Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BA0694

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
167125 FA RK 06-4934
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling behoefte minderjarige. Partijen hebben nimmer samengeleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

Team familierecht

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: 167125 FA RK 06-4934

Beschikking betreffende levensonderhoud,

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

procureur mr. I.H. van der Zee,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

procureur mr. A.M.M.J.F. Zuidhof.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 1 november 2006 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 28 november 2006 ontvangen verweerschrift met bijlagen;

- de op 9 januari 2007 ontvangen brief van de procureur van de man met bijlagen;

- de op 9 januari 2007 ontvangen brieven van de procureur van de vrouw met bijlagen;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 januari 2007.

2. Het verzoek

De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man ten behoeve van na te noemen minderjarige te betalen onderhoudsbijdrage van € 200,= per maand, met ingang van 1 januari 2006.

3. De beoordeling

3.1 Blijkens de stellingen en de overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast.

- Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

- Partijen hebben nooit in gezinsverband met elkaar samengeleefd.

-Uit de relatie van partijen is één thans nog minderjarig kind geboren: [naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

-De vrouw is belast met het gezag over die minderjarige.

-Er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ingevolge welke de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige moet voldoen.

Grond voor het verzoek

3.2 De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de minderjarige behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen.

Behoefte van de minderjarige

3.3 De man betwist (de hoogte van) de behoefte van de minderjarige aan de door de vrouw verzochte bijdrage. Hij stelt in dat verband dat de vrouw ook een deel van de kosten van verzorging en opvoeding voor haar rekening dient te nemen. Daarnaast is het volgens hem de vraag hoe de behoefte van [naam minderjarige] moet worden vastgesteld, nu partijen nooit in gezinsverband met elkaar hebben samengeleefd. De man is getrouwd met mevrouw [naam partner], uit welk huwelijk twee kinderen zijn geboren. Naar zijn mening moet bij de bepaling van de behoefte van [naam minderjarige] rekening worden gehouden met zijn onderhoudsplicht voor deze twee kinderen. De vrouw wist immers dat hij een gezin had met de bijbehorende kosten, aldus de man.

3.4 De vrouw stelt dat de door haar verzochte bijdrage niet de totale behoefte van [naam minderjarige] bedraagt. Op basis van een gezinsinkomen van partijen van € 4.400,= netto per maand, bestaande uit € 2.400,= van de man en € 1.950,= van de vrouw, becijfert zij de basisbehoefte op € 800,= per maand. Volgens de vrouw zijn er voorts twee behoefteverhogende factoren, te weten de kosten voor kinderopvang en de kosten voor de voedselallergie van [naam minderjarige].

3.5 Tussen partijen is in geschil hoe de hoogte van de basisbehoefte van de minderjarige

moet worden becijferd nu zij nooit hebben samengewoond. Partijen zijn het er wel over eens dat daarbij op enige wijze rekening moet worden gehouden met het inkomen van de man en dat voor wat betreft de hoogte van de betreffende inkomens kan worden uitgegaan van de jaaropgaven 2005.

3.6 De rechtbank overweegt als volgt. Het gaat om de eerste vaststelling van een bijdrage

voor de minderjarige. Een optelling van de toenmalige netto-inkomens van de man en de vrouw om te komen tot een fictief gezinsinkomen komt de rechtbank niet juist voor, nu de man feitelijk in gezinsverband samenleefde en nog steeds samenleeft met zijn echtgenote en hun twee kinderen, terwijl de “tabel eigen aandeel kosten van kinderen” als gehanteerd door de Werkgroep Alimentatienormen met betrekking tot het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen uitgaat van één enkel gezamenlijk huishouden van de ouders.

Bij de bepaling van de behoefte van het kind dient in redelijkheid in gelijke mate rekening gehouden te worden met de feitelijke situatie van elk der partijen, nu beide ouders onderhoudsplichtig zijn. Daarom zal bij het vaststellen van de behoefte van de minderjarige rekening worden gehouden met de situatie dat de behoefte van het kind geheel zou worden bepaald op grond van het inkomen van de vrouw en met de situatie dat de behoefte geheel zou worden bepaald op grond van het inkomen van de man en zijn verdere omstandigheden, waaronder het feit dat hij in gezinsverband samenleefde en samenleeft met zijn echtgenote en hun twee kinderen. Met inachtneming van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen dient zal het resultaat van beide situaties vervolgens worden gemiddeld.

De rechtbank stelt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw aan de hand van haar jaaropgave 2005 en rekening houdend met de fiscale gevolgen vast op € 1.952,= per maand. Voor het netto besteedbaar gezinsinkomen van de man gaat de rechtbank uit van zijn jaaropgave 2005 en een netto inkomen van zijn echtgenote van € 268,= per maand, hetgeen, rekening houdend met de fiscale gevolgen, leidt tot een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.195,= per maand. Voor de behoeftebepaling van [naam minderjarige] in de gezinsituatie van de man wordt voorts de tabel voor drie kinderen gehanteerd, nu de man reeds twee kinderen in zijn gezin heeft.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank de basisbehoefte van de minderjarige, rekening houdend met de wettelijke indexering, vast op € 263,35 per maand in 2006.

