Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ9916

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
12-03-2007
Zaaknummer
405564 cv 06-4493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

werknemer vordert verklaring voor recht dat werkgever aansprakelijk is voor een hem overkomen bedrijfsongeval en veroordeling van werkgever tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat. De vordering stuit echter af op een na dagvaarding besproken en totstandgekomen vaststellingsovereenkomst. Werknemer ontkent wel die vaststellingsovereenkomst te hebben gewild en gesloten, maar wordt daaraan gebonden geacht. Een eventuele communicatiestoornis met zijn gemachtigde en dat de overeenkomst niet door werknemer werd ondertekend, doen aan het bestaan van de gesloten vormvrije overeenkomst niet af. Dat werknemer nadien voor het eerst kenbaar maakte de overeenkomst eigenlijk toch niet te (hebben) willen sluiten, kan aan de reeds totstandgekomen vaststellingsovereenkomst niet meer afdoen. Omdat de afwijzing zijn grond vindt in een uiteindelijk pas na dagvaarding besproken en totstandgekomen vaststellingsovereenkomst, worden de proceskosten gecompenseerd omdat partijen in het licht van de vaststellingsovereenkomst als over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 405564 CV EXPL 06-4493

vonnis bij vervroeging d.d. 7 maart 2007

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. F.J.C.M. Kessels te Breda,

tegen

[gedaagde],

gevestigd te [adres]

gedaagde,

gemachtigde: mr. J. Streefkerk te Voorburg,.

Partijen worden aangeduid als “[eiser]” en “[gedaagde]”.

1. Het verdere verloop van het geding

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

- het tussenvonnis van 6 september 2006 en de daarin genoemde stukken,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek met producties,

- de akte uitlating producties.

2. Het geschil

2.1 [eiser] vordert, samengevat, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verklaring voor recht dat [gedaagde] als werkgever aansprakelijk is voor het bedrijfsongeval, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat te vermeerderen met rente, en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2 [gedaagde] weerspreekt de vordering.

3. De verdere beoordeling

3.1 Bij voornoemd tussenvonnis is een verschijning van partijen ter zitting bevolen. Die comparitie heeft niet plaatsgevonden, omdat de zaak op verzoek van [eiser] en met instemming van [gedaagde] naar de rol is verwezen voor doorprocederen.

3.2 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist staat tussen partijen het navolgende in rechte vast.

- [eiser] was eerder in dienst van een derde werkzaam in de functie van chauffeur. Nadat [eiser] arbeidsongeschikt werd voor die arbeid, werd dat dienstverband beëindigd. [eiser] was toen arbeidsgehandicapt en ontving sindsdien een wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

- De toen 39-jarige [eiser] trad per 14 augustus 1995 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van [gedaagde], aanvankelijk als magazijnmedewerker maar later als hekwerkmonteur en laatstelijk in de functie van chauffeur.

- Op 9 maart 2004 raakte [eiser] betrokken bij een bedrijfsongeluk. Bij het tot zijn chauffeurswerkzaamheden behorende lossen schoot toen een hekwerk van ongeveer 8 bij 2 meter van de lepels van een door collega-werknemer [X] bestuurde vorkheftruck, waarna dat hekwerk vervolgens op de voet van [eiser] terecht kwam.

- Bij brief van 15 november 2005 werd namens [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] geschreven dat de in goed overleg overeengekomen slotbetaling van € 22.199,60 is overgemaakt, waarmee de schaderegeling definitief is afgerond.

- Bij brief van 30 november 2005 werd namens [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] geschreven dat verder van gedachten dient te worden gewisseld om tot een afwikkeling van de zaak te komen, waarbij de ontvangen betaling als voorschot onder algemene titel zal worden beschouwd.

3.3 [eiser] baseert de vordering op een schending van de veiligheidsverplichting door [gedaagde] als werkgever. [eiser] stelt, samengevat, dat geen veiligheidsmaatregelen waren getroffen om dergelijke ongevallen te voorkomen, althans dat hem geen instructies daarover waren gegeven. [eiser] verwijt [gedaagde] onzorgvuldig handelen als werkgever en hij houdt [gedaagde] aansprakelijk voor het hem in maart 2004 overkomen bedrijfsongeval en de gevolgen daarvan.

