Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ8727

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
16-02-2007
Zaaknummer
06/1513
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet subsidiëring politieke partijen. De Wspp geeft een uitputtende regeling voor het recht op subsidie. Voor subsidiëring komen alleen in aanmerking de politieke partijen die één of meer zetels hebben in de Tweede of Eerste Kamer. Een zetel in het Europees Parlement geeft volgens de wet geen recht op subsidiëring. Verder wordt niet voldaan aan de ledeneis. Van ongelijke behandeling van politieke partijen is evenmin sprake. Ook voor het jaar 2006 komt de partij Europa Transparant daarom niet in aanmerking voor subsidie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 06 / 1513 WET

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

de vereniging Europa Transparant,

gevestigd te Breda,

eiseres,

gemachtigde mr. drs. A.C.M. Brom,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

verweerder,

gemachtigde mr. E.J. Daalder.

1. Het procesverloop

Namens eiseres is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 februari 2006 (bestreden besluit), inzake de afwijzing van een verzoek tot verlening van subsidie over het jaar 2006. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een verweerschrift in te dienen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 19 januari 2007. Daarbij werd eiseres vertegenwoordigd door de gemachtigde mr. drs. A.C.M. Brom. Namens verweerder is met voorafgaande kennisgeving niemand verschenen.

2. De beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De vereniging Europa Transparant is een politieke partij, opgericht op 20 februari 2004. De partij heeft op 10 juni 2004 meegedaan aan de verkiezingen voor leden van het Europese Parlement en heeft daarbij twee zetels behaald.

Op 28 oktober 2004 heeft Europa Transparant bij verweerder een aanvraag om toekenning van subsidie op grond van de Wet subsidiëring politieke partijen (Wspp) ingediend voor het jaar 2005. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen. Bij uitspraak van 19 november 2005 heeft deze rechtbank het beroep van Europa Transparant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze uitspraak op 16 augustus 2006 bevestigd.

Bij brief van 20 oktober 2005 heeft Europa Transparant bij verweerder een aanvraag om toekenning van subsidie op grond van de Wspp voor het jaar 2006 ingediend. Bij primair besluit van 21 november 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, op de grond dat Europa Transparant niet voldoet aan de voorwaarde dat zij heeft meegedaan aan de laatst gehouden verkiezingen voor de Tweede of Eerste Kamer en daarbij één of meer zetels heeft verworven, noch aan de voorwaarde dat zij een minimum aantal leden heeft en deze leden voldoen aan een bepaalde betalingsverplichting.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van Europa Transparant kennelijk ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

2.2 Namens Europa Transparant is, samengevat, aangevoerd dat onder andere op grond van de Kieswet een zetel in het Europese Parlement gelijkgesteld kan worden met een zetel in de Eerste of Tweede Kamer, zodat een Nederlandse landelijke politieke partij met een zetel in het Europese Parlement in aanmerking kan komen voor subsidie op grond van de Wspp. Verder is aangevoerd dat eerder de politieke partij Onafhankelijke Statenfracties (OSF) ook subsidie heeft gekregen zonder dat zij een zetel in het parlement had, dat afwijzing van de aanvraag van Europa Transparant leidt tot concurrentievervalsing en dat Europa Transparant daarmee financieel benadeeld wordt ten opzichte van de gevestigde politieke partijen. Volgens Europa Transparant is het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

Verzocht wordt verweerder te veroordelen in de proceskosten en de schade die voortkomt uit het niet verlenen van subsidie.

2.3 Artikel 2 van de Wspp luidt:

1. Onze Minister verstrekt subsidie aan een politieke partij die aan de laatst gehouden verkiezingen voor de Tweede Kamer of Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft deelgenomen met haar aanduiding boven de kandidatenlijst en aan de lijst waarvan daarbij een of meer zetels zijn toegekend.

2. De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt.

3. Geen subsidie wordt verstrekt aan een politieke partij die op de peildatum niet beschikt over ten minste 1.000 leden.

Artikel 1 van de Wspp luidt, voorzover van belang:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

b. politieke partij: een vereniging waarvan de aanduiding op grond van artikel G1 van de Kieswet is geregistreerd in het register van aanduidingen voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer;

c. leden van een politieke partij: leden met vergader- en stemrechten in de vereniging, die jaarlijks elk € 12,- of meer aan contributie betalen;

(…)

g. kamerzetel: een zetel in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, dan wel in de Eerste Kamer der Staten-Generaal, indien aan de lijst van een politieke partij op grond van de Kieswet geen zetels in de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn toegewezen;

h. peildatum: de eerste dag van het kalenderjaar.

