Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ8623

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-02-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
02/801263-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn huisgenoot om het leven gebracht, door meermalen met een hamer op diens hoofd te slaan. Verdachte was ervan overtuigd dat het slachtoffer het op zijn leven had gemund. Door deskundigen is geconcludeerd dat hij lijdt aan een paranoide psychose en dat hij ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft hem ontslagen van alle rechtsvervolging en TBS met dwangverpleging opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 02/801263-06

1 Onderzoek van de zaak.

In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[naam verdachte],

geboren op [datum en plaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda.

heeft de meervoudige kamer van de sector strafrecht van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter zitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en hetgeen dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsvrouwe, mr. Berte, advocaat te Tilburg.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

In het kort komt het erop neer dat de verdenking bestaat dat verdachte [naam slachtoffer], in Nederland bekend als [naam vedachte], heeft gedood.

3 De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter zitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

4.1 Het standpunt van het openbaar ministerie.

De officier van justitie is van mening dat verdachte vrijgesproken dient te worden van moord, nu onvoldoende duidelijk is geworden of verdachte een moment van kalm beraad en rustig overleg heeft gehad gericht op het doden van het slachtoffer [naam verdahte]. Wel acht de officier van justitie doodslag wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaringen van verdachte en het proces-verbaal van de unit Forensisch Technisch Onderzoek (FTO).

4.2 Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe is primair van mening dat verdachte vrijgesproken dient te worden van moord dan wel doodslag wegens het ontbreken van opzet. Verdachte leed immers ten tijde van het misdrijf aan een zodanige psychische stoornis, dat hij dientengevolge van elk inzicht in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken. Er was dus geen sprake van opzettelijk handelen.

Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van moord. Voor doodslag acht zij wel wettig en overtuigend bewijs aanwezig.

4.3 Het oordeel van de rechtbank.

Uit het onderzoek ter zitting en het procesdossier stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij meermalen door een Algerijnse man werd benaderd om het slachtoffer, die hij kende als [slachtoffer], in huis te nemen. Verdachte heeft dit telkens geweigerd, maar uiteindelijk durfde hij dit niet meer, omdat hij bang was dat hij anders zou worden gedood. Sinds het slachtoffer bij hem in huis kwam wonen, raakte verdachte er steeds meer van overtuigd dat het slachtoffer hem om het leven zou brengen. Het slachtoffer zou, aldus verdachte, een moslimextremist zijn en hij zou ervoor betaald krijgen om verdachte te doden. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij voor 1000 % zeker wist dat het slachtoffer dit zou doen. Tevens heeft hij verklaard dat de laatste vier dagen dat ze samenwoonden, het slachtoffer en verdachte wisten dat één van hen de ander zou ombrengen. Er heerste een vijandige sfeer en geen van beiden durfde voor de ander te lopen. Over de bewuste dag heeft verdachte verklaard dat hij in de keuken kwam, waar het slachtoffer aanwezig was. Verdachte stond bij het aanrecht en het slachtoffer zat aan tafel. Beiden zagen ze een mes op tafel liggen. Dit mes werd door verdachte gepakt, omdat hij bang was dat anders het slachtoffer dit tegen hem zou gebruiken. Wat er vervolgens precies is gebeurd kan verdachte zich niet meer herinneren. Wel weet hij dat hij het slachtoffer heeft gedood. Nadat hij de dodelijke verwondingen had toegebracht, heeft hij het alarmnummer gebeld om hiervan melding te maken.

In het proces-verbaal van de unit FTO wordt op basis van de lijkschouw en de sectie geconcludeerd dat het slachtoffer, [slachtoffer], is overleden als gevolg van een ernstig schedel-hersentrauma en de daardoor opgetreden verwikkelingen en weefselschade. Dit schedel-hersentrauma is ontstaan door herhaaldelijk en heftig geweld, zeer waarschijnlijk toegebracht met behulp van de in de keuken aangetroffen klauwhamer. Op basis van het onderzoek van het bloedbeeld wordt geconcludeerd dat het slachtoffer zich op het moment dat de letsels werden toegebracht zittend op een stoel tussen de koelkast en de tafel heeft bevonden en dat verdachte op dit moment tussen het aanrecht en de koelkast heeft gestaan, aldus in de dichte nabijheid van het slachtoffer.

Op basis van het geheel van onderzoeksbevindingen concludeert de unit FTO dat, indien er zich nog andere personen in de keuken hadden bevonden op het moment van het toebrengen van het letsel, dit vrijwel zeker tot uiting was gekomen in een verstoring van het bloedspatpatroon en de aanwezigheid van vreemde met bloed bestempelde schoensporen. Gezien het vorenstaande kan worden aangenomen dat de op het hoofd van het slachtoffer aanwezige letsels werden veroorzaakt doordat verdachte hem meerdere keren met de in de keuken aangetroffen klauwhamer op het hoofd sloeg. Derhalve staat voor de rechtbank vast dat verdachte het slachtoffer heeft gedood.

