Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:BG7097

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
16-12-2008
Zaaknummer
AWB 06/3155
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3155

Uitspraakdatum: 21 december 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 4 mei 2006 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor de jaren 2001 en 2002 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar belastbaar inkomens van respectievelijk:

- 2001: uit werk en woning (hierna: box 1) van € 48.971, waarbij de persoonsgebonden aftrek per 31 december 2001 is vastgesteld op € 285.695, uit aanmerkelijk belang van € 24.504 en uit sparen en beleggen van € 13.253;

- 2002: uit box 1 van € 36.549, waarbij de persoonsgebonden aftrek per 31 december 2002 is vastgesteld op € 249.174.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de echtgenoot van belanghebbende, en de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben op 15 augustus 2000 een monumentenpand, bekend als “[pand]” te [woonplaats] (hierna: het pand) gekocht voor een bedrag van ƒ 2.391.393. Het pand is gerenoveerd voor een bedrag van in totaal ƒ 4.547.888. Vanaf 8 december 2001 verhuurden belanghebbende en haar echtgenoot een gedeelte van het pand aan [BV], van welke vennootschap zij beiden 50% van de aandelen bezitten. Tussen partijen is niet in geschil dat de aankoop- en renovatiekosten van het aan de B.V. verhuurde gedeelte van het pand (hierna het winkelgedeelte van het pand) € 1.560.215 bedragen. Het winkelgedeelte van het pand is op de openingsbalans opgenomen tegen de getaxeerde waarde van € 1.300.000.

2.2. Belanghebbende en haar echtgenoot stellen dat het verschil tussen beide laatstgenoemde bedragen, ad € 260.215, vermeerderd met de aan het winkelgedeelte van het pand toe te rekenen deel van de financieringsrente dat tijdens de bouwperiode is betaald, ad € 25.206, in totaal derhalve € 285.421, is aan te merken als aanloopverlies. Van dit bedrag zou € 250.042 aftrekbaar zijn in box 1, waarvan 50%, dus € 125.021, is toe te rekenen aan belanghebbende. Volgens belanghebbende resulteert dit in een verrekenbaar verlies in box 1 per 31 december 2001 van € 76.050 en per 31 december 2002 van € 43.393. Het bedrag aan te verrekenen persoonsgebonden aftrek zou per 31 december 2001 en per 31 december 2002 € 334.693 belopen.

2.3. In de uitspraken op bezwaar zijn de belastbare inkomens 2001 ongewijzigd gebleven maar is het bedrag aan te verrekenen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2001 verhoogd tot € 285.722 en is de aanslag over 2002 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen in box 1 van € 32.657, waarbij het bedrag aan te verrekenen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2002 is vastgesteld op € 253.065.

2.4. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in 2001 een aanloopverlies in aanmerking mag nemen tot een bedrag van € 125.021 en of, in verband daarmee, het bedrag aan te verrekenen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2001 en per 31 december 2002 dient te worden verhoogd.

2.5. De rechtbank overweegt dat de terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel pas als werkzaamheid in de zin van artikel 3.91, eerste lid, onderdeel a van de Wet IB 2001 kwalificeert op het moment dat hiermee vermogen rendabel wordt gemaakt. In het onderhavige geval is dit moment gelegen op 8 december 2001, aangezien het winkelgedeelte van het pand vanaf dát moment aan de B.V. werd verhuurd. Van 1 januari 2001 tot 8 december 2001 viel het winkelgedeelte van het pand derhalve in box 3. De aan het winkelgedeelte van het pand toe te rekenen kosten konden in box 3 niet in aftrek worden gebracht en kunnen dan ook geen aanloopverlies met zich meebrengen. Vóór 1 januari 2001 viel het winkelgedeelte van het pand onder de vermogensbelasting en ook toen konden de kosten niet worden afgetrokken, zodat ook de periode vóór 1 januari 2001 geen aanloopverlies mee kan brengen.

2.6. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 21 december 2006 door mr. D. Hund, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.