2.4 Eiseres heeft subsidie aangevraagd op grond van de Wspp. Artikel 2, eerste lid, van de Wspp regelt dat een politieke partij voor subsidie in aanmerking komt indien die partij heeft deelgenomen aan de laatst gehouden verkiezingen voor de Tweede Kamer of Eerste Kamer van de Staten-Generaal en daarbij door die partij één of meer zetels zijn behaald. Een belangrijke maatstaf voor het toe te kennen subsidiebedrag is, blijkens artikel 6 van de Wspp, het aantal behaalde kamerzetels in de Tweede Kamer of in de Eerste Kamer. Voor toekenning van subsidie aan politieke partijen die niet in het nationale parlement vertegenwoordigd zijn, zoals bijvoorbeeld lokale politieke partijen, geeft de Wspp geen grondslag. Aan eiseres moet worden toegegeven dat de wetgever zich bij de totstandkoming van de Wspp mogelijk niet bewust is geweest van de mogelijkheid dat een Nederlandse politieke partij niet in het nationale parlement, maar wel in het Europese Parlement vertegenwoordigd zou kunnen zijn. De wetsgeschiedenis van de Wspp geeft echter geen reden om te veronderstellen dat de wetgever, indien hij zich van deze mogelijkheid wel bewust was geweest, voor een regeling had gekozen waarbij aan een enkel in het Europese Parlement vertegenwoordigde partij een subsidiemogelijkheid zou hebben toegekend. De rechtbank stelt vast dat de Wspp uitputtend regelt aan welke politieke partijen subsidie wordt verleend en dat alleen politieke partijen die vertegenwoordigd zijn in het nationale parlement hiervoor in aanmerking kunnen komen. Gelet op de uitputtende regeling van de Wspp is er ook geen grond voor de stelling van eiseres dat een zetel in het Europese Parlement gelijkgesteld moet worden met een zetel in de Eerste of Tweede Kamer.

Eiseres heeft nog nooit deelgenomen aan verkiezingen voor de Tweede Kamer of de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Zij heeft dan ook geen zetels in het nationale parlement. Reeds hierom kan eiseres geen aanspraak maken op subsidie op basis van de Wspp. Verder staat vast dat eiseres niet voldoet aan de in artikel 2, derde lid, van de Wspp gestelde eis dat zij tenminste 1.000 leden heeft.

2.5 Eiseres heeft verder betoogd dat de handelwijze van verweerder in strijd komt met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarbij heeft eiseres in het bijzonder gewezen op de politieke vereniging OSF, die volgens haar evenmin aan de eisen van de Wspp voldoet maar wel Wspp-subsidie ontvangt. Aangezien OSF deze subsidie ontvangt, zou naar het oordeel van eiseres het gelijkheidsbeginsel vergen dat ook zij voor subsidie in aanmerking komt. De rechtbank stelt voorop dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen niet kunnen leiden tot het aannemen van een verplichting van de Minister om in strijd met de Wspp subsidie te verlenen. Voorzover al juist zou zijn dat de OSF ten onrechte subsidie ontvangt, kan van een bestuursorgaan in het algemeen ook niet worden verlangd vast te houden aan een onjuiste toepassing van regelgeving. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel gaat overigens ook al niet op omdat OSF wel in het nationale parlement is vertegenwoordigd en deze vertegenwoordiging, zoals hiervoor is aangegeven, het uitgangspunt voor subsidietoekenning van de wetgever is geweest bij de totstandkoming van de Wspp. De politieke partijen OSF en Europa Transparant kunnen dan ook in dezen niet als gelijke gevallen worden gezien. Ook de overige stellingen van eiseres, zoals de vermeende concurrentievervalsing en de zendtijd voor politieke partijen die Europa Transparant toegewezen heeft gekregen, kunnen niet leiden tot het aannemen van een verplichting van de Minister om eiseres in strijd met de Wspp subsidie te verlenen.

2.6 De rechtbank komt tot de slotsom dat de tegen het bestreden besluit gerichte beroepsgronden niet slagen. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

2.7 Gezien de ongegrondverklaring van het beroep, bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten, noch bestaat een grondslag om verweerder te veroordelen tot vergoeding van eventueel door Europa Transparant als gevolg van het bestreden besluit geleden schade.

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th. Peters, rechter, en in aanwezigheid van mr. M.A.M. de Baar, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2007.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en gaat lopen vanaf de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op:14 februari 2007