Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ9272

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
02-811572-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2007:BB8764, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na 15 jaar wordt bij toeval het stoffelijk overschot aangetroffen van het sedert 1991 vermiste slachtoffer. Er zijn meerdere aanwijzingen die wijzen op mogelijke betrokkenheid van verdachte bij deze zaak dan wel dat hij meer wetenschap bezit omtrent de feitelijke toedracht van de zaak dan hij wenst te verklaren. Behoudens een kennelijk leugenachtige verklaring door verdachte bevat het strafdossier echter onvoldoende wettige bewijsmiddelen zodat niet anders dan vrijspraak kan volgen.

Door het geruime tijdsverloop is aan het door het Openbaar Ministerie als tweede subsidiair ten laste gelegde feit (onttrekken van lijk aan nasporing) het recht tot strafvordering door verjaring komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 02-811572-06

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres],

thans verblijvende in de P.I. Breda - HvB De Boschpoort te Breda,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. W. Anker, advocaat te Breda.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

hij in of omstreeks de periode van 15 maart 1991 tot en met 21 maart 1991 te

Lage Zwaluwe, gemeente Hooge en Lage Zwaluwe, in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

en met voorbedachten rade [slach[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet

en na kalm beraad en rustig overleg, een of meer vorm(en) van uitwendig en/of

mechanisch geweld op die [slachtoffer] toegepast, tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

een of meer (tot nu toe) onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de

periode van 15 maart 1991 tot en met 21 maart 1991 te Lage Zwaluwe, gemeente

Hooge en Lage Zwaluwe, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade Z.

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die (tot nu toe)

onbekend gebleven perso(o)n(en)met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, een of meer kogels afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer], althans

een of meer vorm(en) van uitwendig en/of mechanisch geweld op die [slachtoffer]

toegepast, tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks 15 maart

1991 tot en met 21 maart 1991 te Lage Zwaluwe, gemeente Hooge en Lage Zwaluwe opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door

- met die [slachtoffer] een afspraak te maken in zijn, verdachtes, woning, in elk

geval die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, woning te laten komen en/of

- zijn woning voor die (tot nu toe) onbekend gebleven perso(o)n(en) ter

beschikking te stellen;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 15 maart 1991 tot en met 21 juli 2006 te

Lage Zwaluwe, gemeente Hooge en Lage Zwaluwe tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen het lijk van [slachtoffer] heeft begraven en/of

verborgen en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van

het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers heeft hij, verdachte

en/of zijn mededaders

- die [slachtoffer] begraven en/of weggemaakt en/of verborgen gehouden onder de grond van

zijn, verdachtes woning, in elk geval in zijn, verdachtes, woning;

art 151 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder subsidiair ten laste gelegde dient te worden nietig verklaard nu deze onvoldoende duidelijk, niet concreet en vaag is. De verdediging stelt dat het voor verdachte welhaast ondoenlijk is zich tegen de hierin opgenomen aantijgingen te verdedigen.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Het primair en subsidiair ten laste gelegde betreft eenzelfde feitencomplex. Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat bij de verdachte geen onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem primair wordt verweten. Verdachte heeft zich ook daadwerkelijk, uitdrukkelijk en gemotiveerd tegen het subsidiair ten laste gelegde verdedigd.

Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verdachte wist waartegen hij zich moest verweren.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding voorts aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Door de raadsman van verdachte is ten aanzien van het in de dagvaarding onder tweede subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen.

Naast moord en medeplichtigheid daaraan wordt verdachte, onder het tweede subsidiair ten laste gelegde feit, ervan verdacht het lijk van het slachtoffer in deze zaak te hebben onttrokken aan nasporing. Dergelijk handelen is strafbaar gesteld in artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht en wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaren of geldboete van de vierde categorie. Bij een dergelijk feit komt het recht tot strafvordering te vervallen na een periode van 6 jaren, waarbij geldt dat de verjaringstermijn aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd.

