Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA2523

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
10-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/938
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar inkomsten uit prostitutie genoten. Zij heeft daarvan toen geen administratie bijgehouden. Deze heeft zij op een later tijdstip gereconstrueerd. Met toepassing van omkering van de bewijslast heeft de inspecteur een bedrag aan omzet bijgeteld. Naar het oordeel van de rechtbank is deze bijtelling echter naar willekeur vastgesteld. De bijtelling was nergens op gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0752
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/938

Uitspraakdatum: 1 maart 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 10 januari 2006 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.591, en de daarbij genomen boetebeschikking ten bedrage van € 729.

Zitting

Het onderzoek ter zitting, waar de zaken met de procedurenummers 06/935 tot en met 06/938 tegelijk zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 15 februari 2007 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar alsmede de navorderingsaanslag en de boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 215, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. De inspecteur heeft nader geconcludeerd dat de boete kan komen te vervallen zodat de rechtbank de boetebeschikking zal vernietigen.

2.2. Vaststaat dat belanghebbende in de maanden maart tot en met december van het onderhavige jaar inkomsten genoot uit prostitutie. Tevens staat vast dat belanghebbende daarvan toen geen administratie heeft bijgehouden maar daar later een administratie van heeft gereconstrueerd. Nu voor het onderhavige jaar op belanghebbende ingevolge artikel 52, eerste lid, van de AWR, tekst 2001, als genieter van resultaat uit overige werkzaamheden de plicht rustte een administratie bij te houden en zij dat niet heeft gedaan, moet de rechtbank op grond van artikel 27e, aanhef en onderdeel b, van de AWR, het beroep ongegrond verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak onjuist is. Belanghebbende heeft met hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd het van haar verlangde bewijs niet geleverd.

2.3. Voor het geval een belastingplichtige niet aan haar verplichting tot het bijhouden van een administratie heeft voldaan, is de inspecteur bevoegd bij het vaststellen van de navorderingsaanslag van de aangifte en de overigens door belanghebbende verstrekte gegevens af te wijken. De navorderingsaanslag mag niet naar willekeur worden opgelegd, maar moet berusten op een redelijke schatting.

2.4. Belanghebbende heeft aanvankelijk aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen waarbij de inkomsten uit de prostitutie als resultaat uit overige werkzaamheden zijn aangegeven. Dat inkomen is gebaseerd op een door belanghebbende gereconstrueerde administratie welke aan de hand van de dagen dat zij voor haar werkzaamheden een kamer huurde is opgesteld. Bij de primitieve aanslag is de aangifte gevolgd.

2.5. Uit de stukken van het geding noch op grond van het verhandelde ter zitting, de inspecteur verklaarde ter zitting desgevraagd dat het bedrag van de omzetbijtelling (€ 4.404) niet is gebaseerd op branchegegevens of andere objectieve gegevens, is af te leiden waarop het bedrag van de omzetbijtelling, waarvan de navorderingsaanslag het gevolg is, is gebaseerd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat dit bedrag van de omzetbijtelling naar willekeur is vastgesteld. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende blijkens haar bankrekening onwaarschijnlijk weinig huishoudelijke uitgaven heeft gedaan baat hem niet. Belanghebbende heeft gesteld, en de rechtbank hecht hieraan geloof, dat haar bijverdiensten na aftrek van de betaalde huur geheel aan die uitgaven zijn besteed. Dat daarbij geen rekening is gehouden met nog verschuldigde omzetbelasting en inkomstenbelasting doet daar niet aan af. Andere bestedingen die uit het inkomen van belanghebbende niet kunnen worden verklaard zijn gesteld noch gebleken. De omzetbijtelling zoals die door de inspecteur is gedaan kan derhalve evenmin worden verantwoord uit belanghebbendes uitgavenpatroon in het onderhavige jaar.

2.6. De navorderingsaanslag is naast de, willekeurige, omzetbijtelling gebaseerd op een correctie van de aangegeven bijstandsuitkering (plus € 219) en een grotere aftrekpost in verband met verschuldigde omzetbelasting (minus € 235). Het verminderen van het bij de navorderingsaanslag vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning met € 4.404 zou leiden tot een negatieve navorderingsaanslag, hetgeen niet mogelijk is. De navorderingsaanslag moet dan worden vernietigd. De door belanghebbende overigens nog aangevoerde grieven behoeven dan geen beoordeling meer.

2.7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard en is beslist als vorenvermeld.

2.8. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Nu de zaken van belanghebbende met procedurekenmerken 06/935, 06/937 en 06/938 samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3 van het Besluit zal de rechtbank in ieder van deze zaken een proceskostenveroordeling uitspreken van, afgerond, € 215.

Deze uitspraak is gedaan op 1 maart 2007 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. D. Hund en mr.drs. G.H.C. Blommers, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.