Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA3363

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
811314-06 en 045226-04 (vord. tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Produceren van synthetische drugs in laboratorium in woonwijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 811314-06 en 045226-04 (vord. tul)

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder het eerste vermelde parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda, alsmede in de zaak onder parketnummer 045226-04 met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging, tegen:

[verdachte],

geboren op [datum en plaats]

thans gedetineerd in de [adres],

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. Woodrow, advocaat te Tilburg.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

1.

hij op meer, althans één, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 april 2006 tot en met 16 april 2006 te Goirle tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt

en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA (in ieder geval ongeveer 5,3 kilogram MDMA-poeder

en/of ongeveer 33,2 kilogram MDMA-olie), in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 16 april 2006 te Goirle en/of Tilburg, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten

het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken en/of vervoeren van MDMA en/of amfetamine, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA

en/of amfetamine, (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen een (grote) hoeveelheid

grondstoffen (waaronder aceton en/of BMK) en/of glazen kolven en/of

diepvrieskisten en/of -kasten en/of reactorvaten en/of een maalmachine en/of

zeven en/of een vacuumsealapparaat, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte

en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te

vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te

vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 16 april 2006 te Goirle tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen een wapen van categorie III, te weten een

pistool (merk: Astra) en/of munitie van categorie II en/of III, te weten

zeven, althans een aantal, patronen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen- gelegen in de periode van

1 april 2006 tot en met 16 april 2006 te Goirle tezamen en in vereniging met

een ander opzettelijk heeft bereid een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA (in ieder geval ongeveer 5,3 kilogram MDMA-poeder

en ongeveer 33,2 kilogram MDMA-olie), zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 16 april 2006 te Goirle en/of Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander

om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten

het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken en/of vervoeren van MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA

en amfetamine, middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen een hoeveelheid

grondstoffen (waaronder aceton en BMK) en glazen kolven en

diepvrieskisten en/of kasten en reactorvaten en een maalmachine en

zeven en een vacuumsealapparaat, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte

en verdachtes mededader wisten, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;

3.

op 16 april 2006 te Goirle een wapen van categorie III, te weten een

pistool (merk: Astra) en munitie van categorie III, te weten

zeven, patronen, voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Het verweer ten aanzien van de feiten 1 en 2:

1. De verdediging heeft in het kader van de omvang van de betrokkenheid van verdachte enige bewijsverweren gevoerd. Betoogd is dat bij de bijzondere opsporingsmethoden gebruik is gemaakt van een niet gekeurd technisch hulpmiddel: de camera die geplaatst is in de omgeving van garagebox aan [adres] en die vanaf 7 april 2006 te 19.10 uur beelden heeft weergegeven. Indien een technisch hulpmiddel, voorafgaand aan de inzet niet is goedgekeurd, kan dit slechts worden ingezet als het belang van het onderzoek dit dringend vordert en moet na afloop van de inzet het technisch hulpmiddel door de keuringsdienst worden gekeurd. Er heeft een controle achteraf plaatsgevonden.

Volgens het proces-verbaal blijkt echter op basis van het opgemaakte keuringsrapport geen verklaring van goedkeuring te zijn afgegeven, omdat er geen verzegeling op de apparatuur was aangebracht.

Nergens vermeldt het proces-verbaal bovendien, aldus de verdediging, dat het belang van het onderzoek de inzet van het technisch hulpmiddel dringend vorderde. Evenmin wordt in de bevelen tot stelselmatige observatie melding gemaakt van de inzet van niet goedgekeurde technische hulpmiddelen of het dringend belang van het onderzoek.

Dit betekent dat er sprake is van onherstelbare verzuimen in de voorfase. Er dient bewijsuitsluiting plaats te vinden van al hetgeen wat met dit hulpmiddel is verkregen en daaruit voortvloeit. In het bijzonder de camerabeelden die zijn opgenomen, de processen-verbaal met betrekking tot de uitwerking van die beelden en de afgedrukte prints van de beelden.