De rechtbank acht het aannemelijk dat het slachtoffer kort na de vermissing om het leven

is gebracht en direct daarna, dan wel korte tijd daarna, is begraven in het pand te Lage Zwaluwe. De rechtbank stelt aldus vast dat de verweten gedraging langer dan 6 jaren vóór 21 juli 2006, de datum waarop de stoffelijke resten werden aangetroffen, moet hebben plaatsgevonden.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat in deze het recht tot strafvordering is komen te vervallen en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van hetgeen in de dagvaarding onder het tweede subsidiair is ten laste gelegd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten in de weg staan. Zij kan dus voor het overige in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Verdachte wordt verweten rechtstreeks betrokken te zijn bij de moord op [slachtoffer].

De officier van justitie verwijt hem in dat kader respectievelijk het medeplegen van de moord dan wel de medeplichtigheid hieraan en voorts het onttrekken van het lijk aan nasporing.

Naar aanleiding van de aangifte van vermissing van [slachtoffer] is in 1991 een onderzoek ingesteld. Uit het onderzoek komt onder meer het volgende naar voren.

Op vrijdag 15 maart 1991 heeft [slachtoffer] de echtelijke woning in Waalwijk verlaten en is daarin niet teruggekeerd. Op maandag 17 maart 1991 wordt de auto van [slachtoffer] aangetroffen in Rotterdam. Op dinsdag 18 maart 1991 wordt door zijn echtgenote aangifte gedaan van vermissing. [slachtoffer] is het laatst in leven gezien op vrijdag 15 maart 1991 rond 14.00 uur in een koffiehuis te Waalwijk.

Dit onderzoek, waarbij een groot aantal getuigen wordt gehoord, wordt afgesloten op

8 mei 1991. [slachtoffer] wordt niet gevonden; naspeuringen naar de verblijfplaats blijven zonder succes.

Naar aanleiding van het aantreffen van de stoffelijke resten van [slachtoffer] wordt het in 1991 gestaakte onderzoek als 'cold case' onderzoek hervat. Uit dit onderzoek komt onder meer naar voren.

Op 21 juli 2006 maakt een bewoner van het pand Dorpsstraat 8 te Lage Zwaluwe melding van het in de kelder aantreffen van menselijke beenderen. Een uitgebreid onderzoek brengt aan het licht dat het gaat om het skelet van een man waarvan later via DNA-onderzoek wordt vastgesteld dat het de in 1991 vermiste [slachtoffer] betreft. Vastgesteld wordt dat [slachtoffer] een gewelddadige dood is gestorven.

Op 6 september 1989 is het betreffende pand gekocht door verdachte [verdachte].

Op 15 december 1995 heeft hij het pand verkocht. In de tussengelegen periode heeft hij enige tijd in het pand een bedrijf (shoarma-zaak) gevoerd.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op gewelddadige wijze, als gevolg van een schotsverwonding, om het leven is gebracht.

Binnen de Turkse gemeenschap in Waalwijk is het gebeuren in 1991 en de vondst in 2006 veelvuldig gespreksonderwerp geweest. Thans kan niet worden uitgesloten dat verklaringen van getuigen zijn beïnvloed en gekleurd door onderlinge gesprekken en de berichtgeving in de media over de feiten. In hoeverre getuigen verklaren uit eigen wetenschap valt lastig vast te stellen.

Over het slachtoffer doen verhalen de ronde dat hij onder meer betrokken zou zijn bij drugstransacties, dat hij gokverslaafd zou zijn en dat hij het met de huwelijkstrouw niet al te nauw zou nemen. In het dossier is geen eenduidig motief te vinden voor de gewelddadige dood van het slachtoffer.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van de inhoud van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting dat door verdachte in 2006 een groot aantal verklaringen is afgelegd die ongeloofwaardig zijn te achten. Zo verklaart verdachte onder meer over het afscheid dat [slachtoffer] op de avond van donderdag 14 maart 1991 bij hem is komen nemen omdat hij voor langere tijd weg zou gaan en dat [slachtoffer] bij die gelegenheid voorts nog zou hebben gezegd dat verdachte hieromtrent niemand iets mocht zeggen.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat [slachtoffer] zo'n mededeling heeft gedaan.

