Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA2054

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-02-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/1287
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtelijk verzuim verhindert navordering bij vennoten film CV's.

Aan belanghebbende, commanditair vennoot in een film-CV, is een navorderingsaanslag opgelegd waarbij alsnog de aftrek i.v.m. de investering in die CV is geweigerd. Het betreft dezelfde film-CV als in de uitspraak van Hof Amsterdam van 5 juli 2006 nr. 04/02274.

De rechtbank ordeelt dat het, gelet op de parlementaire geschiedenis betreffende de fiscale regelingen voor film-CV’s, op de weg lag van de inspecteur om in het kader van de aanslagregeling informatie in te winnen bij de Belastingdienst Hilversum omtrent de fiscale status van de betreffende CV in al die gevallen dat bij de aangifte geen door de Belastingdienst Hilversum geaccordeerde jaarstukken van de CV waren bijgevoegd. Nu de inspecteur geen informatie heeft ingewonnen doch de aangifte zonder meer heeft gevolgd, heeft hij bij de aanslagregeling niet de zorgvuldigheid betracht welke redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht (ambtelijk verzuim). De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat deze een uitzondering rechtvaardigen op de algemene regel dat de inspecteur met vertrouwen mag afgaan op de aangifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0677
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, Meervoudige Belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1287

Uitspraakdatum: 19 februari 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2000 op 17 mei 2001 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 108.400. Met dagtekening 1 juni 2005 heeft hij aan belanghebbende voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 130.399.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 februari 2006 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 11 maart 2006, ontvangen bij de rechtbank op 14 maart 2006, beroep ingesteld.

De inspecteur heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2007 te Breda, tezamen met het onderzoek in de zaak die bij de rechtbank is geregistreerd onder nummer 06/1286. Voor een overzicht van het verhandelde ter zitting alsmede de aldaar verschenen personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal dat aan deze uitspraak is gehecht. De door partijen overgelegde pleitnota’s worden tot de stukken van het geding gerekend.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende was in het jaar 2000 het gehele jaar werkzaam in dienstbetrekking. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 heeft hij een verlies uit onderneming aangegeven van f 34.718. Als toelichting heeft hij vermeld: “Deelname in 2 film CV’s”. In een bijlage bij de aangifte is als specificatie van de winst uit onderneming vermeld:

“Commanditair Vennoot bij de film CV’s [CV1] en het [CV2].

De resultaten over het boekjaar 2000 bedragen:

in dfl

[CV1] - 17970

[CV2] - 16748

Totaal Verlies 2001 - 34718”.

Jaarstukken van de CV’s waren niet bijgevoegd.

2.2. Bij de aanslagregeling is de aangifte gevolgd. Bij de navorderingsaanslag is het verlies van [CV1] gecorrigeerd met f 5.251 en is de aftrek van het verlies van [CV2] geweigerd. De correctie in verband met [CV1] is niet in geschil.

2.3. Belanghebbende is in het jaar 2000 gaan deelnemen in het [CV2], opgezet door - onder meer -BV (HELP BV). De CV waarin hij deelnam, CV 4, is er één van 40 CV’s die op 3 januari 2000 bij notariële akten zijn opgericht: [CV3] 1 tot en met 40. Beherend vennoot van alle CV’s was HELP BV. De CV's hebben blijkens de tekst van de notariële akten ieder ten doel "het produceren of het voor haar rekening doen produceren van één speelfilm, in eerste instantie bestemd voor vertoning in een filmtheater, alsmede het exploiteren van de rechten welke uit die film voortvloeien". Uitgangspunt daarbij was dat de films zouden worden gefinancierd door de inbreng van de commanditaire vennoten alsmede door een lening van B.V. (DFF).

2.4. In een op 16 mei 2000 door HELP BV uitgegeven prospectus (bijlage 16 bij het verweerschrift) is - onder meer - het volgende opgenomen:

"VOORWOORD

Deze Prospectus is gepubliceerd ten behoeve van particuliere investeerders die geïnteresseerd zijn in de inschrijving op een beperkt aantal Rechten van deelgenootschap (Participaties) in de Commanditaire Vennootschappen “[CV3] No. 1 t/m 40”.

