Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ8026

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
05-01-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
AWB 06/1010
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank past het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006, nr 40369 inzake de toerekening van opzet/grove schuld van adviseur aan belanghebbende toe in de situatie waarbij een notaris aangifte overdrachtsbelasting doet naar een te lage waarde. Geen toerekening nalatigheid notaris aan belanghebbende en evenmin aannemelijk dat sprake is van grove schuld bij belanghebbende zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2007, 43
V-N 2007/23.6 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0246 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1010

Uitspraakdatum: 5 januari 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 23 januari 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende bij beschikking van 14 oktober 2005 opgelegde vergrijpboete ad € 948.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2006 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 322, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende dient te voldoen;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 aan hem vergoedt.

2. Gronden

1.1. In geschil is of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. De bewijslast in deze rust op de inspecteur.

2.2. Belanghebbende dreef met zijn broer in maatschapsverband een argrarische onderneming. De maatschap is per 1 januari 1992 ontbonden. Uiteindelijk is het maatschapsvermogen per eind 2004 gescheiden en gedeeld naar de toestand en de waarde per 1 januari 1992. In de notariële akte van scheiding en deling is ook een woonhuis betrokken. Ten onrechte heeft de notaris, namens belanghebbende, met betrekking tot het woonhuis aangifte overdrachtsbelasting gedaan naar de waarde per 1 januari 1992 (€ 37.600) in plaats van de waarde per oktober 2004. De inspecteur heeft met betrekking tot het niet in geschil zijnde waardeverschil overdrachtsbelasting nageheven en daarbij een boete ex artikel 67f AWR van 25% opgelegd.

2.3. De Hoge Raad heeft onder andere in zijn arrest van 1 december 2006, nr 40.369, voorzover te dezen van belang, overwogen:

“3.4. Terugkomend van het arrest BNB 1988/270 acht de Hoge Raad het geraden ook voor (bestuursrechtelijke) fiscale vergrijpboetes de mogelijkheid van toerekening van opzet of grove schuld van een ander dan de belastingplichtige aan de belastingplichtige uit te sluiten. Zulks voorkomt dat op grond van een dergelijke toerekening strijd zou kunnen ontstaan met de in artikel 6, lid 2, EVRM neergelegde eis dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

3.5. Opmerking verdient dat laatstbedoelde bepaling niet eraan in de weg staat dat het bewijs van opzet of grove schuld van de belastingplichtige in een voorkomend geval kan worden geleverd met behulp van vermoedens (HR 17 januari 1990, nr. 26282, BNB 1990/193). De enkele omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, wiens opzet of grove schuld wordt vastgesteld, rechtvaardigt evenwel niet het vermoeden dat ook bij de belastingplichtige zelf opzet of grove schuld aanwezig is geweest.

3.6. Opmerking verdient tevens dat de omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie opzet of grove schuld kan worden verweten, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf (voorwaardelijk) opzet of grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de belastingplichtige kan worden gevergd, zal intussen van geval tot geval sterk kunnen verschillen, bij voorbeeld naar gelang zijn hoedanigheid en zijn kennis en ervaring omtrent de terzake relevante fiscale en andere aspecten. De inspecteur heeft van een en ander de stelplicht en de bewijslast.”

2.4. De rechtbank is van oordeel dat er bij een notaris redelijkerwijs van uit kan worden gegaan dat hij over de kennis beschikt die samenhangt met de heffing van overdrachtsbelasting bij de transacties in onroerende zaken. De rechtbank is daarom van oordeel dat een notaris ernstige nalatigheid kan worden verweten indien hij, onder de gegeven omstandigheden, een akte passeert waarbij, zoals in het onderhavige geval is geschied, te weinig overdrachtsbelasting wordt afgedragen. Deze nalatigheid kan, gelet op het vermelde onder 2.3, niet aan belanghebbende worden toegerekend in die zin dat daarmee sprake is van grove schuld van belanghebbende zelf dan wel dat daarmee een vermoeden van grove schuld bij belanghebbende gerechtvaardigd is.

2.5. De rechtbank acht de inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat sprake is van grove schuld bij belanghebbende zelf. De rechtbank hecht in dit kader belang aan de geloofwaardige verklaring van belanghebbendes gemachtigde ter zitting dat de slotpassages in de notariële akte betreffende de overdrachtsbelasting voor belanghebbende bijzaak zijn en dat hij er van uitgaat dat de notaris deze zaken goed regelt, een en ander bezien in samenhang met het feit dat hij zelf geen juridische kennis bezit.

De stelling van de inspecteur dat belanghebbende gezien de lage aangegeven waarde van

€ 37.600 redelijkerwijs moest begrijpen dat de aangifte onjuist was, wordt, gezien belanghebbendes achtergrond en in het licht van het feit dat ten aanzien van de te bepalen stakingswinst in de aangifte inkomstenbelasting wel van deze waarde is uitgegaan, verworpen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat onjuist is dat belanghebbende niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de samenwerking met de notaris op het gebied van de overdrachtsbelasting.

2.6. Gelet op al het vorenoverwogene is beslist als voormeld.

3. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 322 en een wegingsfactor 0,5).

Deze uitspraak is gedaan op 5 januari 2007 door mr. A.J. Kromhout, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.