3.7 De vrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat dit bedrag verhoogd dient te worden met de kosten voor kinderopvang en de kosten voor de voedselallergie van [naam minderjarige].

Omtrent de kosten voor kinderopvang zijn partijen het er over eens dat deze conform de Tremanormen de basisbehoefte van het kind mogen verhogen met een bedrag ter hoogte van maximaal 4% van het besteedbaar inkomen van de vrouw per maand en voorts staat tussen hen vast dat dat bedrag in casu € 64,40 per maand bedraagt.

Met betrekking tot de voedselallergie van de minderjarige zal de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van de minderjarige conform de Tremanormen geen rekening houden met die kosten, nu deze hogere kosten te compenseren zijn met andere uitgavenposten en bovendien stukken omtrent die extra kosten geheel ontbreken.

Derhalve wordt de basisbehoefte alleen verhoogd met de kosten voor kinderopvang ad

€ 64,40. Op grond van het voorgaande begroot de rechtbank de behoefte van het kind op een bedrag van in totaal € 327,75 per maand in 2006.

Vaststelling van aandeel ouders in de kosten van het kind

3.8 Om te kunnen bepalen met welk (fictief) aandeel ieder van de ouders, gelet op hun draagkracht, kan voorzien in die behoefte dienen hun financiële omstandigheden te worden vergeleken. Conform het advies van de Werkgroep Alimentatienormen, zal de rechtbank voor deze berekening het kind buiten beschouwing laten. De vrouw zal voor de draagkrachtvergelijking aldus worden aangemerkt als alleenstaande, nu de draagkrachtvergelijking ziet op een verdeling van de behoefte van de minderjarige over de onderhoudsplichtigen en het dus niet juist is om in de bijstandsnorm van de vrouw reeds rekening te houden met de kosten van dit kind. De man daarentegen heeft zijn echtgenote en hun twee kinderen te onderhouden zodat voor hem, ook voor de draagkrachtvergelijking, de gezinsnorm moet worden gehanteerd. Vervolgens zal de rechtbank bezien of de man daadwerkelijk in staat is zijn aandeel in de kosten van het kind, zoals dat uit de draagkrachtvergelijking zal blijken, te voldoen.

Financiële beoordeling van de vrouw

3.9 Vooropgesteld wordt dat de stelling van de man, dat de kosten van kinderopvang bij de becijfering van de draagkracht van de vrouw niet meegenomen kunnen worden omdat deze reeds behoefteverhogend werken, wordt gepasseerd. De rechtbank acht het redelijk om bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw rekening te houden met deze kosten, nu het gaat om een structurele last die de vrouw feitelijk heeft en die het behoefteverhogende bedrag van € 64,40 te boven gaat.

3.10 Voor de vaststelling van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank aldus uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens:

3.11 De vrouw heeft een salaris van € 1.882,69 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag, de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage in de premie zorgverzekering, een dertiende maand en € 184,= per maand aan belaste onkostenvergoeding (waaronder de werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang).

3.12 De rechtbank heeft, uitgaande van voormeld bruto-inkomen, het netto besteedbaar inkomen becijferd op € 2.315,= per maand, in fiscaal opzicht rekening houdende met de van toepassing zijnde premies, hypotheekrente, een eigenwoningforfait van € 913,=, heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, kinderkorting, combinatiekorting, aanvullende combinatiekorting, alleenstaande ouderkorting, aanvullende alleenstaande ouderkorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting.

De stelling van de vrouw, dat zij geen recht zou hebben op bepaalde heffingskortingen die verband houden met de minderjarige omdat zij kinderopvangtoeslag ontvangt, wordt gepasseerd nu geen verband bestaat tussen de heffingskortingen en de kindertoeslag en niet gebleken is dat de vrouw geen recht heeft op die heffingskortingen. Het feit dat deze in 2005 niet op de aanslag inkomstenbelasting vermeld staan, betekent niet dat de vrouw geen recht heeft op deze kortingen. Immers, bij gebreke van een aangifte inkomstenbelasting kan niet worden vastgesteld of de vrouw de kortingen wel heeft aangevraagd.

3.13 Met betrekking tot haar lasten en uitgaven gaat de rechtbank uit van de volgende posten op maandbasis:

- het op de Wet werk en bijstand gebaseerde normbedrag voor een zelfstandig wonende alleenstaande, waaruit de noodzakelijke in het algemeen geldende kosten van levensonderhoud moeten worden voldaan, exclusief de woonkostencomponent;

- € 445,= aan rente terzake de hypothecaire lening betreffende haar woning;

- € 45,38 aan premie levens/overlijdensrisicoverzekering, gesloten in verband met die lening;

- € 95,= (forfaitair) aan zakelijke lasten betreffende die woning;

- € 219,03 aan ziektekosten:

a) € 121,78 aan inkomensafhankelijke premie zorgverzekering;

b) € 128,25 aan premie basisverzekering en aanvullende verzekering(en);

c) verminderd met € 31,= aan zorgtoeslag;

- € 222,= aan netto kosten van kinderopvang (€ 953,= aan opvangkosten minus € 731,= aan kinderopvangtoeslag).