In elk van deze commanditaire vennootschappen (CV’s) treedt [HELP] B.V. op als Beherend Vennoot.

Elk van deze CV’s heeft tot doel de productie van één bioscoopfilm.

De inschrijving op deze Participaties staat vanaf heden open tot nadere aankondiging.(…)

Het participeren in één van de veertig CV’s geeft het recht op Willekeurige Afschrijving - naar rato van deelname - van de Voortbrengingskosten van de betreffende bioscoopfilm en bovendien het recht op Investeringsaftrek en Stakingsvrijstelling als ondernemer.

De Participaties bedragen NLG 8.000,- (…) per stuk.

Per Participatie levert u dit een fiscale aftrek van NLG 9.965,- (124%), respectievelijk NLG 16.748,- (209%) op uw belastbaar inkomen op, afhankelijk van het gekozen financieringsmodel.

(…)

De toedeling van Participaties in de opeenvolgende CV’s No. 1 t/m 40 wordt door de Beherend Vennoot ‘[HELP] B.V.’ bepaald; zoveel mogelijk in volgorde van binnenkomst van de inschrijvingen.

(…)

5 40 SPEELFILMS VAN [HELP] B.V.

(…)

De exploitatie van de gerealiseerde Speelfilms komt in handen van de internationaal opererende verkoopmaatschappij [DFF] B.V. Voordat een Speelfilm wordt ingebracht in één van de bovengenoemde CV’s zal [DFF] de marktwaarde van dit project onderzoeken.

In het geval dat dit onderzoek tot positieve verwachtingen leidt wordt er een overeenkomst gesloten tussen [DFF] en [HELP] B.V. (…) waarin door [DFF] een garantie wordt afgegeven ten aanzien van de mogelijke exploitatie-opbrengst van de Speelfilm. Deze garantie zal voor de desbetreffende CV in ieder geval een waarde hebben ter hoogte van op zijn minst de helft van het Commanditair Kapitaal. (…)

6 DE FINANCIERING, INSCHRIJVING, PRODUCTIE EN EXPLOITATIE VAN DE SPEELFILM

(…)

De CV zal van de Speelfilm welke zij zal (doen) produceren alle rechten bezitten welke noodzakelijk zijn voor het vervaardigen en het in tijd onbeperkt exploiteren van de Speelfilm.

(…)

De uitvoering van de productie van de Speelfilm zal geschieden in samenwerking met gerenommeerde productiemaatschappijen en/of natuurlijke personen die hun sporen hebben verdiend in de filmindustrie. De Beherend Vennoot zal deze servicemaatschappijen dan wel personen uitzoeken en contracteren. De betaling door de CV aan de betrokkenen geschiedt eerst dan wanneer de Beherend Vennoot en de Completion Guarantor vinden dat aan de contractueel gestelde eisen is voldaan door betrokkenen.

(…)

De Raamovereenkomst tussen [HELP] B.V. en [DFF] voorziet in een gemeenschappelijk belang tussen beide partijen. Aan de ene kant verkrijgt [HELP] B.V. door deze overeenkomst een zekerheid voor meerdere projecten, waarbij het risico voor de Participanten tot een minimum wordt teruggebracht.

Aan de andere kant wordt [DFF] door deze overeenkomst in staat gesteld om onmiddellijk na gereedkoming van de Speelfilm deze film zo snel en efficiënt mogelijk te exploiteren. Deze exploitatieperiode zal in ieder geval vier maanden beslaan. Omdat volgens de Raamovereenkomst [DFF] pas vergoeding voor haar kosten kan ontvangen wanneer er opbrengst is en daarenboven pas wanneer deze opbrengst meer bedraagt dan de Minimum Opbrengstgarantie zal [DFF] een zo hoog mogelijk resultaat nastreven. (…)

De periode gedurende welke [DFF] een Speelfilm zal exploiteren zal afhangen van de inschatting van [DFF] ten aanzien van de optimale uitbating van de desbetreffende Speelfilm.

7 DE FISCALE ASPECTEN

Winstvaststellingsovereenkomst

Met de Belastingdienst zullen door de Beherend Vennoot ten behoeve van de Participanten afspraken worden gemaakt met betrekking tot de fiscale behandeling van de investering in de CV (…). Deze afspraken worden vastgelegd in een winstvaststellingsovereenkomst. De (…) afspraken zullen gelden voor alle Participanten. De winstvaststellingsovereenkomst zal landelijke werking hebben.