Uit het onderzoek is immers gebleken dat [slachtoffer] verder aan niemand op enige wijze heeft laten blijken dat hij voor langere tijd weg zou gaan. Ook thuis bij zijn vrouw en kinderen is hij weggegaan zonder enige aanwijzing die er op zou wijzen dat hij niet terug zou keren.

Zelfs na de vermissing van [slachtoffer] in 1991 en nota bene in de daarop volgende 15 jaar heeft verdachte omtrent dit gesprek gezwegen. Ook aan de echtgenote en familie van [slachtoffer], van wie hij wist dat die alles in het werk stelden om hem op te sporen, heeft hij niets verteld.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank deze verklaring van verdachte op dit punt volstrekt ongeloofwaardig.

Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat [slachtoffer] concrete plannen had om de shoarmazaak te Lage Zwaluwe van verdachte over te nemen dan wel te huren. Het slachtoffer heeft zelf aan diverse collega's verteld dat hij plannen had om een shoarmazaak te Lage Zwaluwe over te nemen.

Daarbij komt dat uit diverse getuigenverklaringen blijkt dat verdachte het voornemen had om zijn zaak te verkopen of te verhuren en dat hij later heeft bekend dat hij op eerdere momenten gesprekken daarover had gevoerd met [slachtoffer].

Gelet op deze verklaringen, in onderling verband bezien, acht de rechtbank de eerdere verklaring van verdachte dat hij nimmer met [slachtoffer] concrete afspraken heeft gemaakt omtrent de overname van zijn shoarmazaak kennelijk leugenachtig.

Uit de omstandigheid dat verdachte na een periode van 15 jaar toegeeft dat [slachtoffer] interesse had om op enigerlei wijze zijn zaak over te nemen en dat hij al die tijd gezwegen heeft over de geplande ontmoeting met [slachtoffer] rijst bovendien het vermoeden dat verdachte niet het achterste van zijn tong laat zien en mogelijk iets verzwijgt. De rechtbank acht het niet uitgesloten dat verdachte meer wetenschap heeft over deze zaak doch dat hij om onbekende reden daarover niets kan of wil verklaren.

Het onderzoek naar de aanwezigheid en herkomst van het in maart 1991 kennelijk bij het pand aan de Dorpsstraat 8 te Lage Zwaluwe aanwezige puin, levert geen concrete resultaten op, in die zin dat een verband naar de vindplaats van de stoffelijke resten van [slachtoffer] kan worden gelegd.

De rechtbank concludeert ten slotte dat zelfs indien de redenering van de officier van justitie volledig wordt gevolgd, dit niet wegneemt dat daarmee niet het wettig en overtuigend bewijs kan worden geleverd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Uit de omstandigheid dat verdachte en [slachtoffer] met elkaar in onderhandeling waren over de overname van de zaak, dat verdachte daarover een kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd, dat sindsdien niets meer [slachtoffer] is vernomen en dat het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in het pand van verdachte is aangetroffen, kan immers niet worden geconcludeerd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan concrete handelingen die duiden op medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer]. Nog daargelaten dat geen duidelijkheid bestaat over de locatie waar het slachtoffer om het leven is gebracht.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat sprake is van onvoldoende wettig bewijs zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen in de dagvaarding onder primair en subsidiair is ten laste gelegd.

8 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het in de dagvaarding onder twee subsidiair ten laste gelegde.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte in de dagvaarding onder primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij heft het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Schnitzler en mr. Van Ham, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Joosen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 februari 2007.