3.4 [gedaagde] verweert zich door, samengevat, te stellen dat partijen ter beëindiging van hun onderhavige geschil in oktober 2005 een definitieve vaststellingsovereenkomst sloten, zodat een inhoudelijke beoordeling van de vordering achterwege dient te blijven. [gedaagde] stelt ook, samengevat, dat onduidelijk is waarom [eiser] koos voor verplaatsing van het hekwerk met de vorkheftruck, dat [eiser] bij het lossen ten onrechte geen gebruik maakte van het hulpstuk bestemd om het hekwerk aan de lepels van de vorkheftruck te bevestigen en dat [eiser] toen bovendien niet de voorgeschreven veiligheidsschoenen droeg. [gedaagde] ontkent te zijn tekortgeschoten in enige zorgverplichting, terwijl het ontbreken van een melding bij de arbeidsinspectie ook nog geen aansprakelijkheid zou scheppen. [gedaagde] stelt verder dat mede vanwege de nog niet voltooide arbeidsreïntegratie van [eiser], ook onduidelijk is wat voor [eiser] precies de letselgevolgen van het bedrijfsongeval zijn.

3.5 De kantonrechter ziet zich allereerst geplaatst voor het door [gedaagde] ingeroepen verweer dat op 13 oktober 2005 namens [eiser] het aanbod zou zijn aanvaard om een vaststellingsovereenkomst te sluiten, als gevolg waarvan partijen zich ter beëindiging van hun geschil naar aanleiding van het bedrijfsongeval van 9 maart 2004, rechtens jegens elkaar zouden hebben gebonden. [gedaagde] stelt daartoe meer in het bijzonder dat [eiser] zich bij die vaststellingsovereenkomst zou hebben verbonden tegen een ineens te betalen schade-uitkering van € 20.000,00 te vermeerderen met een vergoeding van € 2.000,00 voor buitengerechtelijke kosten en een vergoeding van processuele verschotten of kosten, algehele en finale kwijting te verlenen voor verdere door hem geleden en te lijden schade vanwege het bedrijfsongeval van 9 maart 2004.

3.6 Blijkens de stellingen en stukken van partijen werd vanaf september 2005 door en namens partijen inderdaad gesproken over een dergelijke mogelijk te sluiten overeenkomst ter beëindiging van hun geschil naar aanleiding van het bedrijfsongeval van 9 maart 2004, maar partijen twisten over de vraag of een dergelijke overeenkomst op 13 oktober 2005 uiteindelijk ook is totstandgekomen en beide partijen beroepen zich daartoe op de in periode gewisselde correspondentie. Blijkens hun stellingen en stukken spraken partijen in ieder geval op 10 oktober 2005 over een dergelijke mogelijk te sluiten overeenkomst, waarbij [eiser] een ineens te betalen schade-uitkering van € 20.000,00 te vermeerderen met een vergoeding van € 2.000,00 voor buitengerechtelijke kosten en een vergoeding van processuele verschotten of kosten zou (kunnen) ontvangen. [eiser] was bij dat gesprek op 10 oktober 2005 zelf ook aanwezig maar ontkent toen te hebben begrepen dat hij dan algehele en finale kwijting zou moeten verlenen voor verdere door hem geleden en te lijden schade vanwege het bedrijfsongeval van 9 maart 2004, maar blijkens hun stellingen en stukken zouden partijen zich ieder na dat overleg op 10 oktober 2005 nog beraden over een dergelijke mogelijke vaststellingsovereenkomst en hebben de gemachtigden van partijen daarover - steeds na ruggespraak met de door hen vertegenwoordigde partijen - met name op 12 oktober 2005 nog nader overleg gevoerd. Niet uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken is dat de gemachtigde van [eiser] vervolgens op 13 oktober 2005 in zijn naam heeft teruggebeld en daarbij heeft aangegeven dat [eiser] de voornoemde schade-uitkering ineens te vermeerderen met de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en van processuele verschotten of kosten, accepteert. Dit vindt tevens bevestiging in de daarvan opgemaakte (als productie 4 bij antwoord overgelegde) en als zodanig niet gemotiveerd weersproken telefoonnotitie. Blijkens die telefoonnotitie belde de gemachtigde van [eiser] naar aanleiding van het die ochtend namens [gedaagde] gedane voorstel van een “slotbetaling ter compensatie van alle” materiële en immateriële schade van € 20.000,00 te vermeerderen met een vergoeding van € 2.000,00 voor buitengerechtelijke kosten en een vergoeding van “kosten in verband met het royeren van de procedure”, terug met de mededeling dat dit voorstel met [eiser] is besproken en dat [eiser] daarmee akkoord is. Bij brief van diezelfde datum 13 oktober 2005 werd een dergelijke overeenkomst namens [gedaagde] ook nog eens aan de gemachtigde van [eiser] bevestigd, met het verzoek om het van die overeenkomst op schrift gestelde contract dat werd aangeduid als “VASTSTELLINGSOVEREENKOMST” door [eiser] persoonlijk te laten ondertekenen en te (laten) retourneren. Klaarblijkelijk zonder die brief van 13 oktober 2005 nog te hebben gezien, werd bij brief van 14 oktober 2005 door de gemachtigde van [eiser] geschreven de op schrift gestelde vaststellingsovereenkomst spoedig tegemoet te zien, maar alvast “volgens afspraak” de nota’s in te sturen van betaalde kosten van de rechtbank, van de deurwaarder en van de Kamer van Koophandel en zijnerzijds te bevestigen dat aan [eiser] “een bedrag van euro 20.000,- toekomt, vermeerderd met bovengenoemde kosten en aan mij euro 2.000,-”. Niet alleen is niet uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken dat aan de gemachtigde van [eiser] volmacht was verleend om de vaststellingsovereenkomst in naam van [eiser] uiteindelijk te sluiten en dat [gedaagde] ook daadwerkelijk heeft aangenomen dat die volmacht er was, maar bovendien mocht [gedaagde] onder de gegeven omstandigheden op grond van handelingen van [eiser] ook redelijkerwijze aannemen dat een toereikende volmacht door [eiser] aan diens gemachtigde was verleend om de bewuste vaststellingsovereenkomst die op hoofdlijnen niet of nauwelijks afweek van hetgeen tussen partijen al eerder op 10 oktober 2005 was besproken, in zijn naam te aanvaarden.