Ten aanzien van het verweer dat verdachte niet het opzet had om het slachtoffer te doden, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat iemand aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt op zichzelf niet eraan in de weg behoeft te staan dat hij opzettelijk een ander van het leven berooft. Volgens vaste jurisprudentie is daarvan slechts sprake indien bij verdachte elk inzicht ontbreekt in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Gelet op de omstandigheden dat verdachte bang was voor het slachtoffer, ervan overtuigd was dat één van hen de ander zou doden, wist dat hij het slachtoffer uiteindelijk heeft gedood en ter zitting heeft aangegeven de verantwoordelijkheid daarvoor te willen dragen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte inzicht had in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Zij volgt de raadsvrouwe dan ook niet in haar betoog dat er geen sprake zou zijn van opzettelijk handelen.

Wel is de rechtbank met de raadsvrouwe en de officier van justitie van oordeel dat uit het procesdossier, noch uit het verhandelde ter zitting duidelijk is geworden dat er bij verdachte voorafgaande aan het doden van het slachtoffer enig moment van kalm beraad en rustig overleg was, gericht op het doden van dat slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank is er dus geen sprake van voorbedachten rade en zij zal verdachte dan ook vrijspreken van moord.

Concluderend overweegt de rechtbank dat, gelet op de verklaringen van verdachte en het proces-verbaal van de unit FTO, waarvan de conclusies hierboven zijn weergegeven, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een hamer meermalen op zijn hoofd te slaan.

4.4 De bewezenverklaring.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 20 oktober 2006 te Tilburg opzettelijk [naam verdahte] (die in Nederland bekend is als [naam verdachte]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer]

meermalen met een hamer, op zijn hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezene.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

6 De strafbaarheid van verdachte.

Over verdachte zijn rapporten opgemaakt door psychiater [naam] en psycholoog [naam]. Zij hebben geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een paranoïde psychose. Ten tijde van het plegen van het feit was er bij hem sprake van een paranoïde psychose en er zijn sterke aanwijzingen voor bevelshallucinaties. Verdachte wordt door deze deskundigen ontoerekeningsvatbaar geacht.

Op basis van deze rapporten is de rechtbank van oordeel dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is en derhalve niet strafbaar. De rechtbank zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

7 De oplegging van de maatregel.

7.1 De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een TBS met dwangverpleging. De officier van justitie is van mening dat een TBS met voorwaarden, zoals door de psychiater en psycholoog is geadviseerd, te vrijblijvend is. Niet alleen hebben beide deskundigen geconcludeerd dat er sprake is van een groot recidivegevaar, daarnaast betreft het hier een zeer ernstig feit en is verdachte er nog steeds van overtuigd dat er een groep mensen bestaat, die hem van het leven wil beroven. Al met al heeft verdachte naar de mening van de officier van justitie een langere en intensievere behandeling nodig dan gegeven kan worden in het kader van een TBS met voorwaarden.

7.2 Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe is van mening dat het advies van de psycholoog en psychiater dient te worden gevolgd en het onderzoek ter zitting dient te worden geschorst, zodat de reclassering een maatregelrapportage kan opmaken. Een TBS met dwangverpleging is het uiterste middel en de raadsvrouwe vindt dat verdachte eerst de kans moet worden gegeven op een lichtere maatregel, zoals een TBS met voorwaarden. Hij is immers, behoudens met medicijnen, nog niet eerder behandeld aan zijn psychische stoornis.

7.3 Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft zijn huisgenoot om het leven gebracht, door meermalen met een hamer op zijn hoofd te slaan. Hij heeft dit gedaan omdat hij ervan overtuigd was dat het slachtoffer het op zijn leven had gemunt. De doodslag vond plaats in de keuken van het appartement van verdachte, dat zich bevond aan de galerij van een flat

Het spreekt voor zich dat het doden van een medemens een van de ergste misdrijven in ons strafrechtstelsel is. Niet alleen wordt dan iemand zijn leven ontnomen, ook voor de nabestaanden is het vreselijk om met dit verlies te leven. Ook de rechtsorde wordt door een feit als zodanig behoorlijk geschokt en vooral de buurtbewoners van verdachte zullen zich hierdoor angstig en onveilig voelen. Uit hun verklaringen blijkt immers, dat ze nooit hadden verwacht dat verdachte tot zoiets in staat zou zijn. Gelukkig is, voor zover bekend, geen van hen getuige geweest van de doodslag en het toegetakelde lichaam van het slachtoffer, ondanks het feit dat dit vanaf de galerij zichtbaar was.