(…)

Op basis van de winstvaststellingsovereenkomst wordt de fiscale informatie welke de CV elk jaar aan de Participanten zal verstrekken ten behoeve van het invullen van de aangifte inkomsten- en vermogensbelasting, vooraf door de Belastingdienst gecontroleerd.

(…)

De [HELP] CV’s zijn besloten commanditaire vennootschappen, die transparant zijn voor de belastingheffing. Dit betekent dat (..) belastingheffing plaatsvindt bij de afzonderlijke vennoten in de CV, aan wie de resultaten van de onderneming rechtstreeks worden toegerekend. (…)

De Participanten worden als ondernemers aangemerkt voor de toepassing van (…) de Wet IB (…). De Participanten kunnen daarom gebruik maken van een aantal belastingfaciliteiten in de Wet IB die alleen voor ondernemers gelden, zoals de Investeringsaftrek, de (willekeurige) afschrijving en de Stakingsvrijstelling. (…)."

2.5. Als bijlage F bij het prospectus is opgenomen een "Raamovereenkomst [HELP] B.V. en [DFF] B.V." welke onder meer het volgende inhoudt:

"(…)

[HELP] en [DFF] hebben besloten exclusief met elkaar samen te werken voor zover het betreft Speelfilms welke gefinancierd zullen worden met de regeling WA FILM;

(…)

Artikel 2

[HELP] en [DFF] zullen per film en aldus per CV een overeenkomst sluiten welke specifiek betrekking heeft op de desbetreffende Speelfilm. Deze overeenkomst zal in ieder geval behelzen dat DEF het alleenrecht van exploitatie en verkoop zal verwerven. (…)

Artikel 3

(…) [HELP] zal iedere Speelfilm waarbij zij betrokken is en waarbij gebruik wordt gemaakt van de regeling WA FILM per ommegaande aan [DFF] aanbieden in diens hoedanigheid van financier en verkoopmaatschappij; (…)

Artikel 6

(…) Wanneer [DFF] aan [HELP] de rechten van een Speelfilm aanbiedt om deze te produceren zal dit aanbod vergezeld gaan van de toezegging van een Minimum Opbrengstgarantie en bijbehorende bankgarantie. De Minimum Opbrengstgarantie zal minimaal 54,95% van de Voortbrengingskosten van de Speelfilm bedragen. (…)

Artikel 7

[DFF] zal door het stellen van een bankgarantie en door de in art. 2 bedoelde overeenkomst het alleenrecht verwerven op de exploitatie en verkoop van alle rechten van de desbetreffende Speelfilm voor zover deze in het bezit zijn van [HELP].

Artikel 8

(…) [DFF] zal voor haar diensten alsmede voor haar kosten en de door haar aangegane risico’s een commissiepercentage ontvangen van 35% (zegge: vijfendertig procent) van het door haar behaalde exploitatie- en verkoopresultaat.(…)".

2.6. Voorafgaand aan de oprichting van de CV's heeft in 1999 overleg plaats gevonden tussen de directie van HELP BV, de gemachtigde van de CV's, en de Belastingdienst (de daartoe landelijk bevoegd verklaarde eenheid). Daarbij is aangegeven dat aan de Belastingdienst zogeheten winstvaststellingsovereenkomsten zouden worden voorgelegd. Voor CV 1, CV 2 en CV 3 zijn aldus winstvaststellingsovereenkomsten tot stand gekomen. Voor de onderhavige CV is geen winstvaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.

