Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ8070

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
08-02-2007
Zaaknummer
AWB 05/2239
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft zijn verzoek tot schadevergoeding ex artikel 8:73a van de Awb niet tegelijkertijd ingediend bij de schriftelijke intrekking van zijn beroep. Op grond van het eerste lid van voornoemd artikel zou het verzoek dan niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat belanghebbende met het bepaalde in voornoemd artikel niet bekend was.

Een redelijke wetstoepassing brengt dan met zich mee dat een verzoek tot schadevergoeding ook ontvankelijk is indien het wordt gedaan na intrekking van het beroep maar binnen een redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/451
V-N 2007/26.9 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2239

Uitspraakdatum: 11 januari 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzet van:

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (België), belanghebbende,

tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Awb gedane uitspraak van de rechtbank, van 12 juni 2006

1. Behandeling van het verzet

1.1. Bij genoemde uitspraak van deze rechtbank is het verzoek om vergoeding van geleden schade van belanghebbende (met bovengenoemd procedurenummer) met toepassing van artikel 8:54 van de Awb (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek niet gelijktijdig met de intrekking van het beroep heeft plaatsgevonden.

1.2. Bij brief van 26 juli 2006 heeft belanghebbende verzet gedaan tegen deze uitspraak.

De rechtbank heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzet van belanghebbende. De inspecteur heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en heeft met dagtekening 21 augustus 2006 een verweerschrift ingediend.

1.3. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord. Belanghebbende heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2. Feiten en de gronden van het verzet

2.1. Belanghebbende heeft bij brief van 15 juni 2005, ingekomen bij de rechtbank op 20 juni 2005 pro forma beroep aangetekend tegen de uitspraak op het bezwaarschrift betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2001 van 30 mei 2005. Bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 10 augustus 2005, heeft belanghebbende zijn beroepschrift gemotiveerd.

2.2. Bij brief van 15 september 2005 deelt de inspecteur de rechtbank mede dat tussen partijen op 14 september 2005 een gesprek heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan de inspecteur de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 ambtshalve heeft verminderd.

2.3. Bij brief van 20 september 2005 vraagt de griffier van de rechtbank, onder verwijzing naar de aan belanghebbende gerichte brief van 15 september 2005 van de inspecteur, of belanghebbende de griffier wil berichten of de inhoud van dat schrijven belanghebbende aanleiding geeft het beroep tegen het besluit van de inspecteur van 30 mei 2005 in te trekken. Tevens voegt de griffier een intrekkingsverklaring bij en wijst belanghebbende op de artikelen 8:73a en 8:75a van de Awb die belanghebbende de mogelijkheid geven een verzoek tot vergoeding van schade die belanghebbende wegens het bestreden besluit heeft geleden respectievelijk (proces)kosten die belanghebbende tijdens de onderhavige beroepsprocedure heeft gemaakt in te dienen, mits dit verzoek gelijktijdig met de intrekking van het beroep wordt gedaan.

2.4. Belanghebbende bericht de rechtbank bij brief van 19 september 2005, ingekomen bij de rechtbank op 21 september 2005 dat hij het “ingestelde beroep wenst in te trekken”, aangezien “een gesprek met de Belastingdienst tot een bevredigend resultaat heeft geleid”.

2.5. Bij brief van 30 september 2005, door de rechtbank ontvangen op 4 oktober 2005, retourneert belanghebbende de intrekkingsverklaring en doet daarbij een verzoek om vergoeding van geleden schade.

2.6. Bij de in verzet bestreden uitspraak van 12 juni 2006 van de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank is het verzoek om schadevergoeding, zoals reeds vermeld onder 1.1., (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard, op grond van navolgende overweging: “Nu belanghebbende zijn verzoek om vergoeding van de geleden schade als bedoeld in artikel 8:73a van de Awb met dagtekening 30 september 2005 aan de rechtbank heeft ingezonden, en hij zijn beroep op 19 september 2005 rechtsgeldig heeft ingetrokken, heeft het verzoek om vergoeding van geleden schade niet gelijktijdig met de intrekking van het beroep plaatsgevonden. Op grond van de derde volzin van het eerste lid van artikel 8:73a van de Awb dient de rechtbank derhalve het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.”.

2.7. De gronden waarop belanghebbende het verzet baseert staan vermeld in het verzetschrift.

3. Beoordeling van het verzet

3.1. Ingevolge artikel 8:73a, eerste lid, van de Awb, dient een verzoek tot schadevergoeding te worden gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep en wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard indien niet aan dit vereiste is voldaan.

3.2. Belanghebbende heeft bij brief van 19 september 2005 schriftelijk uiting gegeven aan zijn wens om de beroepsprocedure te beëindigen. Met die brief is het beroep dan ook ingetrokken. Dit zou dan ook tot de slotsom leiden dat het verzoek om schadevergoeding niet tijdig is gedaan.

3.3. Redelijkerwijs kan echter worden aangenomen dat belanghebbende met het bepaalde in gemeld artikel 8:73a, eerste lid, van de Awb, niet bekend is.

3.4. Voor dat geval brengt een redelijke wetstoepassing mee dat een verzoek tot schadevergoeding ook ontvankelijk is indien het - zoals zich in dezen voordoet - wordt gedaan na de intrekking van het beroep maar binnen een redelijke termijn tegelijk met een door de rechtbank toegezonden intrekkingsverklaring.

3.5. Gelet op het vorenstaande is het verzet gegrond. Het onderzoek dient te worden voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 11 januari 2007 door mr.drs. F.J.P.M. Haas, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R.A.M.T. Klaassen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan belanghebbende en de wederpartij in het bodemgeschil op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbende en de wederpartij in het bodemgeschil binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Bij het instellen van beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het beroep in cassatie.