Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA3352

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
800681-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BU3352, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtmatige aanhouding na politiële actie van België en Nederland bij controle op verboden wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 185

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 800681-06

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren [datum en plaats]

wonende te [adres],

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. Buntsma, advocaat te Breda.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

1.

hij op of omstreeks 30 april 2006 te Breda, via de grensovergang Hazeldonk,

gelegen aan de Rijksweg A16, zonder consent een of meer wapens van categorie

III, te weten

- een kogelgeweer, merk Springfield Armory (model 1898 Krag-Jörgensen, kaliber

30-40 Krag, nummer 8236687)

en/of

- een onderdeel van een vuurwapen, te weten een afsluiter van een pistool

model P08 (kaliber 9x19mm, merk Onbekend - Duits fabrikaat, gelet op een

proefbankstempel, nummer 89)

en/of

munitie van categorie III, te weten ongeveer 196 stuks Berdan slaghoedjes, in

elk geval een (aantal) slaghoedje(s), heeft doen binnenkomen vanuit België;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(zie proces-verbaal bladzijde 21 en 22)

art 14 lid 1 Wet wapens en munitie

2.

hij op of omstreeks 30 april 2006 te Breda, via de grensovergang Hazeldonk,

gelegen aan de Rijksweg A16, (zonder consent) een of meer wapens van categorie

I, onder 3o, te weten een (Amerikaanse) loopgraafdolk (uit de 1e

Wereldoorlog), merk L.F.& Co, model 1917, voorzien van een lederen schede,

heeft doen binnenkomen vanuit België;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(zie proces-verbaal bladzijde 22)

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

art 55 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei

2006 tot en met 03 mei 2006 te [adres], gemeente Borger-Odoorn, (zonder daartoe

strekkend verlof) een of meer wapens van categorie III, te weten

- een dubbelloops hagelgeweer (Frans fabrikaat, model juxtaposé, kaliber 12GA,

nummer 286) en/of

- een kogelgeweer, merk BSA (model Sht.L.E.Mk.III, kaliber .303 (7,7x56R),

nummer J64166) en/of

- een pistool, merk Sauer & Sohn (model 38h, kaliber 7,65 mm, nummer 450626)

en/of

- een onderdeel van een vuurwapen, te weten een patroonhouder, merk Sauer &

Sohn (bestemd voor het eerdergenoemde pistool, merk Sauer & Sohn) en/of

- een pistool, merk Liliput (model 1927, kaliber 6.35 mm, nummer 34765)

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(zie proces-verbaal bladzijde 22 onderaan tot en met 25)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei

2006 tot en met 03 mei 2006 te [adres], gemeente Borger-Odoorn, (zonder daartoe

strekkend verlof) een of meer wapens van categorie II, te weten

- een onderdeel van een vuurwapen, te weten een patroonhouder, merk IMI, model

Uzi (kaliber 9 x 19mm, bestemd voor een pistoolmitrailleur merk IMI, model

Uzi) en/of

- een onderdeel van een vuurwapen, te weten een patroonhouder, merk onbekend,

model Brengun (kaliber .303 (7,7 x 56R) bestemd voor een

pelotonsondersteuningsmitrailleur), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(zie proces-verbaal bladzijde 26)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

5.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 april

2006 tot en met 03 mei 2006 te Amsterdam en/of te [adres], gemeente

Borger-Odoorn, (zonder daartoe strekkend verlof) ongeveer 158.000 stuks

munitie van categorie III in de zin van de Wet Wapens en Munitie, voorhanden

heeft gehad,

althans een grote hoeveelheid munitie van categorie III in de zin van de Wet

Wapens en Munitie, voorhanden heeft gehad,

in elk geval meer dan 20.000 stuks munitie van categorie III in de zin van de

Wet Wapens en Munitie voorhanden heeft gehad;

