Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ8899

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-01-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
AWB 06/531
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende wordt na vijf jaar voor de tweede keer in een buitenlandse auto op de weg aangetroffen. De eerste keer werd meteen aangekondigd dat een naheffing BPM zal worden opgelegd met boete. Dit gebeurd echter niet. De rechtbank oordeelt dat de eerste keer het zogenaamde herstelbeleid niet is toegepast en dat de uitzondering op dat uitstelbeleid niet van toepassing is. Dan dient het bij die tweede keer te blijven bij een waarschuwing en kan de BPM niet worden nageheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/36.27 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/531

Uitspraakdatum: 18 januari 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 22 december 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2007 te [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord gemachtigde namens belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 322 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 138 aan deze vergoedt en

- verstaat dat de griffier het door belanghebbende teveel betaalde griffierecht van € 138 aan deze restitueert.

2. Gronden

2.1 Vaststaat dat belanghebbende op 25 november 2003 met een personenauto, voorzien van het Duitse kenteken (auto), in Nederland gebruik heeft gemaakt van een weg in de zin van de Wegenverkeerswet. De auto was niet in Nederland geregistreerd als personenauto in het krachtens de Wegenverkeerswet aangehouden register van opgegeven kentekens. Belanghebbende heeft geen BPM betaald noch was aan haar een vrijstelling daarvoor verleend.

2.2 Vaststaat tevens dat belanghebbende op 18 juni 1998 met een personenauto, zonder geldig Nederlands kenteken, in Nederland gebruik heeft gemaakt van een weg in de zin van de Wegenverkeerswet. De auto was niet in Nederland geregistreerd als personenauto in het krachtens de Wegenverkeerswet aangehouden register van opgegeven kentekens. Belanghebbende heeft geen BPM betaald noch was aan haar een vrijstelling daarvoor verleend. Bij de constatering van het gebruik van de weg is belanghebbende toen mondeling meegedeeld dat het gebruik van de weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto in strijd is met de bepalingen van de BPM en dat de BPM zal worden nageheven en een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. De naheffingsaanslag is nimmer opgelegd.

2.3 Aan belanghebbende is met dagtekening 26 september 2005 de onderhavige naheffingsaanslag BPM opgelegd ten bedrage van € 9.072 (€ 8.465 BPM plus € 607 heffingsrente) ter zake van het in 2.1 genoemde gebruik van de weg.

2.4 Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De hoogte van de naheffingsaanslag is niet in geschil.

2.5 In artikel 1, vijfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet BPM) is – voor zover te dezen van belang – bepaald dat ingeval een niet-geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijk persoon, de belasting is verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet. Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wet BPM wordt met betrekking tot een niet-geregistreerde personenauto de belasting geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Op grond van artikel 12b van de Wet BPM kan ingeval van constatering van het gebruik van de weg met een personenauto of motorrijwiel waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van het in artikel 1, vijfde lid, genoemde feit niet is betaald, de belasting worden nageheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Het tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg wordt daarbij gesteld op het tijdstip van constatering.

2.6 In het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 1998, nr. 32 627 (gepubliceerd in BNB 1998/134) is het volgende beslist: “(…) zal in de regel degene die het motorrijtuig feitelijk gebruikt, degene zijn die feitelijke beschikkingsmacht over dat motorrijtuig heeft. Dit brengt echter niet mee dat in alle gevallen er van mag worden uitgegaan dat degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg met het motorrijtuig is geconstateerd, degene is aan wie het motorrijtuig feitelijk ter beschikking staat als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Wet. Zo kan een persoon die een aan een derde – een natuurlijk persoon of een lichaam – ter beschikking staande personenauto uitsluitend ten behoeve van die derde bestuurt, niet worden gezegd dat die auto (mede) aan hem ter beschikking staat in vorenbedoelde zin.”. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook niet aannemelijk gemaakt dat de door de Hoge Raad vermelde uitzondering zich voordoet in de onderhavige zaak. De omstandigheid dat belanghebbende geestelijk niet in staat was te beseffen wat ze deed, is niet een dergelijke uitzondering. Voor het onderhavige geval moet er derhalve van uit worden gegaan dat de auto belanghebbende feitelijk ter beschikking stond.

2.7 Voor zover belanghebbende tevens heeft bedoeld een beroep te doen op het herstelbeleid van de staatssecretaris, als bepaald in het Besluit van 13 december 2002, nr. CPP 2002/1574M (het Besluit), gepubliceerd in V-N 2003/10.25, overweegt de rechtbank het volgende.

2.8 Het herstelbeleid houdt in dat, indien een persoon met een auto zonder Nederlands kenteken voor de eerste keer in Nederland wordt aangehouden, aan hem een waarschuwing wordt gegeven en hij in de gelegenheid wordt gesteld om de auto te laten registreren, een vrijstellingsvergunning aan te vragen dan wel de auto buiten Nederland te brengen. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke waarschuwing ten aanzien van het eerste geconstateerde gebruik, op 18 juni 1998, toen niet is gedaan zodat belanghebbende toen geen mogelijkheid tot herstel heeft gekregen.

2.9 In het Besluit is uitgezonderd het geval waarin degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft en die uit hoofde van zijn functie of de door hem ontplooide activiteiten of omdat eerder aan hem een “Informatieformulier buitenlandse kentekens” was uitgereikt, bekend was of bekend behoorde te zijn met de toepassing van de Wet BPM. De rechtbank is van oordeel dat het in 2.2 geconstateerde gebruik en de daarop gegeven reactie van de douane, waarbij een herstelmogelijkheid toen niet is geboden, niet aangemerkt kan worden als een van de omstandigheden die bij het Besluit zijn uitgezonderd in bovenstaande zin. Immers niet gezegd kan worden dat belanghebbende, uit hoofde van haar functie of de door haar ontplooide activiteiten of omdat eerder aan haar een “Informatieformulier buitenlandse kentekens” is uitgereikt, op de hoogte was of moest zijn met de toepassing van de Wet BPM. Belanghebbendes beroep op het herstelbeleid is derhalve terecht gedaan zodat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

2.10 Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie het beroep gegrond is.

3. Proceskosten en griffierecht

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Door belanghebbende is een griffierecht voldaan van € 276, het ter zake van het beroep verschuldigde griffierecht bedraagt op grond van artikel 8.41 van de Awb in verband met artikel 17b, eerste lid, onderdeel b, van de AWR, € 138. Het teveel betaalde griffierecht dient derhalve door de griffier aan belanghebbende te worden gerestitueerd.

Deze uitspraak is gedaan op 18 januari 2007 door mr. C.A.F.M. Stassen, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.