Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ7645

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
05 / 5062 HOREC
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing ex artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het tappen van zwakalcoholische dranken voor een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard. Het geheel van activiteiten dat samen de zomerfeesten van Almkerk vormt, is één evenement waarvoor jaarlijks slechts één ontheffing mag worden verleend. Deze ontheffing dient voor één aaneengesloten periode te worden verleend. Deze aaneengesloten periode kan maximaal 12 dagen bedragen. Het verlenen van drie ontheffingen voor drie verschillende perioden is in strijd met artikel 35 van de DHW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2007/1683
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 05 / 5062 HOREC

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

vereniging Koninklijke Horeca Nederland, afdeling Altena Dongemond,

zetelend te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg,

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde 1],

en

de burgemeester van de gemeente Woudrichem,

verweerder.

1. Het procesverloop

Namens eiseres is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 november 2005 (bestreden besluit), verzonden op 16 november 2005, inzake de verlening van een drietal ontheffingen krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet (DHW) ten behoeve van de zomerfeesten in Almkerk in 2005. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 3 november 2006. Daarbij werd eiseres vertegenwoordigd door [gemachtigde eiseres 2] en [gemachtigde eiseres 1] van Bureau Eerlijke Mededinging. Namens verweerder zijn [gemachtigde verweerder 1] en [gemachtigde verweerder 2] verschenen. Voor de Stichting Jeugdwerk Almkerk ‘De Soos’ (de stichting) waren [medewerker de stichting 1] en [medewerker de stichting 2] aanwezig, bijgestaan door mr. drs. A.J. van der Knijff.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

2. De beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De stichting heeft een zomerprogramma van activiteiten georganiseerd, die plaatsvinden in een feesttent aan de Dirk van Clevestraat te Almkerk gedurende de periode van 29 juli 2005 tot en met 13 augustus 2005, bekend als de zomerfeesten.

In het kader van voornoemde zomerfeesten is, ten behoeve van de stichting, door [medewerker de stichting 2] uit Almkerk op 21 februari 2005 een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de DHW bij verweerder ingediend, voor de perioden van 29 juli 2005 tot en met 30 juli 2005, 1 augustus 2005 tot en met 6 augustus 2005 en 8 augustus 2005 tot en met 13 augustus 2005.

Bij drie afzonderlijke besluiten van 14 juni 2005 heeft verweerder de gevraagde ontheffing voor de drie hiervoor genoemde perioden verleend. Tegen deze drie ontheffingen is namens eiseres bezwaar gemaakt, kort gezegd inhoudende dat met de verlening van ontheffing voor drie verschillende perioden de in artikel 35 van de DHW genoemde ontheffingsperiode van maximaal 12 aaneengesloten dagen voor één evenement wordt omzeild. Tevens is namens eiseres de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 28 juli 2005 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2.2 Namens eiseres wordt, samengevat, aangevoerd dat de Almkerkse zomerfeesten moeten worden aangemerkt als één evenement als bedoeld in artikel 35 van de DHW, dat geen ontheffing mag worden verleend voor een evenement dat meer dan 12 dagen duurt en dat de zomerfeesten in Almkerk maximaal 12 dagen mogen duren.

2.3 Ingevolge artikel 3 van de DHW is het verboden om zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de DHW kan de burgemeester ten aanzien van het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank op aanvraag ontheffing verlenen van het in artikel 3 voor de uitoefening van het horecabedrijf gestelde verbod, bij een in de beschikking aangewezen bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen, mits de verstrekking geschiedt onder onmiddellijke leiding van een persoon die voldoet aan artikel 8, tweede lid en vierde lid.

2.4 Gelet op het feit dat de periode waarvoor de gewraakte ontheffing van de DHW is verleend inmiddels is verstreken, ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de vraag of nog een belang aanwezig is bij een beoordeling van het beroep. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, aangezien de Almkerkse zomerfeesten voorlopig ieder jaar opnieuw in de huidige vorm zullen worden georganiseerd en in dat kader steeds een ontheffing van de DHW zal worden aangevraagd. Verder is voor de rechtbank duidelijk dat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen alledrie op 14 juni 2005 verleende ontheffingen, zodat eiseres geen rechten heeft verspeeld. Aangenomen wordt verder dat eiseres een belang vertegenwoordigt dat door de verleende ontheffingen wordt getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van eiseres dan ook ontvankelijk.