3.14 Voor het overige is niet gebleken van zodanige lasten dat daarmee in het bijzonder rekening moet worden gehouden.

3.15 Op grond van voormelde financiële omstandigheden is bij de vrouw sprake van een draagkrachtruimte van € 640,=, waarvan 60% ofwel € 384,= als beschikbare draagkracht voor kinderbijdrage(n) moet worden aangemerkt.

Financiële beoordeling van de man

3.16 Voor de vaststelling van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens:

3.17 De man heeft een salaris van € 2.601,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag, de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage in de premie zorgverzekering en met een gemiddeld inkomen uit overwerk van € 150,= bruto per maand.

3.18 De echtgenote van de man heeft een gemiddeld inkomen van € 268,= netto per maand en kan daarmee niet in haar eigen levensonderhoud voorzien. De rechtbank zal haar inkomen derhalve meenemen bij het inkomen van de man en uitgaan van de gezinsnorm.

3.19 De rechtbank heeft, uitgaande van voormeld bruto-inkomen van de man en het netto inkomen van zijn echtgenote, hun netto besteedbaar inkomen becijferd op € 2.877,= per maand, in fiscaal opzicht rekening houdende met de van toepassing zijnde premies, hypotheekrente, een eigenwoningforfait van € 918,=, heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, kinderkorting, combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting.

3.20 Met betrekking tot zijn lasten en uitgaven gaat de rechtbank uit van de volgende posten op maandbasis:

- het op de Wet werk en bijstand gebaseerde normbedrag voor een gezin, waaruit de noodzakelijke in het algemeen geldende kosten van levensonderhoud moeten worden voldaan, exclusief de woonkostencomponent;

- € 333,33 aan rente terzake de hypothecaire lening betreffende zijn woning;

- € 50,= aan premie levens/overlijdensrisicoverzekering, gesloten in verband met die lening, nu dit niet door de vrouw is betwist;

- € 95,= (forfaitair) aan zakelijke lasten betreffende die woning;

- € 419,08 aan ziektekosten:

a) € 162,58 aan inkomensafhankelijke premie zorgverzekering;

b) € 256,50 aan premie basisverzekering en aanvullende verzekering(en);

- € 18,86 aan premie begrafenisverzekering, nu uit productie 9 bij het verweerschrift blijkt dat dit de premie per maand betreft.

3.21 De rechtbank houdt geen rekening met het door de man opgevoerde bedrag van

€ 143,17 aan premie levensverzekering bij Reaal, nu de overgelegde specificatie slechts een offerte betreft, gedateerd na indiening van het verzoekschrift, en geen betalingsbewijzen zijn overgelegd. Voorts heeft de man ook ter terechtzitting onvoldoende toegelicht wat het karakter van de premie is.

3.22 Voor het overige is niet gebleken van zodanige lasten dat daarmee in het bijzonder rekening moet worden gehouden.

3.23 Op grond van voormelde financiële omstandigheden is bij de man sprake van een draagkrachtruimte van € 950,=, waarvan 45% vermeerderd met het fiscale voordeel buitengewone lastenaftrek ad € 22,= ofwel € 450,= als beschikbare draagkracht voor kinderbijdrage(n) moet worden aangemerkt.

3.24 Vergelijking van voormelde berekende draagkracht bij partijen brengt de rechtbank tot het oordeel dat de man met een deel van 54% en de vrouw met een deel van 46% dient bij te dragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van de minderjarige. Het aandeel van de man is derhalve € 177,= per maand.

Feitelijke draagkracht van de man

3.25 Vervolgens moet worden vastgesteld of de man feitelijk de draagkracht heeft om zijn aandeel in de behoefte te voldoen. Daarvoor gaat de rechtbank uit van alle onder rechtsoverweging 3.16 tot en met 3.23 vermelde financiële omstandigheden. Op grond van die financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen, acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om € 177,= per maand te voldoen. Aangezien die bijdrage overigens in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, zal de rechtbank die bijdrage vaststellen.

Ingangsdatum

3.26 De rechtbank zal de verplichting tot betaling van die bijdrage doen ingaan op 1 september 2006, omdat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij de man bij brief van 17 augustus 2006 reeds heeft verzocht om een bijdrage ten behoeve van de minderjarige te voldoen en de man derhalve vanaf dat moment rekening kon houden met vaststelling van een bijdrage.

Proceskosten

3.27 Omdat tussen partijen sprake is van een relatie als bedoeld in de tweede zin van lid 1 van artikel 237 Rechtsvordering zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren.

4. De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2006 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 177,= (honderdzevenenzeventig euro) per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Beld, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op: