Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA2446

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/767
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na de echtscheiding blijft de man in de voormalig echtelijke woning wonen en betaalt de hypotheekrente. Zij hebben niet gekozen voor fiscaal partnerschap. De rechtbank stelt de inspecteur in het gelijk nu deze de hypotheekrente slechts voor de helft in aftrek toelaat, het huurwaardeforfait voor de helft bijtelt als huurwaarde en voor een kwart als alimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 84
V-N 2007/35.14 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0673
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/767

Uitspraakdatum: 22 februari 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 2 januari 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007 te [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende en [mevrouw] waren in 2003 gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [straat] te [woonplaats] (hierna: de woning). Met ingang van 1 juli 2003 woonde [mevrouw] niet meer in de woning. Bij beschikking van 7 juli 2004 heeft de rechtbank te [woonplaats] het huwelijk tussen belanghebbende en [mevrouw], een huwelijk in gemeenschap van goederen, ontbonden. De echtscheiding is op 24 maart 2005 in het huwelijksgoederenregister ingeschreven. Belanghebbende en [mevrouw] hebben in hun aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003 (hierna: IB 2003) bewust niet gekozen voor fiscaal partnerschap in de zin van artikel 1.2 van de Wet IB 2001.

2.2. In zijn aangifte IB 2003 heeft belanghebbende het volledige bedrag aan over dat jaar ter zake van de woning betaalde hypotheekrente, van € 26.192, in aftrek gebracht. Daarnaast heeft hij het gehele huurwaardeforfait ter zake van de woning, van € 1.894, aangegeven.

2.3. Bij het opleggen van de aanslag IB 2003 van belanghebbende heeft de inspecteur de volgende correcties aangebracht:

Aangegeven belastbaar inkomen box 1: € 86.772

Bij: hypotheekrenteaftrek: € 13.096

Bij: ontvangen alimentatie: € 473

Af: huurwaardeforfait: € -948

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 1: € 99.393

De correctie betreffende ontvangen alimentatie ziet op het gedeelte van het huurwaardeforfait dat betrekking heeft op het aan [mevrouw] toe te rekenen deel van de eigen woning over de periode dat zij niet meer in de woning woonachtig was.

2.4. Ingevolge artikel 1:112, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek wordt de huwelijkse gemeenschap tussen belanghebbende en [mevrouw] ten opzichte van derden, zoals de belastingdienst, geacht te werken totdat de echtscheiding in het huwelijksgoederenregister is ingeschreven. Gedurende het gehele jaar 2003 was de woning derhalve voor een onverdeelde helft in eigendom bij [mevrouw] en voor de andere onverdeelde helft in eigendom bij belanghebbende. Nu voor het onderhavige jaar niet is gekozen voor het fiscaal partnerschap wordt iedere ex-echtgenoot afzonderlijk ten aanzien van zijn onverdeelde helft in de heffing van de inkomstenbelasting betrokken.

2.5. De rechtbank is op grond van artikel 3.111, eerste lid, onderdeel a van de Wet IB 2001, van oordeel dat de woning in 2003 voor de helft als eigen woning van belanghebbende was aan te merken. De rentebedragen die betrekking hebben op het deel van de schuld dat betrekking heeft op juist bedoeld deel van de woning kan hij dan als aftrekbare kosten in aanmerking nemen op grond van artikel 3.120 van de Wet IB 2001.

2.6. Belanghebbendes stelling dat doel en strekking van artikel 3.111, vierde lid en artikel 6.1 en volgende van de Wet IB 2001 meebrengen dat in geval van echtscheiding de volledige aftrek van hypotheeklasten gewaarborgd blijft wordt verworpen. De rechtbank overweegt hiertoe dat artikel 3.111, vierde lid van de Wet IB 2001 een tegemoetkoming biedt, gedurende een bepaalde periode, voor gevallen waarin een belastingplichtige nog (een deel van de) aftrekbare kosten met betrekking tot een woning draagt, die de belastingplichtige voorheen als eigen woning ter beschikking stond en gedurende deze periode nog aan de gewezen partner ter beschikking staat. Nu belanghebbende de woning zelf is blijven bewonen, is genoemde wettelijke bepaling niet op hem van toepassing. Uit de wettekst valt niet af te leiden dat betreffende regeling mede bedoeld is voor de partner die in de woning blijft wonen en de volledige kosten met betrekking tot de woning draagt.

2.7. De door belanghebbende betaalde hypotheekrente voorzover die betrekking heeft op het gedeelte van de woning dat in 2003 niet als zijn eigen woning, maar als onverdeelde helft toebehoorde aan zijn ex-echtgenote, is aan te merken, kunnen niet door hem als kosten van alimentatie in aftrek worden gebracht. Door het voor zijn rekening nemen van dit gedeelte van de kosten voorziet belanghebbende immers niet in het onderhoud van [mevrouw] in de zin van artikel 6.3 van de Wet IB 2001. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij op dat bij de latere verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap rekening dient te worden gehouden met de door belanghebbende betaalde hypotheekrente die betrekking heeft op het deel van de hypotheekschuld van de ex-partner.

2.8. Dat de rechtbank te [woonplaats] er bij de berekening van de draagkrachtruimte van belanghebbende, in het kader van de vaststelling van de onderhoudsverplichting ten behoeve van [mevrouw], van uit is gegaan dat belanghebbende de volledige hypotheeklasten op zijn belastbaar inkomen in mindering zal brengen, wat daar overigens ook van zij, doet niet af aan het bovenstaande nu een dergelijk vonnis niet bepalend is voor die aftrek.

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht een bedrag van € 473 bij het belastbaar inkomen van belanghebbende opgeteld in verband met door hem genoten alimentatie. De rechtbank overweegt hiertoe dat het woongenot van het deel van de woning dat in onverdeelde eigendom toebehoort aan [mevrouw] in de periode van 1 juli 2003 tot en met 31 december 2003, op grond van artikel 6.3, tweede lid van de Wet IB 2001 dient te worden aangemerkt als door belanghebbende ontvangen onderhoudsverplichting. Dit woongenot wordt op de voet van artikel 3.101, tweede lid van de Wet IB 2001 gewaardeerd op het evenredig gedeelte van de huurwaarde volgens artikel 3.112 van de Wet IB 2001.

2.10. Nu [mevrouw] in de tweede helft van het onderhavige jaar niet in de woning haar hoofdverblijf heeft kan van de huurwaarde betreffende die periode niets als aan [mevrouw] betaalde alimentatie in aftrek worden gebracht.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 22 februari 2007 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.