3.7 Uit het voorgaande volgt dat partijen op 13 oktober 2005 een vaststellingsovereenkomst sloten waarbij zij zich, ter beëindiging van hun geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt naar aanleiding van het bedrijfsongeval van 9 maart 2004, jegens elkaar hebben gebonden aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voorzover dat van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken. [eiser] heeft zich daarbij verbonden tegen een ineens te betalen schade-uitkering van € 20.000,00 te vermeerderen met een vergoeding van € 2.000,00 voor buitengerechtelijke kosten en een vergoeding van processuele verschotten of kosten, algehele en finale kwijting te verlenen voor verdere door hem geleden en te lijden schade vanwege het bedrijfsongeval van 9 maart 2004.

3.8 Voorzover [eiser] suggereert dat op 13 oktober 2005 tussen hem en zijn gemachtigde een communicatiestoornis bestond of dat die gemachtigde anderszins zijn wil onjuist heeft begrepen en/of kenbaar heeft gemaakt, kan dat niet met vrucht aan [gedaagde] worden tegengeworpen. Dat de vaststellingsovereenkomst niet in een door [eiser] ondertekend geschrift is vastgelegd, doet aan het bestaan van de op 13 oktober 2005 gesloten overeenkomst als zodanig ook niet af. Voor de onderhavige vaststellingsovereenkomst gelden immers geen bijzondere vormvereisten. Dat namens [eiser] nadien bij brief van 27 oktober 2005 kenbaar werd gemaakt dat hij “na ampel beraad de vaststellingsovereenkomst toch niet voor akkoord wil tekenen” en mogelijk van mening was veranderd, kan aan de toen reeds totstandgekomen vaststelllingsovereenkomst ook niet meer afdoen.

3.9 De kantonrechter vindt voor die op 13 oktober 2005 totstandgekomen vaststellingsovereenkomst overigens ook nog eens een bevestiging in de gevoerde gerechtelijke correspondentie. Nadat de inleidende dagvaarding met producties op 18 augustus 2005 aan [gedaagde] was betekend, is namens [eiser] bij brief van 26 september 2005 aan de kantonrechter bericht “dat partijen in overleg zijn om de zaak buiten rechte te regelen”. Namens [eiser] werd vervolgens bij brief van 21 oktober 2005 aan de kantonrechter bericht “dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen om de zaak buiten rechte te regelen”.

3.10 Op grond van het voorgaande zal de vordering worden afgewezen. Omdat de afwijzing zijn grond vindt in een uiteindelijk pas na de inleidende dagvaarding tussen partijen besproken en totstandgekomen vaststellingsovereenkomst, kan echter niet worden geoordeeld dat [eiser] als de geheel in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd. De proceskosten zullen worden gecompenseerd omdat partijen in het licht van de vaststellingsovereenkomst als over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld worden beschouwd.

3.11 Gelet op het voorgaande behoeven de overige geschilpunten geen bespreking meer en wordt als volgt beslist.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering van [eiser] af;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.W.M. Stienissen en bij vervroeging uitgesproken op 7 maart 2007.