2.7. Op 12 december 2000 is, kennelijk in het kader van de hiervoor in 2.5 vermelde raamovereenkomst, tussen HELP BV namens CV 4 en de besloten vennootschap DFF BV de volgende (lening)overeenkomst gesloten (bijlage 13 bij het verweerschrift):

"(…) In overweging nemende dat tussen partijen een raamovereenkomst is gesloten op 3 april 2000, welke overeenkomst onderdeel uitmaakt van de prospectus van het [HELP] Fonds d.d. 16 mei 2000,

[CV3] 4 de film '[Film1]' zal gaan produceren, met een productiebudget van fl. 16.350.974,-,

[DFF] zorg zal dragen voor een deel van de financiering van de film tot een bedrag van US$ 5.035.000,- in de vorm van een lening,

komen als volgt overeen:

artikel 1

[DFF] zal een lening (…) verstrekken aan HELP, mits HELP een production services agreement zal zijn aangegaan met '[onderneming1]", Inc.' en/of haar dochteronderneming "[onderneming2].

artikel 2

De betaling van de termijnen zal geschieden rechtstreeks aan de production services maatschappijen, en wel als volgt:

- Eerste termijn: US$ 535.000,-, vóór 23 december 2000, doch niet eerder dan zodra HELP een betaling ad US$ 1.380.000,- aan de service producer zal hebben verricht

- Tweede termijn: US$ 2.500.000,-, vóór de eerste draaidag

(…).

artikel 3

De film zal worden opgeleverd vóór 1 januari 2002 en zal ter beschikking worden gesteld voor exploitatie aan DFF.

DFF zal het alleenrecht hebben om de rechten van de film aan derden in licentie te geven.

artikel 4

De aflossing van de lening zal uitsluitend geschieden uit de opbrengsten van de film. Alle opbrengsten zullen allereerst worden aangewend ter aflossing van de schuld;

artikel 5

Nadat de lening geheel zal zijn afgelost, zal DFF bij wijze van vergoeding voor haar rentederving en haar verkoopinspanningen een percentage ontvangen van 35% van de bruto opbrengst van de film, tot het bedrag waarbij de lening uit de resterende 65% geheel zal zijn terugbetaald.

Over de meerdere opbrengst zal DFF 25% van de bruto opbrengst ontvangen.

Indien de opbrengsten van de film niet voldoende zullen zijn om de lening geheel af te lossen, dan zal DFF het recht hebben om ná 1 januari 2003 bij wijze van aflossing alle overige filmrechten voor zich op te eisen, dan wel deze filmrechten aan een derde te verkopen. Dit alles bij wijze van finale kwijting van de schuld van HELP aan DFF."

2.8. Op 15 december 2000 is belanghebbende als commanditair vennoot met één participatie tot de CV toegetreden. Zijn investering in de CV bedroeg derhalve f 8.000.

2.9. Op 18 december 2000 is tussen (HELP BV namens) CV 4 en [onderneming3]] een overeenkomst gesloten (bijlage 17 bij het verweerschrift) waarvan de inhoud in hoofdzaak als volgt luidt:

"SHORT FORM OPTION AGREEMENT

(…) That for good and valuable consideration, receipt whereof is hereby acknowledged, the undersigned [ [onderrneming3]] hereby sells, grants, conveys, transfers, sets over and assigns unto [HELP] BV the exclusive and irrevocable option to purchase, exclusively and forever, the right to produce one motion picture (the "Picture") based on the screenplay by Mike White entitled "[Film1]" (the "Screenplay") and, throughout the world in perpetuity, the right to exploit the Picture in all media now known or hereafter devised, all subject to the agreement referred to below.

The undersigned have entered into a letter agreement ("Agreement") dated as of December 18, 2000 relating to the transfer and assignment of the foregoing rights, which rights do not include the copyright in the Screenplay, and this Short Form Option Agreement is expressly made subject to all the terms, conditions and provisions contained in the Agreement.".

2.10. Tot de stukken behoort een bij brief van 4 februari 2004 namens [HELP] aan de inspecteur gezonden, ongetekende overeenkomst, gedateerd 18 december 2000, tussen [onderrneming3] als koper en DFF als verkoper (bijlage 26 bij het verweerschrift) waarvan de inhoud in hoofdzaak als volgt luidt:

“LICENCE AGREEMENT

(…)

1. Definitions.

(…)

(e) The “Picture”means a motion picture based upon the Screenplay which is presently entitled “[Film1]”.

