Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA2997

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
801510-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er is geen sprake van opzet op de dood danwel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel nu de door verdachte gemaakte zwaaibeweging het gevolg is geweest van het wegduwen van verdachte door het slachtoffer alsmede dat verdachte zich op geen enkel moment bewust is geweest van de mogelijkheid van het intreden van het gevolg, namelijk dat het glas, wat hij kennelijk in zijn hand had, het slachtoffer zou raken en verwonden en bovendien heeft verdachte dat gevolg op geen enkel moment op de koop toegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 801510-06

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren op [datum en plaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. Thomas, advocaat te Breda.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

hij

op of omstreeks 22 december 2006 te Drimmelen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet met een (stukgeslagen) glas, althans een scherp voorwerp, meermalen, althans eenmaal (een) snijdende beweging(en) langs de keel/hals van [slachtoffer] heeft gemaakt, althans in zijn keel/hals heeft geslagen en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 22 december 2006 te Drimmelen aan een persoon [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (doorgesneden halsslagader en/of herseninfarct en/of epilepsieverschijnselen), heeft toegebracht, door opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een (stukgeslagen) glas, althans een scherp voorwerp, (een) snijdende beweging(en) te maken langs de keel/hals van [slachtoffer], althans in de keel/hals van [slachtoffer]s te steken en/of te slaan;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 22 december 2006 te Drimmelen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een (stukgeslagen) glas, althans een scherp voorwerp, (een) snijdende beweging(en) heeft gemaakt langs de keel/hals van [slachtoffer], althans in de keel/hals van [slachtoffer] heeft gestoken en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt, gelet op de diverse verklaringen in het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Het [slachtoffer] en [verdachte] zijn op 22 december 2006 beiden in café Watersport te Drimmelen aanwezig vanwege een kerstborrel. Verdachte heeft een zogenaamde loopkruk in verband met een heupoperatie. Er wordt door de meeste gasten de hele avond veel gedronken. Op een bepaald moment loopt het slachtoffer in de richting van het toilet. Op weg daar naartoe komt hij langs verdachte. Hij trapt tegen de kruk die verdachte om zijn arm heeft en breekt die in twee stukken. Vervolgens loopt het slachtoffer naar het toilet. Als hij daarvan terug komt, pakt hij de kruk van de arm van verdachte en breekt deze nogmaals. De stukken gooit hij weg. Dan gaat het slachtoffer voor verdachte staan, pakt diens glas bier en drinkt dat voor hem leeg. Vervolgens geeft hij het lege glas aan verdachte. Die wordt boos en slaat het slachtoffer met zijn vuist waarop het slachtoffer verdachte terugslaat. Blijkens de verklaringen van de heer [getuige 1], de heer [getuige 2] en van mevrouw [getuige 3], de vriendin van het slachtoffer, ontstaat er een worsteling tussen het slachtoffer en verdachte. Gelet op de getuigenverklaring van mevrouw [getuige 3] is zelfs geprobeerd de twee mannen uit elkaar te halen. Uiteindelijk duwt het slachtoffer verdachte weg waarbij door diverse personen, waaronder de heer [getuige 2] en [getuige 4], wordt gezien dat verdachte een zwaaiende beweging met zijn arm maakt en dat die beweging van binnen naar buiten wordt gemaakt. De rechtbank gaat er, gelet op de getuigenverklaringen van [getuige 2] [, getuige 4] afgelegd bij de politie, vanuit dat verdachte door de duw van het slachtoffer enigszins zijn evenwicht is verloren en hierbij een zwaaiende beweging van binnen naar buiten heeft gemaakt met zijn linkerarm, waarin hij een bierglas vasthad. Dat verdachte daadwerkelijk een bierglas in zijn handen had, kan zowel uit de verklaring van [getuige 4] en de heer [getuige 2] worden opgemaakt als uit de verklaring van verdachte. Verdachte verklaart ter terechtzitting namelijk dat hij, hoewel hij het zich niet feitelijk herinnert, in een café altijd een bierglas vastheeft. Het slachtoffer grijpt direct, nadat verdachte heeft gezwaaid met zijn arm, naar zijn hals waaruit hij dan hevig bloedt. Dat dit bloeden is veroorzaakt door het glas dat verdachte in zijn hand had, staat voor de rechtbank vast. Hierbij baseert zij zich, naast de genoemde getuigenverklaringen, op haar eigen waarneming van het stuk glas dat in het ziekenhuis uit de hals van het slachtoffer is gehaald en door de officier van justitie is getoond ter terechtzitting. Dat is blank glas en gelet op de vorm en dikte kan dit afkomstig zijn van een bierglas.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of er in dit geval bij verdachte sprake is geweest van opzet op de dood van het slachtoffer of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag in dit geval ontkennend moet worden beantwoord. Het begrip opzet wordt onderverdeeld in verschillende gradaties en de lichtste variant is die van het voorwaardelijk opzet. Indien daarvan sprake is moet verdachte onder meer willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn gedraging zou komen te overlijden danwel dat aan het slachtoffer (zwaar lichamelijk) letsel zou worden toegebracht.

In dit geval is het slachtoffer weliswaar zeer ernstig gewond geraakt, maar niet gebleken is dat verdachte op enig moment opzet heeft gehad op het toebrengen van deze verwondingen. Verdachte heeft zelf aangegeven zich er niet van bewust te zijn geweest dat hij een glas in zijn hand had. Er is in het dossier één persoon die aangeeft dat verdachte het glas op het biljart kapot heeft geslagen alvorens een beweging richting het slachtoffer te maken. De rechtbank acht deze verklaring, gelet op de overige getuigenverklaringen in het dossier, niet aannemelijk.

Daarnaast heeft het slachtoffer bij de politie verklaard dat hij denkt dat verdachte bij het uithalen de bierfles van verdachte heeft geraakt, dat deze fles kapot is gegaan en hij op die manier gewond is geraakt. Deze lezing komt weliswaar niet overeen met de feitelijke gang van zaken, maar uit deze verklaring komt duidelijk naar voren dat ook het slachtoffer geen opzet in het handelen van verdachte heeft gezien.

De rechtbank destilleert uit de getuigenverklaringen van de heer [getuige 2], [getuige 4], mevrouw [getuige 3], de verklaring van verdachte en de verklaring van het slachtoffer dat de door verdachte gemaakte zwaaibeweging het gevolg is geweest van het wegduwen van verdachte door het slachtoffer alsmede dat verdachte zich op geen enkel moment bewust is geweest van de mogelijkheid van het intreden van het gevolg, namelijk dat het glas, wat hij kennelijk in zijn hand had, het slachtoffer zou raken en verwonden en bovendien heeft verdachte dat gevolg op geen enkel moment op de koop toegenomen. De rechtbank is, gelet op al het vorenstaande, van oordeel dat er geen sprake is van opzet op de dood van het slachtoffer danwel opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.

Gelet op het bovenstaande spreekt de rechtbank verdachte vrij van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

8 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert schadevergoeding tot een bedrag van

€ 13.878,98 terzake van het tenlastegelegde.

De verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

9 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Zij veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, begroot op nihil.(BP.16)

Zij heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. De Bruijn en mr. Van den Berg Jeths, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Kersten en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 april 2007, zijnde mr. Van den Berg Jeths buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.