2. Voorts heeft de verdediging eveneens in het kader van de omvang van de betrokkenheid bij de feiten aangevoerd dat verdachte op 6 april 2006 bezig was met het verrichten van een werkstraf bij Amarant in Tilburg. De reclassering heeft schriftelijk bevestigd dat hij die dag 8 uren werkzaamheden heeft verricht. Het is dan ook niet mogelijk dat hij door het observatieteam diezelfde dag om 13.33 uur in Eindhoven op het parkeerterrein van Van der Valk is gezien, zoals is opgenomen in het proces-verbaal van het observatieteam met betrekking tot die dag. De verbalisanten hebben misschien een andere persoon gezien, waarvan zij dachten dat het verdachte was. Terwijl één van die verbalisanten op 5 april 2006 tijdens een observatie [verdachte] al had herkend.

Uit afgeluisterde telefoongesprekken blijkt bovendien dat verdachte op genoemde datum daadwerkelijk aan het werk was.

Gezien de schriftelijk overgelegde bevestiging van de reclassering van de door verdachte gewerkte uren en gezien de gang van zaken met betrekking tot de herkenning van verdachte, kan gesteld worden dat deze feiten en omstandigheden de verrichte observatie op 6 april 2006, althans de uitwerking daarvan, als onbetrouwbaar bestempelen, op grond waarvan het daaruit voortvloeiend proces-verbaal nr. 6005.0604.06.127 moet worden uitgesloten voor het bewijs.

Het oordeel van de rechtbank:

1. De rechtbank acht de camera-observatie, waarop de verdediging doelt, niet doorslaggevend voor het bewijs en zal deze buiten beschouwing laten.

De camera is op 7 april 2006 om 19.10 uur bij [adres] te Tilburg geplaatst. Op 6 april 2006 was echter reeds waargenomen dat [mededader] en een derde contact hadden met de bestuurder van een Mercedesbus [kenteken]. Deze Mercedesbus is gestopt bij de garagebox aan de Azuurweg, waarna bewegingen van goederen die uit de bus in de garage werden gebracht, werden waargenomen.

Op 7 april 2006 tussen 12.43 uur en 12.52 uur werd waargenomen dat [mededader] bij de garagebox aan de Azuurweg te Tilburg arriveerde in de Opel Combo [kenteken]. Tevens werd toen een bestelauto Mitsubishi, kenteken[kenteken], waargenomen. Vanuit deze bestelauto werden voorwerpen, waaronder vaten in de garagebox gebracht. Bij de doorzoeking op 16 april 2006 werden in voornoemde garagebox voorwerpen en stoffen aangetroffen die in verband konden worden gebracht met het XTC-laboratorium, zoals aangetroffen in de [adres], te weten dezelfde soort vaten.

Niet kan worden gesteld dat het bewijs slechts is voortgevloeid uit de camera-observatie op 7 april 2006 vanaf 19.10 uur.

Gelet op de vaststaande eerdere betrokkenheid van [mededader] bij de locatie aan [adres] te Tilburg en de nauwe samenwerking tussen verdachte en [mededader] acht de rechtbank de betrokkenheid van verdachte met betrekking tot die locatie eveneens bewezen.

2. Dit geldt ook voor de volgens de verdediging wellicht onjuiste waarneming van verdachte door de verbalisanten op 6 april 2006 te Eindhoven. De rechtbank zal deze observatie niet als bewijsmiddel gebruiken, nu uit de andere bewijsmiddelen de betrokkenheid van verdachte in meer dan voldoende mate naar voren komt en niet kan worden gesteld dat die bewijsmiddelen slechts zijn voortgevloeid uit de betwiste waarneming. In het gehele proces-verbaal komen contacten tussen [mededader] en verdachte naar voren, waaronder tap-gesprekken. Uit de tapgesprekken vanaf 28 maart 2006, die aanleiding vormden voor de verdenking van de handel in drugs, blijkt dat [mededader] en verdachte nauw samenwerkten.