(zie proces-verbaal bladzijde 23 tot en met 28)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman van verdachte heeft tijdens het pleidooi als eerste de onrechtmatigheid van de aanhouding en de inverzekeringstelling aan de orde gesteld en als verweer gevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard. Een gelijk verweer werd reeds als preliminair verweer gevoerd en is derhalve gelet op het bepaalde in artikel 322 Sv, niet meer mogelijk. Gelet op de samenhang die er tussen alle naar voren gebrachte verweren bestaat, zal de rechtbank bij de behandeling van de verweren ook het reeds beoordeelde verweer betrekken. Sommige verweren dienen naar het oordeel van de rechtbank te worden opgevat als onrechtmatig verkregen bewijsverweren. Nu de raadsman echter ook deze verweren heeft gevoerd als niet-ontvankelijkheidsverweren, zal de rechtbank deze als zodanig behandelen. De rechtbank zal dat doen in de volgorde waarop de feiten en/of omstandigheden waarop de verweren betrekking hebben, zich hebben voorgedaan, waarmee een meer inzichtelijke volgorde wordt gehanteerd dan die welke de raadsman heeft gekozen. De rechtbank zet de verweren die zijn gevoerd met betrekking tot de gebeurtenissen voorafgaand aan de voorgeleiding van verdachte aan de rechter-commissaris, als volgt op een rij:

1 De aanleiding voor het onderzoek was onrechtmatig, immers niet gebaseerd op verdragen, welke verdragen een actie als die welke hier heeft plaatsgevonden en de daarop gebaseerde acties van de agenten, niet mogelijk maken.

2 De verbalisanten waren niet bevoegd in België tot de handelingen die zij daar hebben verricht en hebben de inzittenden van de auto waarin verdachte zat, een misdrijf doen plegen, hetgeen in strijd is met artikel 6 EVRM.

3 Er is sprake van een weloverwogen actie, waarbij de onrechtmatigheid voorzienbaar was.

4 De auto waarin verdachte zich bevond had niet tot stilstand mogen worden gebracht op grond van de Wet wapens en munitie omdat een redelijke aanleiding ontbrak.

5 De aan de bestuurder gevraagde toestemming om de auto te doorzoeken kan zich niet uitstrekken tot verdachte.

6 Er is, nadat de inzittenden waren uitgestapt, voorafgaande aan de aanhouding geen cautie gegeven.

7 Er was geen redelijke aanleiding de auto te doorzoeken en mitsdien zijn de aangetroffen wapens op onrechtmatige wijze aangetroffen en had er op grond daarvan geen doorzoeking mogen plaatsvinden.

Op basis van de bewijsmiddelen gaat de rechtbank bij de beoordeling van deze verweren uit van de volgende gang van zaken.

Tijdens het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie, werd een netwerk opgericht onder de naam European Firearm Experts, een operationeel samenwerkingsverband van politieorganisaties, welke zich als doel stelde gezamenlijk de internationale handel in en het bezit van illegale vuurwapens te bestrijden. Toen reeds werd besloten tot een aantal internationale acties. België zou daarbij initialiserend en coördinerend optreden en zou zich voornamelijk richten op Belgische wapen en militaria beurzen. Door het Landelijk platform vuurwapens van de Nederlandse politie, een advies orgaan van de Raad van Hoofdcom-missarissen, werden in dat kader nog een aantal specifieke nationale doelen geformuleerd.

Vaststaat dat te Ciney (België) periodiek een zogenaamde militariabeurs wordt gehouden. Er waren blijkens het proces-verbaal al langer aanwijzingen dat op die beurs (illegale) wapenhandel zou plaatsvinden. Mede op grond hiervan is door de Belgische politie besloten om in het kader van voornoemde internationale afspraken over te gaan tot een actie in samenwerking met de politie van alle aan België grenzende landen. Deze actie heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 30 april 2006. Het doel daarvan was om gezamenlijk de internationale handel in en het bezit van illegale vuurwapens te bestrijden.

De overeenkomst ter uitvoering van (kort gezegd) het Schengenakkoord, hierna te noemen SUO, geeft regels omtrent de wederzijdse bijstand van en door politiediensten ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten. Daarbij is uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid van samenwerking in grensgebieden. Artikel 39 vormt daarvoor de basis.

