Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ9101

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-01-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
07-95
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een gemachtigde wiens bijstand door de belastingdienst wordt geweigerd (art. 2:2 Awb), kan tegen die weigering in beroep gaan bij de bestuursrechter. De voorzieningenrechter in belastingzaken is niet bevoegd om te bepalen dat de belastingdienst een door die gemachtigde voor een cliënt ingediend bezwaarschrift in behandeling moet nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/38.5 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, voorzieningenrechter

Procedurenummer: AWB 07/95

Uitspraakdatum: 29 januari 2007

Uitspraak als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats]

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook wel aangeduid als belanghebbende respectievelijk inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2004 opgelegd met dagtekening 30 oktober 2006. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 7 december 2006 namens belanghebbende bezwaar aangetekend tegen deze aanslag.

1.2 De inspecteur heeft geweigerd dit bezwaarschrift in behandeling te nemen.

1.3 Op 9 januari 2007 is bij de rechtbank het 25 december 2006 gedagtekende verzoek om een voorlopige voorziening binnengekomen. Het verzoek strekt tot het in behandeling nemen van het bedoelde bezwaarschrift door de inspecteur.

1.4 Ter zake van het verzoek heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

2. Feiten

2.1 Bij brief van 25 september 2006 heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat bij brief van diezelfde datum aan gemachtigde is medegedeeld dat, op grond van artikel 2:2, eerste lid, van de Awb, bijstand of vertegenwoordiging door hem geweigerd zal worden. Deze informatie is herhaald bij brieven van 12 oktober 2006, 19 oktober 2006 en 26 oktober 2006.

2.2 Gemachtigde heeft bij brief van 7 december 2006 namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 en tegen de daarbij bij beschikking vastgestelde heffingsrente. De inspecteur heeft de brief aan belanghebbende geretourneerd bij brief van 13 december 2006, waarin hij onder meer schrijft:

“Zoals u is medegedeeld, is bijstand of vertegenwoordiging door [gemachtigde] vanaf 26 september 2006 door de Belastingdienst geweigerd op grond van artikel 2:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Inhoudelijke behandeling van die stukken is daarom niet mogelijk.

Deze correspondentie (inclusief bijbehorende stukken) wordt derhalve door de Belastingdienst niet in behandeling genomen.

Bijgaand treft u de correspondentie en stukken aan.

Let op:

De correspondentie is niet in behandeling genomen. U wordt alsnog in de gelegenheid gesteld zelfstandig met de Belastingdienst te corresponderen of indien u zich daarbij wilt laten bijstaan, in laten dienen door een gemachtigde, niet zijnde [gemachtigde].

Voor de behandeling van uw fiscale aangelegenheden nodig ik u tevens uit voor een gesprek. Mocht u naar aanleiding van deze brief vragen hebben of een afspraak willen maken, dan kunt u contact opnemen met (…).”

3. Karakter voorlopige voorziening

3.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van belanghebbende dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

3.2 Ingevolge artikel 8:86 Awb kan de voorzieningenrechter, indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Indien de voorzieningenrechter geen uitspraak doet in de hoofdzaak, heeft zijn oordeel, voor zover dit het geschil in de bodemprocedure betreft, een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

4. Gronden

4.1 Een voorlopige voorziening kan uitsluitend worden getroffen indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank of, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt (connexiteitsvereiste). Het onderhavige verzoek betreft de weigering van de inspecteur om een ingediend bezwaarschrift in behandeling te nemen. Nu bij toewijzing van het verzoek die weigering geen stand houdt, zal de voorzieningenrechter er voor deze procedure vooralsnog van uit gaan dat aan het connexiteitsvereiste is voldaan.

4.2 Gemachtigde heeft de voorzieningenrechter bij brief van 25 december 2006 verzocht “om dit Beroepschrift tegen de weigering van het behandelen van het onderhavige bezwaarschrift in behandeling te nemen”. Het verzoek van gemachtigde komt er op neer dat aan de voorzieningenrechter in belastingzaken wordt gevraagd om het bepaalde in de brief van 25 september 2006 voor het onderhavige geval buiten werking te stellen.

4.3 Op grond van het bepaalde in artikel 2:2 Awb kan een bestuursorgaan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren. De brief waarin deze weigering is vastgelegd moet, naar volgt uit het systeem van de Awb, worden beschouwd als een beschikking waartegen bezwaar bij het bestuursorgaan en beroep bij (de bestuursrechter van) de rechtbank openstaan. De belastingrechter kan hierin derhalve niet treden.

4.4 Het onder 4.3 overwogene leidt tot de conclusie dat het verzoek kennelijk ongegrond is. De voorzieningenrechter zal derhalve, op grond van het bepaalde in artikel 8:83 Awb, direct uitspraak doen.

5. Proceskosten

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

6. Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A.F.M.Q Beukers-van Dooren. De beslissing is op 29 januari 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.