(…)

2. Grant of rights.

Vendor hereby irrevocably grants and assigns to [[onderrneming3]] on an exclusive basis all of Vendor’s rights in the Screenplay. The Picture and all characters and literary and artistic material contained therein (including, without limitation, the copyright and all theatrical, non-theatrical, television, home video, film clip, all computer and interactive, merchandising, print publication, novelization, music publishing, soundtrack album, theme park. Prequel, sequel, remake and all television program rights, including episode, spinn-off and long form rights). Included in the rights granted to [[onderrneming3]] are customary advertising and publicity rights. (…)

5. HELP Credit

The negative and positive prints of the Picture (…) shall include a production credit tot [HELP] which credit shall appear on all finished release prints of the Picture, in the end titles. (…)

6. License Fee

The License Fee is an amount equal to 89.5% (but no less than US $ 5.740.000) of the final approved production budget for the Picture. (…)

9. Ownership

The Picture and all rights therein (…) shall (…) be vested in [[onderneming3]] (…).”

2.11. In een “Bericht voor teams” van de Belastingdienst uit 1999 is aan de medewerkers van de Belastingdienst het volgende medegedeeld:

“[de eenheid] coördineert film-CV’s

[woonplaats]. Verzoeken voor fiscale behandeling van film-CV’s en hun vennoten moeten voortaan worden doorgestuurd naar [de eenheid].

Deze eenheid is segmenttrekker voor filmproductiebedrijven. (…)

Dit meldt de portefeuillehouder IB-winst/digra.”

3. Geschil

In geschil is of de navorderingsaanslag, voor zover deze betrekking heeft op de deelname van belanghebbende in CV 4, terecht is opgelegd. Belanghebbende stelt (i) dat een nieuw feit voor navordering ontbreekt omdat de inspecteur bij het opleggen van de primitieve aanslag een onderzoek had moeten instellen naar de status van de C.V., (ii) dat het opleggen van een navorderingsaanslag in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het opportuniteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, en (iii) dat de deelname moet worden aangemerkt als bron van inkomen zodat de geclaimde aftrekpost juist is.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 113.651.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en op hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De fiscale regelingen voor film-CV’s (de filmfaciliteit) hebben tot doel een versterking van de structuur van de filmindustrie. Bij brief van 23 juni 1997 (Tweede Kamerstuk 25 434, nr. 1, blz. 4) is onder meer aangegeven: “De concrete uitwerking van de nieuwe faciliteit van het ministerie van Economische Zaken zal fiscaal optimaal worden vormgegeven en begeleid, dit laatste bijvoorbeeld door het aanbieden van (fiscale) zekerheid.”

4.2. Omtrent de vormgeving van de filmfaciliteit heeft de minister van Economische Zaken bij brief van 11 december 1997 de Tweede Kamer onder meer als volgt geïnformeerd:

“Via een professionele intermediair (zoals banken) worden particuliere beleggers geworven die als commandiet willen optreden en in dit kader risicodragend kapitaal willen verschaffen. Deze commandieten zijn in fiscaal opzicht geen particuliere belegger maar ondernemer. (…) Daarnaast zal in het kader van de uitwerking zekerheid worden geboden omtrent de fiscale consequenties.”

4.3. In een Algemeen overleg van de vaste commissies voor Economische zaken, Financiën en Onderwijs van de Tweede Kamer (Tweede Kamerstuk 25 434, nr. 4, blz. 5 en 8) heeft de Minister van Economische zaken onder meer opgemerkt:

“Uit de statistieken blijkt dat films een buitengewoon riskante onderneming zijn: van de tien films die er worden gemaakt, floppen er gemiddeld vijf, drie behalen middelmatige resultaten, waar beleggers niet enthousiast over zijn, en twee zijn succesvol.”

en de staatssecretaris van Financiën:

“Bij het fiscale instrument kan gebruik worden gemaakt van de belastingdienst, die efficiënt en doelmatig is en alle gegevens heeft. Hij kan de fiscale faciliteit vrij snel verlenen. Er is gekeken welke regelingen er al waren en die zijn nader toegespitst. Er is binnen het bestaande instrumentarium gezocht naar financiële prikkels om beleggers te interesseren voor de film. Uiteindelijk is gekozen voor het instrument van de willekeurige afschrijving. Het geschikt maken van de tante Agaathregeling voor de filmindustrie zou botsen met de gedachte om beleggers via een commanditaire vennootschap te interesseren voor de film. Het aantrekkelijke is dat zij aangemerkt kunnen worden als ondernemer, als de commanditaire vennootschap voldoet aan een aantal voorwaarden.”