2.5 Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de DHW kan één ontheffing voor een periode van maximaal 12 aaneengesloten dagen worden verleend voor een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard. In dit kader ziet de rechtbank zich allereerst gesteld voor de vraag of de zomerfeesten in Almkerk dienen te worden beschouwd als één evenement, zoals eiseres betoogt, of als afzonderlijke activiteiten die op zichzelf staan, zoals verweerder met steun van de stichting betoogt.

In de parlementaire geschiedenis van het huidige artikel 35 wordt het begrip ‘bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard’ geïllustreerd door daarnaast te spreken van ‘tijdelijke evenementen zoals braderieën, jaarmarkten en dergelijke’ en van ‘bijzondere festiviteiten’. Uit deze voorbeelden en formuleringen volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat onder het begrip ‘bijzondere gelegenheid’ niet alleen afzonderlijke activiteiten maar ook een geheel van op elkaar afgestemde activiteiten kan worden begrepen als één evenement in de zin van artikel 35 van de DHW.

Voor het standpunt van verweerder en de stichting spreekt dat in het kader van de Almkerkse zomerfeesten diverse activiteiten voor verschillende doelgroepen worden georganiseerd en dat deze verschillende activiteiten worden georganiseerd door verschillende werkgroepen binnen de stichting. Zo is er voor de kinderen een kindershowavond, voor jongeren is er een solexrace en een drive-in show, en voor ouderen is er onder meer een bingo. Op zondag is er voor de kerkgangers een kerkdienst in de feesttent. Voor het standpunt dat de activiteiten als één geheel moeten worden beschouwd, spreekt dat de activiteiten door de stichting worden georganiseerd, dat wordt beoogd voor alle doelgroepen een activiteit te organiseren en deze activiteiten onderling zijn afgestemd in één programma, dat alle activiteiten plaatsvinden in de speciaal voor de zomerfeesten opgerichte feesttent, dat naast de eenmalige activiteiten ook meerdaagse en daarmee bindende evenementen plaatsvinden in de vorm van het timmerdorp en de kermis, dat de verschillende activiteiten worden gepresenteerd als één programma, dat de ontheffingen voor de verschillende feestavonden zijn aangevraagd door één persoon van de stichting, dat voor deze ontheffingen ook maar één aanvraag is ingediend en dat niet de betreffende feestavond maar de zomerfeesten in de ontheffingen worden aangeduid als het evenement waarvoor ontheffing wordt verleend. Daar komt bij dat voor de zomerfeesten ook maar één evenementenvergunning is verleend. Vanwege deze coördinatie van activiteiten en van de organisatie daarvan en vanwege het feit dat iedereen spreekt over de zomerfeesten in plaats van over de afzonderlijke activiteiten, worden de zomerfeesten van Almkerk door de rechtbank aangemerkt als één bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard in de zin van artikel 35 van de DHW. Dit betekent dat voor dit evenement jaarlijks slechts één ontheffing kan worden verleend.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het evenement niet langer dan 12 dagen mag duren. Uit de parlementaire geschiedenis komt echter naar voren dat de wetgever niet heeft bedoeld om de duur van het evenement te beperken maar de geldingsduur van de ontheffing. Dat betekent dat een evenement wel langer dan 12 dagen mag duren, maar dat er slechts één ontheffing kan worden verleend voor een aangesloten periode van maximaal 12 dagen. Het splitsen van een ontheffing in afzonderlijke perioden, zelfs wanneer die perioden samen niet langer duren dan 12 dagen, is strijdig met de regel dat één ontheffing wordt afgegeven voor één aaneengesloten periode.

Voorgaande overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat verweerder voor het geheel van activiteiten die samen de zomerfeesten van Almkerk vormen, jaarlijks slechts één ontheffing mag verlenen. Deze ontheffing dient voor één aaneengesloten periode te worden verleend. Deze aaneengesloten periode kan maximaal 12 dagen bedragen. Het verlenen van drie ontheffingen voor drie verschillende perioden is in strijd met artikel 35 van de DHW. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.

2.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Omdat niet gebleken is van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiseres, zal een proceskostenveroordeling achterwege blijven.

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat de gemeente Woudrichem aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 276,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, en in aanwezigheid van mr. M.A.M. de Baar, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2007.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 29 januari 2007