Lid 1 van dit artikel regelt dat bijstand zal worden verleend: “voorzover het doen of behandelen van een verzoek naar nationaal recht niet aan de justitiële autoriteiten is voorbehouden en voor het inwilligen van het verzoek door de aangezochte overeenkomstluitende partij geen dwangmiddelen behoeven te worden toegepast.” Beoordeeld dient te worden of in dit geval sprake was van een voorbehouden zijn aan de justitiële autoriteiten en of bij de actie dwangmiddelen zouden worden toegepast.

In dit geval is sprake geweest van een actie in samenwerking tussen de politiediensten in België en de aan België grenzende landen, waaronder Nederland. Deze samenwerking vloeide voort uit een netwerk, genaamd European Firearm Experts, van de diverse Europese Politie organisaties. Tijdens die actie zou in België door de Belgische politie een onderzoek worden ingesteld naar, voor zover in dit kader van belang, de Nederlandse bezoekers van de beurs. Hun kentekens zouden worden genoteerd / gefotografeerd. Vervolgens zou die informatie diezelfde dag aan de politie van de diverse landen die bij de actie betrokken waren, ter hand worden gesteld. Nederlandse politiemensen stonden daartoe opgesteld in België op de weg die leidde naar de grensovergang met Nederland. Zij hadden de beschikking over een wagen waarmee van de passerende wagens kon worden gecontroleerd of de kentekens daarvan overeenstemden met de kentekens die aan hen waren doorgegeven.

Het verzoek om bijstand bij een dergelijke actie is naar het oordeel van de rechtbank geen verzoek dat is voorbehouden aan de justitiële autoriteiten, maar ook is er geen sprake van een wederzijdse bijstandverlening door tussenkomst van justitiële autoriteiten. Mitsdien is in dat opzicht aan het vereiste van artikel 39 van het SUO voldaan. In dit geval is weliswaar sprake van overleg met de officier van justitie te Breda, doch dat heeft, zo moet op grond van het proces-verbaal worden geoordeeld, blijkbaar geen ander doel gehad dan het verloop en de goede afloop van de actie te waarborgen en om te kunnen overleggen wanneer verdergaande maatregelen dan staande houding en controle nodig waren.

Verder is er geen sprake van toepassing van dwangmiddelen. Immers de taak van de zich in België bevindende agenten, had geen verder doel en strekking dan om auto’s met een Nederlands kenteken, waarvan was vastgesteld dat zij afkomstig waren van de Beurs te Ciney, te begeleiden over de Nederlandse grens teneinde, aangekomen op Nederlands grondgebied, hen te controleren op eventuele verboden wapens. Het door de motorrijders in België gegeven teken, zelfs indien dat teken met verdachte wordt opgevat als een volgteken, is geen dwangmiddel in de zin van het verdrag. Ook in die zin is voldaan aan het vereiste van artikel 39 SUO.

De informatie die met betrekking tot de kentekens werd doorgegeven, kon, gelet op het bepaalde in artikel 46 SUO worden doorgegeven op de wijze zoals dat is gebeurd. Immers in dit geval vloeide die verstrekking voort uit de rechtstreekse actie en bovendien diende de informatie met spoed rechtstreeks aan de Nederlandse politiemensen te worden verstrekt, omdat anders de Nederlandse auto’s de grens zouden zijn gepasseerd zonder dat hun identiteit was vastgesteld. Daarmee is ook voldaan aan de tweede uitzondering van art 46 SUO.

Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Nederlandse agenten bevoegd waren om in België de handelingen te verrichten die zij hebben verricht.