In de rapporten van psycholoog [naam] en psychiater [naam] is, zoals reeds is overwogen, geconcludeerd dat verdacht lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een paranoïde psychose en dat hij gelet hierop ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. Beide deskundigen hebben in hun rapport aangegeven dat verdachte al gedurende een groot aantal jaren psychische klachten heeft, waarvoor hij zowel antipsychotische als antidepressieve medicatie kreeg. Ondanks deze medicatie bleven zijn klachten bestaan. Zeker vanaf 2004, het moment dat verdachte in Syrië gevangen heeft gezeten, is er bij verdachte een paranoïde waanstoornis ontstaan. Deze paranoïde waanstoornis wordt gekenmerkt door de psychotische belevingen van verdachte dat hij door extremistische moslims en/of handlangers van de Syrische overheid zal worden geliquideerd.

Psycholoog [naam] heeft geconcludeerd dat de verdachte nog steeds psychotisch is. De kans op recidive wordt door hem als groot geschat. Psychiater [naam] heeft aangegeven dat voor de kans op recidive van belang is dat sprake is van het zeer persistent en wijdvertakte karakter van de paranoïde psychose. De wanen sluiten aan bij de politieke en religieuze overtuigingen van verdachte, zodat het voor hem erg moeilijk is om hiervan los te komen, ook indien hij trouw zijn medicatie inneemt. Daarbij is ook van belang dat verdachte leefde in een isolement en dat hij gebrek had aan sociale contacten. Deze leefomstandigheden kunnen de paranoïde psychose van hem in sterke mate onderhouden. Gelet op het persistente karakter van de paranoïde psychose, ondanks het gebruik van adequate antipsychotische medicatie, is de kans groot dat verdachte ook in de toekomst opnieuw dermate verstrikt geraakt in psychotische angsten en wanen dat de kans op zeer gewelddadig gedrag niet kan worden uitgesloten.

Beide deskundigen hebben geadviseerd om aan verdachte een TBS met voorwaarden op te leggen, met als voornaamste voorwaarde opname in een psychiatrisch ziekenhuis.

Gelet op de inhoud van de deskundigenrapporten, is de rechtbank van oordeel dat een TBS met dwangverpleging noodzakelijk is. Aan de eisen die de wet stelt aan het opleggen van een TBS, te weten het bestaan van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, een op het gepleegde feit gestelde gevangenisstraf van vier jaren of meer, en het gevaarscriterium worden voldaan. Anders dan de raadsvrouwe en de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een TBS met voorwaarden. Verdachte is weliswaar blijkens zijn strafblad nooit eerder voor gewelddadig gedrag veroordeeld, echter het betreft hier een zeer ernstig feit. Daarnaast is uit de deskundigenrapporten naar voren gekomen, dat de paranoïde psychose zeer hardnekkig bij verdachte aanwezig is, ondanks het feit dat verdachte hiervoor al jarenlang medicatie heeft gebruikt. Ook wordt de kans op recidive groot ingeschat. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een TBS met voorwaarden een te vrijblijvend karakter heeft. Alleen via een TBS met dwangverpleging is de noodzakelijke behandeling van verdachte te combineren met een afdoende bescherming van de maatschappij. De rechtbank zal dan ook TBS met dwangverpleging opleggen.

8 De overwegingen over het beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijk voorschriften.

De beslissing berust op de artikelen 37a, 37b en 287 van het wetboek van strafrecht.

10 De beslissing.

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is aangegeven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Doodslag

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat hem van alle rechtsvervolging;

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt daarbij dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1 2.00 STK Schoeisel Kl:zwart

heren

van verdachte inbeslaggenomen voor onderzoek

2 1.00 STK Shirt Kl:geel

-

zonder mouwen van VE inbeslaggenomen voor onderzoek

3 1.00 STK Broek Kl:beige

-

heren pantalon van VE inbeslaggenomen voor onderzoek

4 1.00 STK Overhemd Kl:beige

heren

van VE inbeslaggenomen voor onderzoek

5 1.00 STK Vest Kl:blauw

heren wol

van VE inbeslaggenomen voor onderzoek

7 1.00 STK Mes

-

mes zat in de rechterzak van verdachte

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. Breeman en mr. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Venekamp-Vriends en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 februari 2007.

BIJLAGE.

hij op of omstreeks 20 oktober 2006 te Tilburg tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten

rade [naam verdahte] (die in Nederland bekend is als [naam verdachte]) van het leven heeft

beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die Arzeug

meermalen met een hamer, althans een zwaar en/of hard voorwerp, op zijn hoofd

geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht