 2006. Uit dit rapport volgt dat verdachte aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een ontwikkelingspsychopathie lijdt. De cognitieve ontwikkeling situeert zich alleszins op gemiddeld niveau. Dit komt overeen met een IQ-score van rond de 110.

Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was er bij verdachte sprake van een ontwikkelingspsychopathie. Dit beïnvloedde verdachtes gedragskeuzen c.q. gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat het ten laste gelegde daaruit mede verklaard kan worden.

Verdachte was minder dan de doorsnee leeftijdsgenoot in staat om stil te staan bij het ongeoorloofde karakter van de hem nu ten laste gelegde feiten en om weerstand te bieden aan de verleiding om deze feiten te plegen.

Geconcludeerd moet worden tot een enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De kans op recidive is aanwezig. Het wegvallen van externe controle en de aanwezigheid van een weerloos slachtoffer kunnen de kans op recidive van feiten zoals de nu ten laste gelegde, doen toenemen. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat verdachte reeds eerder met justitie in aanraking gekomen is, ook voor geweldsdelicten.

De psychiater adviseert het volgende.

Ter preventie van recidive en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte is het van belang dat hij de maatregel van onvoorwaardelijke plaatsing in een instelling voor jeugdigen opgelegd krijgt.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de deskundigen aanvullend hebben gerapporteerd naar aanleiding van een veranderde tenlastelegging. De deskundigen hebben naar aanleiding hiervan schriftelijk medegedeeld dat de verandering geen invloed heeft op de conclusies en adviezen zoals verwoordt in vorenstaande rapporten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de jeugdreclassering d.d. 13 april 2007.

De jeugdreclassering is van mening dat verdachte positieve ontwikkelingen heeft gemaakt om zijn leven te verbeteren. Op het gebied van seksualiteit lijkt verdachte weinig te weten. Een leerstraf Seksualiteit zou verdachte voorlichting kunnen geven in wat seksueel overschrijdend gedrag is en grenzen van meisjes te leren herkennen. Verdachte heeft te weinig inlevingsvermogen getoond naar het slachtoffer toe. Daarnaast lijkt verdachte veel waarde te hechten aan sociale relaties met anderen, waardoor hij zich mogelijk laat meeslepen door het gedrag van anderen.

Geadviseerd wordt een voorwaardelijke jeugddetentie en een leerstraf seksualiteit op te leggen.

De rechtbank is ten aanzien van de conclusies en adviezen van de psycholoog en psychiater in dit geval niet overtuigd van het ultimum remedium karakter van de onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De rechtbank zal het advies van een onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen dan ook niet volgen.

Wel zal de rechtbank de maatregel van voorwaardelijk plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen, nu het gepleegde feit een misdrijf is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is de rechtbank, op grond van hetgeen de psycholoog en de psychiater in hun rapporten vermelden, tot het oordeel gekomen dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

Volstaan kan worden met het opleggen van de volgende voorwaarden:

? dat verdachte de leerstraf Seksualiteit zal volgen;

? dat verdachte een werkstraf van 40 uren zal verrichten;

? dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt een ambulante behandeling bij een nader te omschrijven inrichting, gericht op de specifieke problematiek van verdachte.

Daarnaast zal de rechtbank een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest opleggen.

12 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij [slachtoffer], geboren op 11 september 1992, wonende te Tilburg, heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 9.244, 79, bestaande uit

€ 5.244, 79 aan materiele schade en € 4.000, - aan immateriële schade, terzake van hetgeen bewezen is verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreekse schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.500,-, zijnde de immateriële schade. Daarom kan de vordering tot dat bedrag bij wijze van voorschot worden toegewezen. Het overige gedeelte van deze vordering is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Er is in deze zaak sprake van meer dan een pleger van het strafbare feit. Ieder van de plegers is naar het civiele recht hoofdelijk aansprakelijk. De verdachte is derhalve niet tot vergoeding gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

Met betrekking tot de hiervoor toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [slachtoffer], geboren op 9 november 1964, wonende te Tilburg vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 123, - terzake van een feit, welke niet is ten laste gelegd.

Nu dat feit niet is ten laste gelegd en derhalve niet ter zitting is besproken, zal de vordering daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 245 van het wetboek van strafrecht.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het onder 9 vermelde strafbare feit.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van TWEE EN VIJFTIG DAGEN.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie.

Zij beveelt de plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Zij beveelt dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of na te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd:

? dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt een ambulante behandeling bij een nader te omschrijven inrichting, gericht op de specifieke problematiek van verdachte;

? dat de veroordeelde een werkstraf van veertig uren zal volgen;

? dat de veroordeelde de leerstraf Seksualiteit van veertig uren zal volgen.

Zij draagt overeenkomstig artikel 77aa van het wetboek van strafrecht voormelde reclasseringsinstelling op de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], geboren op 11 september 1992, wonende te Tilburg, bij wijze van voorschot toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.500, - (zegge: vijf en twintighonderd euro), te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

Zij bepaalt dat deze benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. (BP.23)

Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [slachtoffer], geboren op 11 september 1992, wonende te Tilburg, te betalen een som geld ten bedrage van € 2.500, - (zegge: vijf en twintighonderd euro).

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen. Indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, komt daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag te vervallen.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

Zij bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer], geboren op 9 november 1964, wonende te Tilburg, niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Zij veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, begroot op nihil.(BP.16)

Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Alferink en mr. Struijs, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Tafazzul en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 april 2007.