Het verweer ten aanzien van feit 3:

Verdachte heeft dit feit ontkend. Hij was weliswaar de bewoner van de woning aan de [adres], maar het staat vast dat derden vrijelijk toegang hadden tot die woning. Uit observaties bleek dat [mededader] ook een sleutel van de woning had en in de woning kwam, terwijl verdachte er zelf niet was. Op de dag van de inval waren er drie personen aanwezig geweest: verdachte, [mededader] en [mededader]. Alledrie zouden het wapen in de kachel verstopt kunnen hebben. Het wapen is niet nader onderzocht op DNA of vingerafdrukken. Het tapgesprek TA40, volgummer 000195, is ook in de nadere uitwerking volstrekt onvoldoende om te kunnen aantonen dat verdachte dat wapen voorhanden heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank:

De rechtbank stelt vast dat het wapen en de munitie in de woning van verdachte is aangetroffen. De vindplaats duidt op verbergen van het wapen. Indien een ander dan verdachte het wapen daar heeft verstopt, moet daarvoor enige aanleiding zijn geweest. De raadsman noemt in dat verband [mededader] en [mededader]. [mededader] was echter op het moment van de inval niet meer in de woning aanwezig, terwijl er voor hem op die dag geen aanleiding was het wapen te verstoppen. Hij zag de politie pas toen hij buiten was. Het verbergen van het wapen op een eerder moment acht de rechtbank onwaarschijnlijk, omdat in zo’n geval [mededader] beheer over het wapen verloor. [mededader] is die ochtend samen met verdachte in de bewuste woning geweest. Verdachte zou dan zeker moeten hebben gezien of geweten [mededader] een wapen in de kachel verstopte. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht, terwijl het op zijn weg had gelegen, indien dit wapen en deze munitie hem niet toebehoorden, een redelijke verklaring hiervoor te geven. Nu verdachte dit niet heeft gedaan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het wapen en de munitie zelf voorhanden heeft gehad.

Door de verdediging is aangevoerd dat de feiten 1 en 2 zijn gepleegd in een voortgezette handeling.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Voorbereidingshandelingen plegen impliceert niet de bedoeling tot het produceren van synthetische drugs. De rechtbank acht voor ieder feit een afzonderlijk wilsbesluit noodzakelijk.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2. Medeplegen van een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en terwijl het feit begaan is met betrekking tot munitie van categorie III.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het tenlastegelegde op te leggen een gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek van het voorarrest.

De raadsman heeft voor een lagere gevangenisstraf gepleit, stellend dat verdachte niet de hoofdrol heeft gespeeld die de officier van justitie heeft voorgehouden.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het produceren van synthetische drugs en heeft tevens grondstoffen en voorwerpen voorhanden gehad ter voorbereiding van de productie van synthetische drugs. De productieperiode omvatte ongeveer twee weken. Verdachte heeft bijgedragen aan de productie van ruim 5 kg MDMA poeder en ruim 33 kg MDMA-olie. Aan aceton-afval werd een hoeveelheid van 400 liter aangetroffen. Deze hoeveelheid past bij een gerealiseerde productie van circa 80 kg MDMA poeder. Er was dan ook sprake van een behoorlijke productiecapaciteit.

De rechtbank ziet verdachte als degene die in samenwerking met [mededader] de laboratoriumruimte heeft ingericht, de benodigdheden voor de productie heeft geregeld en heeft meegewerkt aan de bereiding van MDMA. In het proces-verbaal ziet de rechtbank aanwijzingen dat beide verdachten als coördinerend voorman in opdracht van een onbekend gebleven derde of derden hebben gehandeld.

MDMA wordt gebruikt voor de vervaardiging van XTC-tabletten.