Zo er overigens al sprake zou zijn van enig onrechtmatig optreden, dan is er in België geen sprake geweest van schending van enig rechtens te beschermen belang van verdachte. Immers tekens als die welke door de motorrijders zijn gegeven, richten zich tot de bestuurder van een voertuig. Zelfs al zou echter moeten worden aangenomen dat ook de rechten van verdachte in het geding waren, omdat het ging om een controle van alle bezoekers van de beurs in Ciney, dan geldt ook in dat geval dat niet valt in te zien welk rechtens te beschermen belang van verdachte is getroffen. Immers verdachte en de medepassagiers waren, zo blijkt duidelijk uit alle verklaringen die door de medepassagiers zijn afgelegd, van plan van de beurs direct naar Nederland te gaan en waren op geen enkel moment van plan om in België te stoppen. Door het volgteken zijn de bestuurder en zijn passagiers dan ook niet bewogen tot iets waartoe bij hen niet reeds het voornemen bestond. De motorrijder heeft op geen enkele wijze hun reeds bestaande wil beïnvloed. Van schending van artikel 6 EVRM is mitsdien geen sprake.

In Nederland mocht de auto waarin verdachte zat, worden onderzocht omdat er een redelijk vermoeden bestond dat er sprake kon zijn van bezit van illegale wapens. Immers de inzittenden van de auto kwamen van de beurs te Ciney, waarvan bekend was dat aldaar wapens werden verhandeld die niet in Nederland waren toegestaan, hetgeen alle inzittenden van de aangehouden auto ook bevestigen, terwijl uit controle in België ook gebleken was dat een of meer van de inzittenden wapens hadden gekocht. Deze controle in België had niet ten doel vast te stellen dat er toegestane wapens werden vervoerd, maar slechts dat er wapens werden vervoerd.

Vaststaat dat bij het onderzoek dat in Nederland plaatsvond nadat de auto tot stilstand was gebracht, niet onmiddellijk de cautie werd gegeven. Uit het proces-verbaal (pag. 79) blijkt dat de bestuurder toestemming gaf tot doorzoeking van zijn voertuig nadat daarom door een van de verbalisanten was gevraagd. Toen de verbalisant vervolgens wapens aantrof en niet direct duidelijk was van wie van de inzittenden van het voertuig de wapens waren, heeft hij deze op het trottoir gelegd. Hierna heeft de wapenexpert onderzocht welke wapens volgens de Wet wapens en munitie verboden waren. Hierop heeft de verbalisant gevraagd van wie de wapens waren en heeft de personalia gevraagd van degenen aan wie een wapen toebehoorde. Dit om te kunnen vaststellen wie verdachte was. De cautie hoefde derhalve niet onmiddellijk te worden gegeven, nu de verbalisant eerst diende vast te stellen wie er specifiek als verdachte ten aanzien van de afzonderlijke wapens kon worden aangemerkt. Bovendien wist verdachte als geen ander dat hij niet hoefde te antwoorden, terwijl hij ook na de cautie omtrent de wapens heeft verklaard.

Een verzoek om de auto te doorzoeken richt zich tot degene die in eerste instantie verondersteld mag worden het beheer en de beschikking over de auto te hebben, namelijk de bestuurder. Een dergelijke toestemming omvat alles wat zich in de auto bevindt. Dat zou wellicht anders zijn in geval van een uitdrukkelijk voorbehoud van de kant van een van de inzittenden, voorzover het zijn persoonlijke bezittingen betreft, maar gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is.

De aanleiding om de auto te doorzoeken vloeide voort uit de actie, zoals hierboven reeds uiteengezet en is rechtmatig geweest. De daaropvolgende doorzoekingen hebben eveneens op rechtmatige gronden plaatsgevonden.

Tenslotte is door de raadsman van verdachte het verweer gevoerd dat de officier van justitie, door er voor te kiezen verdachte in Amsterdam voor te geleiden, waardoor verdachte zowel professioneel als persoonlijk in zijn aanzien is geschaad, het OM dermate onzorgvuldig is geweest dat niet-ontvankelijkheid dient te volgen.

Artikel 510 Sv is bedoeld voor gevallen, waarbij een rechterlijk ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en het van belang is dat afdoening van de strafzaak niet door naaste collegae geschiedt. Het artikel ziet op de vervolging en berechting. Het sluit echter niet uit dat bepaalde maatregelen worden genomen.

