Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA2098

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
03-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/3472
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM pas verschuldigd na afgifte keuringsbewijs door RDW en naar de waarde op dat moment

Belanghebbende importeert een schade-auto. Partijen zijn het eens over de waarde: € 4.700. De inspecteur weigert aanvankelijk aangifte naar deze waarde maar accepteert enkele dagen later alsnog aangifte naar de waarde op basis van de afschrijvingstabel van art. 10 Wet BPM, neerkomend op omstreeks € 20.000. De rechtbank stelt vast dat BPM is verschuldigd ter zake van de toetreding tot het Nederlandse wegennet, dat daarvan eerst sprake kan zijn als de auto rijvaardig is, dat zulks ter beoordeling staat van de Dienst wegverkeer en dat deze dienst weliswaar een kenteken heeft afgegeven maar dat onmiddellijk heeft geschorst, in afwachting van de keuring van de auto. Onder deze omstandigheden was van een personenauto in de zin van de Wet BPM (nog) geen sprake en hebben aangifte en afdracht ten onrechte plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0696
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3472

Uitspraakdatum: 21 februari 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft ter zake van de registratie van een personenauto, merk Mini, thans met Nederlands kenteken, belasting op personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan tot een bedrag van € 4.759.

1.2. Na door belanghebbende tegen de voldoening gemaakt bezwaar heeft de inspecteur, bij uitspraak op bezwaar van 4 juli 2006, het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij fax van 5 juli 2006 beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 141.

1.4. De inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Na een leespauze wordt deze geacht tot de stukken van het geding te behoren.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende heeft in Duitsland een personenauto, merk Mini, (hierna: de auto), met aanzienlijke schade, gekocht. Op 31 maart 2006 is deze auto in Nederland bij de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) voor opname in het kentekenregister aangeboden.

2.2. Op 20 april 2006 wilde belanghebbende, met een beroep op de tegenbewijsregeling als bedoeld in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën, nr. CCP2006/788 (onder meer gepubliceerd in VN 2006/25.22), voor de registratie van betreffende auto aangifte voor de BPM doen. Dit is door het BPM-aangiftepunt geweigerd.

2.3. Op 23 april 2006 is wederom aangifte voor de BPM gedaan voor de registratie van de auto. Ditmaal is de aangifte geaccepteerd, zij het dat de belasting is geheven met inachtneming van de afschrijvingstabel van artikel 10, tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto 's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM), tot een bedrag van € 4.804. Belanghebbende heeft op het aangiftebiljet aangetekend dat hij daartegen bezwaar maakt.

2.4. De inspecteur heeft de ter zake van de registratie van de auto verschuldigde BPM nader vastgesteld op € 4.759, uitgaande van een consumentenprijs inclusief accessoires van € 31.499, een daarbij behorend bedrag aan bruto BPM van € 7.554,78 en een bedrag aan BTW van € 3.823,03, resulterend in een netto catalogusprijs van € 20.121,19. De vermindering bedraagt op grond van artikel 10, tweede lid, van de Wet BPM 37%. Belanghebbende heeft de BPM voldaan.

2.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de werkelijke waarde van de auto op het moment van aanbieding ter keuring, zowel in eerste als in tweede aanleg, € 4.700 bedroeg.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de verschuldigde BPM tot het juiste bedrag is berekend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

Het is vreemd dat eerst geen aangifte kan worden gedaan en vier dagen later wel, terwijl het om dezelfde auto gaat. De auto had schade maar was voor iedereen herkenbaar als auto en als Mini. De auto is geregistreerd en vier dagen later arriveerde een brief met daarin het kenteken. Op dit moment wordt met de auto gereden en dat was ook de bedoeling bij aangifte. Voor de heffing van BPM wordt aangeknoopt bij registratie en afgifte van het kenteken. De wetsgeschiedenis ziet op toelating tot het Nederlands verkeer en niet op het gebruik op de weg. Dat het kenteken tijdelijk niet geldig was, maakt niets uit. Ik beroep mij ook op artikel 2 van de Wet BPM. Indien alle gegevens tezamen en in onderlinge samenhang worden bezien, concludeer ik dat BPM geheven kan worden. Er is niet zelf voor gekozen aangifte te doen, het betreft een verplichting. Het referentieobject in het kader van het gelijkheidsbeginsel betreft een Nederlands wrak. De BPM is, ook volgens Europese jurisprudentie, een restantbelasting welke ingeval van een wrak aanzienlijk zal zijn gedaald. In dit geval beloopt de BPM meer dan de waarde van het voertuig. De pleitnota is niet tardief. Alles wat daarin staat is ter zitting uitvoerig aan de orde gekomen.

