Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA1627

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
parketnr. 801374-06, rk-nummer: 07/294
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een verzoek ex art. 90 lid 4 in combinatie met 89 sv. Hierbij gaat het om een verzoek van een rm waarbij zijn cliënt 103 dagen in voorarrest heeft gezeten en vervolgens bij de pr een gevangenisstraf van 3 weken heeft gekregen. De rm heeft een verzoek gedaan om de hechtenis die veroordeelde te lang heeft gezeten om te zetten in straffen die hij nog moet ondergaan conform art. 90 lid 4 sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

parketnr. 801374-06

rk-nummer: 07/294

Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 89/90 lid 4 wetboek van strafvordering

Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 89/90 lid 4 van het wetboek van strafvordering ingekomen ter griffie op 2 maart 2007, in de zaak:

[verdachte],

[geboortedatum en plaats],

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman, mr. van Waes, kantoorhoudende te 4611 CB Bergen op Zoom, Stationsstraat 19,

thans uit andere hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring te Breda.

1. De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

? het verzoekschrift dat strekt tot het in mindering brengen van de dagen die verzoeker op grond van een bevel tot inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van een uit andere hoofde opgelegde vrijheidsstraf;

? het vonnis van de politierechter van 27 februari 2007 waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 weken;

? de stukken waaruit blijkt dat verzoeker op 16 november 2006 in verzekering is gesteld en op 27 februari 2007 in vrijheid is gesteld;

? het proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 21 maart 2007 waaruit blijkt dat de officier van justitie alsmede verzoeker en zijn raadsman zijn gehoord.

2. De beoordeling.

Verzoeker is, na 103 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis te hebben doorgebracht, bij vonnis van de politierechter van 27 februari 2007, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 weken. Direct aansluitend aan de uitspraak van de politierechter is verzoeker niet in vrijheid gesteld. Het openbaar ministerie is toen overgegaan tot de tenuitvoerlegging van eerder aan verzoeker opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraffen tot een totale duur van 94 dagen. Op verzoeken om de tijd die te lang in detentie was doorgebracht in mindering te brengen op de nog openstaande straffen, heeft het Openbaar Ministerie negatief beslist. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie zich beroepen op een aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen (vervallen), van het College van Procureurs-generaal. Daarin is het volgende bepaald:

"Het Openbaar Ministerie is verplicht de door de rechter opgelegde straffen te executeren. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie in geen enkel geval de bevoegdheid heeft straffen te compenseren anders dan van rechtswege of krachtens rechterlijk bevel. Compensatie kan enkel door de rechter worden uitgesproken op voet van het bepaalde in artikel 90 lid 4 wetboek van strafvordering".

Verzoeker heeft vervolgens de rechtbank verzocht het gedeelte dat verzoeker te lang in voorlopige hechtenis had doorgebracht te compenseren met de nog openstaande straffen. De rechtbank heeft dat verzoek opgevat als een verzoek tot toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 89 wetboek van strafvordering, met toepassing van artikel 90 lid 4 wetboek van strafvordering.

Art 90 lid 4 wetboek van strafvordering bepaalt dat wanneer de rechter een schadevergoeding toekent voor de ten gevolge van de ondergane voorlopige hechtenis geleden schade, de rechter in plaats van een schadevergoeding toe te kennen, kan bepalen dat de dagen die in detentie zijn doorgebracht, in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van een uit andere hoofde opgelegde vrijheidsstraf. Uitgangspunt is derhalve dat er het voornemen bestond om een schadevergoeding toe te kennen. Dat is op grond van artikel 89 wetboek van strafvordering echter alleen mogelijk wanneer een zaak eindigt zonder straf of maatregel, of met oplegging van een straf of maatregel, maar dan voor een feit waarvoor geen voorlopige hechtenis was toegelaten.

Vorenstaande betekent dat de wet de (straf)rechter niet de mogelijkheid geeft om een schadevergoeding toe te kennen in het geval als dat van verzoeker waarin een veroordeling is uitgesproken voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Of de voorzieningenrechter die mogelijkheid heeft, staat nu niet ter beoordeling. Gelet hierop kan een verzoek tot compensatie evenmin aan de orde komen.

Ofschoon in het verleden een wijze van handelen als door verzoeker voorgesteld wel werd gevolgd en ofschoon gezegd kan worden dat stringente toepassing van de aanwijzing in een geval als het onderhavige de redelijkheid lijkt te ontberen, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om anders te beslissen dan op grond van de artikelen 89 en 90 wetboek van strafvordering mogelijk is. Het ligt op de weg van het College van Procureurs-generaal om de aanwijzing zodanig toe te passen dat de redelijkheid niet uit het oog wordt verloren dan wel op die van de wetgever om een regeling in het leven te roepen waarin de mogelijkheid wordt gecreëerd om in gevallen als de onderhavige een compensatie toe te kennen.

3. De beslissing.

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beslissing is op 28 maart 2007 gegeven door mr. Kooijman, rechter, in tegenwoordigheid van

Van Gastel, griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2007 door

mr. Kooijman voornoemd.