In dit geval heeft de vervolging in het arrondissement Breda plaatsgevonden, terwijl verdachte is voorgeleid in het arrondissement Amsterdam. Dit moge een voor verdachte onwenselijke gang van zaken zijn geweest. Dit betekent echter nog niet dat er sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Op grond van vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd worden de verweren strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van de Officier van Justitie verworpen. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

7 De bewezenverklaring.

7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de in feit 4 genoemde onderdelen voorkomen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen. Evenmin heeft zij kunnen vaststellen waar deze onderdelen inbeslaggenomen zijn.

7.2 Hetgeen bewezen is.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 30 april 2006 te Breda, via de grensovergang Hazeldonk,

gelegen aan de Rijksweg A16, zonder consent wapens van categorie

III, te weten

- een kogelgeweer, merk Springfield Armory (model 1898 Krag-Jörgensen, kaliber

30-40 Krag, nummer 8236687)

en

- een onderdeel van een vuurwapen, te weten een afsluiter van een pistool

model P08 (kaliber 9x19mm, merk onbekend - Duits fabrikaat, gelet op een

proefbankstempel, nummer 89)

en

munitie van categorie III, te weten ongeveer 196 stuks Berdan slaghoedjes, heeft doen binnenkomen vanuit België;

2.

op 30 april 2006 te Breda, via de grensovergang Hazeldonk,

gelegen aan de Rijksweg A16, (zonder consent) een wapen- van categorie

I, onder 3e, te weten een (Amerikaanse) loopgraafdolk (uit de 1e Wereldoorlog),

merk L.F.& Co, model 1917, voorzien van een lederen schede,

heeft doen binnenkomen vanuit België;

3.

op tijdstippen in de periode van 01 mei

2006 tot en met 03 mei 2006 te [adres], gemeente Borger-Odoorn, (zonder daartoe

strekkend verlof) wapens van categorie III, te weten

- een dubbelloops hagelgeweer (Frans fabrikaat, model juxtaposé, kaliber 12GA,

nummer 286) en

- een kogelgeweer, merk BSA (model Sht.L.E.Mk.III, kaliber .303 (7,7x56R),

nummer J64166) en

- een pistool, merk Sauer & Sohn (model 38h, kaliber 7,65 mm, nummer 450626)

en

- een onderdeel van een vuurwapen, te weten een patroonhouder, merk Sauer &

Sohn (bestemd voor het eerdergenoemde pistool, merk Sauer & Sohn) en

- een pistool, merk Liliput (model 1927, kaliber 6.35 mm, nummer 34765)

voorhanden heeft gehad;

5.

op tijdstippen in de periode van 30 april

2006 tot en met 03 mei 2006 te Amsterdam en/of te [adres], gemeente

Borger-Odoorn, een grote hoeveelheid munitie van categorie III in de zin van de Wet

Wapens en Munitie, voorhanden heeft gehad

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Voorzover de hiervoor onder 5. besproken verweren zijn bedoeld als bewijsuitsluiting wordt verwezen naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van die verweren. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat geen bewijsuitsluiting dient plaats te vinden.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat de doorzoeking in [adres] zonder toestemming is geschied, terwijl bovendien het formulier van de machtiging tot binnentreden niet aangeeft welk pand mocht worden doorzocht. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat alleen de bewoner, dat wil zeggen verdachte, gerechtigd is tot het geven van toestemming.

Dit betekent, aldus de raadsman dat het bewijs dat hieruit is voortgevloeid onrechtmatig is verkregen en dus moet worden uitgesloten.

Uit het proces-verbaal van binnentreden in de woning te [adres] staat vermeld dat de bewoner toestemming tot binnentreden heeft gegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen, nu uit dat proces-verbaal blijkt dat de bewoonster naar buiten kwam en de politie heeft toegelaten tot de woning. Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat tevoren nog contact was geweest met de echtgenote van verdachte over de komst van de politie. Het leek haar ook niet nuttig te proberen hen tegen te houden.