De rechtbank acht deze feiten ernstig, omdat synthetische drugs, zoals XTC, in zijn algemeenheid grote gezondheidsrisico’s meebrengen voor de gebruikers. Uit medisch onderzoek naar de klinische en toxicologische aspecten van XTC-gebruik is immers gebleken dat inname van de in XTC-tabletten voorkomende stof MDMA tot afbraak van serotonine leidt, welke juist een belangrijke rol in het centraal zenuwstelsel speelt voor de regulering van diverse lichaamsfuncties. Deze schade is naar het zich laat aanzien blijvend. Voorts is op grond van onderzoek geconcludeerd dat gebruik van XTC een bijzonder groot risico op psychiatrische stoornissen meebrengt en geldt dat de al dan niet opzettelijke toevoeging van schadelijke stoffen aan XTC-tabletten, eveneens naar het zich laat aanzien onomkeerbare schade aan het menselijk lichaam kan toebrengen. Naast het gevaar voor de volksgezondheid schuilt in de productie van XTC-tabletten nog ander gevaar. De rechtbank wijst op schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van de bij de productie van XTC-tabletten vrijkomende chemische afvalstoffen in riool of elders en op het ontploffingsgevaar dat bij de productie van XTC-tabletten aanwezig is, welk gevaar zich in het bijzonder doet gelden bij laboratoria in een woonwijk, zoals ook hier het geval was.

De productie van synthetische drugs moet dan ook worden bestreden.

Verdachte heeft tevens een pistool met munitie voorhanden gehad. Een feit dat de veiligheid in de samenleving in gevaar kan brengen. Het bezit van wapens komt in de drugshandel veel voor. Deze handel levert grote winsten op en leidt nogal eens tot het plegen van geweld of bedreigingen met geweld.

Het strafblad van verdachte bevat veroordelingen terzake van verschillende soorten delicten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het opleggen van een enigszins kortere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, namelijk 4 jaar en 6 maanden. De rechtbank houdt ten aanzien van de feiten 1 en 2 in het bijzonder rekening met de korte periode, waarbinnen is geproduceerd. Voornoemde straf sluit volgens de rechtbank aan bij de straffen die in vergelijkbare gevallen, waarbij het gaat om uitvoerende werkzaamheden in opdracht van een derde of derden, worden opgelegd.

12 De overwegingen omtrent het beslag.

12.1 De overwegingen omtrent de onttrekking aan het verkeer.

De hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer:

- alle voorwerpen vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 26 maart 2007 met uitzondering van de nummers 148B, 2519B, 317C, 328C, 339C, 3410C, 3511C, 3612C, 3713C, 3814C, 3915C, 4016C, 4117C, 4218C, 4319C, 4824C, 4925C, 5026C, 5127C en 16118i.

Gebleken is dat met behulp van die voorwerpen de onder 1 en 2 bewezen feiten zijn begaan dan wel dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit onder 3 is begaan.

Voorts zijn die voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

12.2 De overwegingen omtrent de verbeurdverklaring.

Het hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring, te weten:

- het voorwerp, vermeld onder nummer 16118i op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 26 maart 2007.

Gebleken is dat dit voorwerp aan verdachte toebehoort en dat met dit voorwerp het begaan van de onder 1 en 2 bewezen misdrijven is voorbereid.

12.3 De teruggave.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen:

- de voorwerpen vermeld op de lijst van in beslaggenomen voorwerpen d.d. 26 maart 2007 onder de nummers 317C, 328C, 339C, 3410C, 3511C, 3612C, 3713C, 3814C, 3915C, 4016C, 4117C, 4218C, 4319C, 4824C, 4925C, 5026C en 5127C en

de rechtbank zal de teruggave aan [verdachte] gelasten van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen:

- de voorwerpen vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 26 maart 2007 onder de nummers 148B en 2519B,

aangezien die voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

13 De overwegingen omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 23 dagen die aan verdachte op 1 november 2004 is opgelegd bij vonnis van de politierechter onder parketnummer 045226-04 ten uitvoer zal worden gelegd, omdat verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

14 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 14g, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 63 en 91 van het wetboek van strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 13 en 14 van de Opiumwet en de artikelen 26, 55, 56 en 57 van de Wet wapens en munitie.

15 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij verklaart aan het verkeer onttrokken de onder 12.1 omschreven voorwerpen.

Zij verklaart verbeurd het onder 12.2 omschreven voorwerp.

Zij gelast de teruggave van de onder 12.3 omschreven voorwerpen.

Zij gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 1 november 2006 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 045226-04 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 23 dagen gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Pick, voorzitter, mrs. Kooijman en Volkers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Oostlander-Vink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 april 2007, zijnde mr. Volkers buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.