De inspecteur:

Ik vraag mij af of de pleitnota van belanghebbende niet tardief moet worden verklaard. Wij moeten, voor registratie, een fiscaal akkoord geven. De eerste aangifte, op basis van de werkelijke waarde op dat moment, hebben wij geweigerd. De tweede aangifte, ditmaal volgens de tabel, is wel geaccepteerd. Om belastingplichtigen ter wille te zijn kunnen zij, vooruitlopend op het op de weg brengen van een auto, BPM betalen. Wij zijn bereid de bij aangifte geheven belasting terug te betalen en alsnog te heffen op het moment van op de weg brengen. Er is, na invoer, een kenteken afgegeven maar dat is kort daarna geschorst. Er wordt direct geregistreerd en pas later wordt bekeken of met de auto gereden mag worden. Het moment van heffen is het moment waarop dit mag. Belanghebbende heeft er zelf voor gekozen om bij invoer aangifte te doen. De tegenbewijsregeling is ingevoerd naar aanleiding van het arrest Gomes Valente. Er wordt dan gekeken naar referentieauto's. Het gaat dan om de restbelasting op soortgelijke voertuigen. Op een Nederlands wrak rust nog steeds een bedrag aan BPM. De Europese rechter kijkt naar “normale”, in de zin van rijvaardige, auto's. Nadat de auto is hersteld gaat de latente BPM herleven. Er komt een regeling met daarin een forfaitaire teruggave, op basis van de werkelijke waarde, voor gevallen van export van een wrak. Deze wordt dan verleend na registratie in het buitenland. Indien de pleitnota wordt gebruikt in de uitspraak, wil ik daarop nog kunnen reageren.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een waarde van de auto van € 4.700.

3.4. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1. De rechtbank gaat voorbij aan het verzoek van de inspecteur om hem in de gelegenheid te stellen nader te reageren op de pleitnota van belanghebbende, voor zover de rechtbank deze pleitnota gebruikt in zijn uitspraak. De pleitnota houdt een verdere onderbouwing dan wel beargumentering in van in eerdere stukken door belanghebbende ingenomen standpunten. Voor zover daarvan geen sprake zou zijn, is de inhoud van de pleitnota niet betrokken in deze uitspraak.

Materieel

4.2. Artikel 1 van de Wet BPM luidt, voor zover ten deze van belang, als volgt:

“1. Onder de naam ’belasting van personenauto's en motorrijwielen’ wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto’s en motorrijwielen en bestelauto's.

2. De belasting is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.”

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto is geregistreerd in het kentekenregister. Gelet op artikel 1, tweede lid van de Wet BPM zou derhalve op dat moment BPM verschuldigd zijn.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank dient evenwel in het oog te worden gehouden dat de BPM beoogt aan te sluiten bij de toetreding tot het Nederlandse wegennet (MvT Kamerstukken II 1992/93, 22 868, nr. 3, blz. 6). Toetreding tot het Nederlandse wegennet komt eerst aan de orde als sprake is van een “personenauto” in de zin van de Wet BPM. Met belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat niet de inspecteur maar de RDW de instantie is die dient te beoordelen of al dan niet sprake is van een “personenauto”. Anders dan belanghebbende is de rechtbank evenwel van oordeel dat voor die beoordeling niet van belang is of ter zake een kenteken is afgegeven maar dient te worden aangesloten bij de toelating tot het Nederlandse wegennet. Daarvan kan eerst sprake zijn nadat de auto met succes de ter zake verplicht gestelde keuring heeft doorstaan.

4.5. Ten tijde van het doen van aangifte verkeerde de auto, zoals ook blijkt uit de bij het beroepschrift gevoegde stukken, waaronder taxatierapporten voorzien van foto’s van de auto, in zodanige staat dat van toetreding tot het Nederlandse wegennet geen sprake kon zijn. Zulks wordt bevestigd door het feit dat het kentekenbewijs, enkele dagen na afgifte, is geschorst, waarna de auto de status “Wachten op Keuring” heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat in zoverre met betrekking tot de auto ten tijde van het doen van aangifte, geen sprake was van een personenauto in de zin van voornoemd artikel 1 van de Wet BPM zodat de inspecteur de aangifte in eerste aanleg terecht heeft geweigerd.

4.6. Een en ander brengt met zich mee dat ook de op 23 april 2006 gedane, tweede, aangifte, door de inspecteur had dienen te worden geweigerd. Immers, ook op dat tijdstip was van een personenauto in de zin van de Wet BPM, geen sprake. Nu van een belastbaar feit op dat moment nog geen sprake was heeft belanghebbende ten onrechte BPM op aangifte voldaan.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient te worden beslist als hierna vermeld.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- gelast teruggaaf van de op aangifte voldane belasting;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 805, en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 141 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 21 februari 2007 door mr. D. Hund, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.