4.4. Krachtens artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond opleveren voor navordering behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende te goeder trouw aftrek ter zake van de belegging in CV 4 heeft geclaimd.

4.5. Uit de hiervoor onder 4.1. tot en met 4.3. weergegeven stukken blijkt, dat het bij de opzet van de filmfaciliteit van meet af aan van belang is geacht dat sprake zou zijn van een zorgvuldige fiscale begeleiding c.q. door de belastingdienst te verstrekken zekerheid. Naar de rechtbank aanneemt is dat de aanleiding geweest om, zoals in 2.11 is vermeld, de belastingdienst [woonplaats] aan te wijzen als segmenttrekker voor filmproductiebedrijven.

4.6. Zoals de inspecteur in de stukken en ter zitting heeft aangegeven, behoorde het tot de taak van de belastingdienst [woonplaats] om aan filmproductiebedrijven desgevraagd zekerheid te verstrekken dat bij deelname in een bepaalde film-CV voor beleggers de filmfaciliteit van toepassing zou zijn. Doordat daaromtrent in 1999 alle medewerkers van de belastingdienst waren geïnformeerd, was aan al deze medewerkers duidelijk dat zij, via de informatie waarover de Belastingdienst [woonplaats] beschikte, zekerheid konden krijgen omtrent deze zelfde vraag, bijvoorbeeld in het kader van de aanslagregeling. De rechtbank acht niet aannemelijk dat ook particuliere beleggers op de hoogte waren van deze zekerheid verschaffende rol van de Belastingdienst [woonplaats]. Overigens is het ook zeer de vraag of de Belastingdienst [woonplaats], gezien haar geheimhoudingsplicht (artikel 67 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen), bevoegd en bereid zou zijn geweest om aan particulieren die deel wilden gaan nemen in een film-CV tevoren informatie te verschaffen omtrent de fiscale status van die CV c.q. de commanditaire vennoten daarvan. De rechtbank acht die kans niet groot, nu de inspecteur ter zitting al heeft aangegeven dat hij over andere film- CV’s dan die van HELP geen informatie mag verstrekken. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat de inspecteur op de geheimhoudingsplicht een uitzondering zou hebben willen maken voor potentiële beleggers in een bepaalde CV, is in elk geval is niet gebleken dat aan die mogelijkheid op enigerlei wijze ruchtbaarheid is gegeven.

4.7. De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden op de weg lag van de inspecteurs om, in het kader van de aanslagregeling van particulieren die als commanditaire vennoot in een film-CV de daaraan verbonden fiscale faciliteiten in hun aangifte claimden, informatie in te winnen bij de Belastingdienst [woonplaats] omtrent de fiscale status van de betreffende CV in al die gevallen dat bij de aangifte geen door de Belastingdienst [woonplaats] geaccordeerde jaarstukken van de CV waren bijgevoegd. In het onderhavige geval zou dat hebben geleid tot de informatie dat aan CV 4 geen zekerheid omtrent haar fiscale status was verleend, hetgeen de inspecteur er toe had moeten brengen bij belanghebbende nadere inlichtingen in te winnen omtrent de toepasselijkheid van de filmfaciliteit en, indien belanghebbende de toepasselijkheid daarvan niet aannemelijk kon maken, de aftrek te weigeren. Nu de inspecteur geen informatie heeft ingewonnen doch hij de aangifte zonder meer heeft gevolgd, heeft hij bij de aanslagregeling niet de zorgvuldigheid betracht welke redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht en is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert.

4.8. Aan het vorenoverwogene doet niet af dat de inspecteur in het algemeen met vertrouwen mag afgaan op de aangifte. De rechtbank is van oordeel dat er, gezien de wetsgeschiedenis, met betrekking tot de filmfaciliteit sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat deze een uitzondering op deze algemene regel rechtvaardigen.

4.9. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en behoeven de overige stellingen van belanghebbende geen behandeling meer.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor deze zaak en de daarmee samenhangende zaak met nummer 06/1286 vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1), waarvan 50% of € 322 voor de onderhavige zaak.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 113.651;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 322, en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende dient te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 19 februari 2007 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. A.A. den Hartog en mr. W. Brouwer, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.