Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ8906

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-01-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
AWB 06/2437
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het vertrouwen gewekt door een ambtenaar van een ander kantoor dat voormalig taxi BPM vrij kon worden verkocht. De ambtenaar werkt bij een ander kantoor van hetzelfde organisatorische onderdeel van de belastingdienst als het kantoor waar de aangiften BPM normaal worden gedaan. Tegen de gewoonte in en na beraad gaf die ambtenaar toch antwoord op een specifieke vraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2007/13
Belastingadvies 2007/7.1
FutD 2007-0361 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2437

Uitspraakdatum: 18 januari 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 3 april 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) ten bedrage van € 3.242.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2007 te [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1 Belanghebbende oefent een taxi- en touringcarbedrijf uit in de vorm van een eenmanszaak. Op 15 januari 2003 heeft belanghebbende een auto gekocht uit het faillissement van een ander taxibedrijf. Aan belanghebbende is ter zake van die aankoop op verzoek een teruggaaf van BPM verleend ten bedrage van € 6.484. Om zekerheid te verkrijgen omtrent de verschuldigdheid van BPM bij verkoop van de auto, heeft belanghebbende op 16 juli 2004 telefonisch contact opgenomen met het kantoor van de belastingdienst in [woonplaats1] (hierna: kantoor [woonplaats1]). Dit kantoor is ter zake competent. Aan hem werd toen medegedeeld dat er op dat moment geen BPM-specialist aanwezig was en dat belanghebbende zijn situatie schriftelijk moest voorleggen. Belanghebbende heeft daarop dezelfde dag een fax naar kantoor [woonplaats1) gestuurd waarin hij de situatie heeft geschetst. Nadat belanghebbende de fax heeft verstuurd, wordt er een bod op de auto gedaan. Belanghebbende dient diezelfde middag te beslissen of hij op het bod ingaat. Omdat hij op dat moment geen antwoord van kantoor [woonplaats1] had gekregen, neemt hij telefonisch contact op met de hem bekende [medewerker] die als BPM-specialist werkzaam is op het kantoor van de belastingdienst in [woonplaats2] (hierna: kantoor [woonplaats2]). Belanghebbende kende de [medewerker] uit de tijd dat deze als BPM-specialist bij kantoor [woonplaats1] werkzaam was. De [medewerker] heeft belanghebbende na intern beraad teruggebeld. Belanghebbende heeft toen in de auto met drie passagiers erbij handsfree getelefoneerd. Naar aanleiding van dit tweede telefoongesprek met de [medewerker] is belanghebbende ingegaan op het gedane bod en is de auto op 22 juli 2004 verkocht. Ter zake van deze verkoop is aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag BPM opgelegd, waarbij de verleende teruggaaf gedeeltelijk wordt teruggevorderd.

2.2 Ter zitting hebben partijen verklaard dat het geschil beperkt is tot het antwoord op de vraag of belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen heeft mogen ontlenen aan de mededeling van de [medewerker] dat geen BPM zal worden geheven ter zake van de verkoop van de auto. Tevens hebben partijen meegedeeld af te zien van het horen van de [medewerker] of de drie passagiers bij belanghebbende in de auto ten tijde van het tweede gesprek.

2.3 De inspecteur stelt dat de [medewerker] als volgt aan hem heeft verklaard:

“Ik ken [belanghebbende]] nog uit de tijd dat ik in [woonplaats1] werkzaam was. Omdat ik niet direct antwoord op zijn vraag wist heb ik intern overleg gepleegd en hem teruggebeld.

Ik heb [belanghebbende]] medegedeeld dat wanneer de vraag in [woonplaats2] zou voorliggen het antwoord zou zijn dat indien de taxi afkomstig is van een taxibedrijf en de taxi in totaliteit drie jaren of meer als taxi is gebruikt, er bij afstoting geen BPM verschuldigd is. Ik heb hem duidelijk aangegeven dat hij zich met zijn vraag in [woonplaats1] moet melden omdat [woonplaats1] competent is.”

2.4 De rechtbank acht het aannemelijk dat belanghebbende de situatie voldoende specifiek aan de [medewerker] heeft voorgelegd, nu deze eerst na intern overleg antwoord kon geven op de gestelde vraag. De rechtbank acht namelijk niet aannemelijk dat de [medewerker], zijnde een BPM-specialist, intern overleg heeft gevoerd om met een antwoord te komen over de heffing van BPM bij taxi’s in het algemeen, te meer niet nu de [medewerker] bekend was met de door belanghebbende gedreven onderneming. De rechtbank is daarom van oordeel dat in het onderhavige geval belanghebbende redelijkerwijs uit het tweede gesprek met de [medewerker] heeft mogen begrijpen dat geen BPM verschuldigd zou zijn bij verkoop van de auto. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de mededeling in het onderhavige geval niet zo zeer in strijd met een juiste wetstoepassing is dat belanghebbende daar redelijkerwijs niet op mocht vertrouwen. De omstandigheid dat normaal gesproken geen telefonische inlichtingen van deze aard worden verstrekt, zoals de inspecteur stelt, en de omstandigheid dat dit in het onderhavige geval aanvankelijk ook zo is gegaan, maakt dat het risico van miscommunicatie bij de belastingdienst moet blijven. De belastingdienst heeft immers zelf afgeweken van een, naar de rechtbank aannemelijk acht, vaste gedragslijn. In het onderhavige geval acht de rechtbank ten slotte nog van belang dat de regelingen rond de BPM, waaronder de onderhavige, niet eenvoudig zijn en dat dan het risico dat bij de uitvoering van die regelingen wordt gelopen voor rekening van de belastingdienst dient te blijven.

2.5 De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat de [medewerker] geen vertrouwen kon wekken omdat hij niet bij kantoor [woonplaats1] werkzaam was. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de AWR is de bevoegdheid van een inspecteur niet bepaald naar een geografische indeling van Nederland. Daar komt nog bij dat de [medewerker] werkzaam was bij de belastingdienst/[regio], zijnde een onderdeel van de belastingdienst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, sub a, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Een onderscheid tussen diverse kantoren, zoals kantoor [woonplaats1] en kantoor [woonplaats2], wordt daarbij niet gemaakt. De omstandigheid dat belanghebbende door zijn woonplaats is gekoppeld aan kantoor [woonplaats] doet dan ook niet ter zake, de door de belastingdienst gekozen werkwijze en interne organisatie is immers een aangelegenheid die enkel de belastingdienst aangaat. De gevolgen die in dit geval zijn ontstaan doordat belanghebbende een medewerker van kantoor [woonplaats2] heeft geraadpleegd, moeten naar het oordeel van de rechtbank daarom voor rekening en risico van de belastingdienst blijven.

2.6 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de in geschil zijnde vaag bevestigend moet worden beantwoord en dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag moeten worden vernietigd. Gelet hierop is het beroep gegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De rechtbank acht deze kosten redelijk en in overeenstemming met het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Deze uitspraak is gedaan op 18 januari 2007 door mr. C.A.F.M. Stassen, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.