De machtiging tot binnentreden vermeldde als binnen te treden woning: [adres]. Over de te doorzoeken woning bestaat geen misverstand, nu er slechts één woning in de machtiging wordt genoemd. Het ontbreken van een kruisje voor de vermelding van het adres van de woning is een omissie die later mocht worden hersteld. Hiervan is een aanvullend proces-verbaal opgemaakt.

De Algemene wet op het binnentreden bevat geen definitie van het woord bewoner. Er moet derhalve worden afgegaan op de strekking van de wet. De wet beoogt het privé-huiselijk leven te beschermen, niet het eigendom of bezit van de woning. Als bewoner kan worden aangemerkt degene wiens privé-huiselijk leven zich op een bepaalde plaats afspeelt. De dochter van verdachte verbleef op het moment van de doorzoeking in het vakantiehuis te [adres]. Zij heeft ook verklaard dat zij daar regelmatig en tijdens de weekends verbleef. Zij was degene die de woning toen in gebruik had en zij werd op dat moment in haar belang als bewoner getroffen. Zij was dan ook degene die toestemming moest verlenen.

Op grond hiervan verwerpt de rechtbank ook dit verweer.

De raadsman heeft voorts de bewezenverklaring betwist van de feiten 1, 2 en 5, omdat òf wel een vrijstelling zou gelden, òf wel het wapen of de munitie niet strafbaar zou zijn gesteld bij de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank is van oordeel dat het kogelgeweer, merk Springfield Armory, als verboden wapen kan worden aangemerkt, nu de getuige-deskundige ter zitting heeft bevestigd dat het een rookzwak kruit wapen betreft en uit het proces-verbaal van de deskundigen, die het wapen hebben onderzocht, eveneens blijkt dat het om een dergelijk wapen gaat. De vrijstelling van de Wet wapens en munitie is derhalve op dit wapen niet van toepassing. Het wapen valt onder categorie III van de Wet wapens en munitie.

De afsluiter is een essentieel onderdeel van een vuurwapen. Bij verwijdering van de afsluiter kan immers niet met een wapen worden geschoten. Dit onderdeel valt derhalve onder categorie III van de Wet wapens en munitie. Verdachte had geen consent om dit onderdeel vanuit België Nederland te doen binnenkomen.

De slaghoedjes zijn onderdelen van munitie. Verdachte had hiervoor eveneens geen consent om deze vanuit België Nederland te doen binnenkomen.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank leidt uit de verklaring van de getuige-deskundige ter zitting af dat de loopgraafdolk een multi-functioneel gevechtsmes betreft, waarvan de beugel als boksbeugel kan worden gezien. Het proces-verbaal van de deskundigen, die het wapen hebben onderzocht, houdt in dat het wapen een combinatie van een steekwapen en een boksbeugel is. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat het ten minste om een boksbeugel gaat, die valt onder categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie. Verdachte had geen consent om dit wapen vanuit België Nederland te doen binnenkomen.

Ten aanzien van feit 5:

De rechtbank acht het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid munitie bewezen. De rechtbank verwijst voor de strafbaarheid van verdachte voor dit feit naar punt 10.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

1. Handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III.

2. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

5. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie voor een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

10 De strafbaarheid van verdachte.

De rechtbank zal verdachte ontslaan van rechtsvervolging ten aanzien van feit 5. Op grond van zijn verloven mocht verdachte beschikken over munitie van categorie III. Nu de Wet wapens en munitie niet vermeldt over hoeveel stuks hij mocht beschikken, is verdachte hiervoor niet strafbaar.

Verdachte is voor het overige strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde op te leggen een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Verdachte heeft de bepalingen van de Wet wapens en munitie overtreden. Na bezoek aan een militariabeurs in Ciney (België) heeft hij een verboden kogelgeweer, een onderdeel van een vuurwapen en munitie, alsmede een loopgraafdolk vanuit België Nederland doen binnenkomen.

Tevens heeft verdachte verboden wapens en een onderdeel van een wapen voorhanden gehad in zijn vakantiewoning.

Verdachte beschikte als sportschutter en als wapenverzamelaar over verloven voor het voorhanden hebben van diverse wapens. Hij heeft echter onjuist gehandeld door daarnaast meer dan de reeds toegestane wapens in bezit te hebben.

De rechtbank acht de feiten ernstig, te meer daar verdachte gelet op zijn toenmalige hoedanigheid van advocaat –generaal bij het gerechtshof te [plaats] en als deskundige op het terrein van wapens en munitie als geen ander kon weten dat hij in strijd met de wettelijke bepalingen handelde en de gevaren van wapens kende. In dat kader stelt de rechtbank dat hij vanuit zijn positie, waarin hij zich bezighield met de handhaving van regels, ervoor had moeten zorgen dat hij zelf die regels ook naleefde.

De rechtbank komt tot het opleggen van een straf zoals door de officier van justitie is gevorderd. Zij komt weliswaar tot een geringere bewezenverklaring dan de officier van justitie, maar het niet bewezene betreft slechts een gering onderdeel van de tenlastelegging. Zij houdt rekening met de nadelige gevolgen die het plegen van de feiten voor verdachte reeds heeft gehad.

12 Het beslag.

12.1 De overwegingen omtrent de onttrekking aan het verkeer.

De hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer:

- een kogelgeweer, merk Springfield Armory (model 1898 Krag-Jörgensen, kaliber 30-40 Krag, nummer 8236687)

- een afsluiter van een pistool, model P08 (kaliber 9 x 19 mm, merk onbekend, Duits fabrikaat, nummer 89)

- 196 slaghoedjes, Berdan

- een (Amerikaanse) loopgraafdolk, merk L.F.& Co, model 1917

- een dubbelloops hagelgeweer (Frans fabrikaat, model juxtaposé, kaliber 12GA, nummer 286)

- een kogelgeweer, merk BSA (model Sht.L.E.Mk.III, kaliber .303 (7.7 x 56R)

- een pistool, merk Sauer & Sohn (model 38h, kaliber 7.65 mm, nummer 450626)

- een patroonhouder, merk Sauer & Sohn

- een pistool, merk Liliput (model 1927, kaliber 6.35 mm, nummer 34765)

Gebleken is dat de bewezenverklaarde verklaarde feiten onder 1 tot en met 3

zijn begaan met betrekking tot die voorwerpen.

Voorts zijn die voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en het algemeen belang.

12.2 De teruggave.

De overige in beslag genomen goederen vielen op het moment van aanhouding onder de verloven waarover verdachte beschikte. In beginsel dient dan ook teruggave aan verdachte te geschieden. Feitelijke teruggave kan echter slechts plaatsvinden voor zover verdachte thans nog over verloven beschikt. Voor zover hij niet meer over verloven beschikt, dient een regeling te worden getroffen tussen verdachte en het OM, waarbij zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan de rechtmatige aanspraken die verdachte ten aanzien van deze goederen op het moment van inbeslagname had. Verdachte had op dat moment immers het recht die zaken te verkopen. Dat kan inhouden vrijwillige afstand door verdachte of het in overleg tussen verdachte en het OM verkopen van deze wapens en munitie.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 57 en 91 van het wetboek van strafrecht en de artikelen 13, 14, 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart verdachte ten aanzien van het onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde strafbaar.

Zij ontslaat verdachte van rechtsvervolging ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde.

Zij veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 240 uren, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Zij beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Zij beveelt de onttrekking aan het verkeer van de onder 12.1 omschreven voorwerpen.

Zij beveelt de teruggave aan verdachte van de onder 12.2 omschreven voorwerpen met inachtneming van hetgeen aldaar is overwogen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mrs. Volkers en Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Oostlander-Vink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 april 2007, zijnde mr. Volkers buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.