Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:BG7070

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-10-2006
Datum publicatie
16-12-2008
Zaaknummer
AWB 05/5098
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/228

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/5098

Uitspraakdatum: 19 oktober 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 18 november 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de op de aangiften omzetbelasting over 2004 voldane omzetbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2006 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is ondernemer als bedoeld in artikel 7, aanhef en vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Zij heeft op 27 oktober 2005 een suppletieaangifte gedaan met daarin het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004. De inspecteur heeft dit verzoek aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de op aangifte voldane omzetbelasting over 2004 en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. Op grond van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, in combinatie met artikel 7:1 van de Awb kan bezwaar tegen de op aangifte voldane omzetbelasting worden gemaakt binnen 6 weken na de datum van de voldoening. Vaststaat dat belanghebbendes bezwaar niet binnen die termijn is ingediend.

2.3. Belanghebbendes verzoek behelsde niet alleen de teruggaaf van voldane omzetbelasting maar tevens een extra teruggaaf van voorbelasting. Artikel 17 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) bepaalt dat ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, het verschil aan de ondernemer op zijn verzoek wordt terugbetaald. Een verzoek om teruggaaf van belasting geschiedt ingevolge artikel 33 van de Wet OB bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Belanghebbende heeft over het jaar 2004 per kalendermaand aangifte omzetbelasting gedaan en de op aangifte verschuldigde belasting voldaan. Het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting had derhalve moeten worden gedaan in de maanden februari tot en met december 2004 (voor de tijdvakken januari tot en met november 2004) of januari 2005 (voor het tijdvak december 2004). Vaststaat dat belanghebbendes verzoek om teruggaaf niet is ingediend binnen de in de Wet OB daarvoor gestelde termijn.

2.4. De inspecteur heeft met dagtekening 18 november 2005 uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de op aangiften voldane omzetbelasting. Hij heeft niet apart een beschikking afgegeven op het onder punt 2.3. vermelde verzoek om teruggaaf van voorbelasting. Belanghebbende heeft de uitspraak blijkbaar tevens opgevat als een afwijzing van dat verzoek, het beroep betreft (kennelijk) tevens die afwijzing. In beginsel dient tegen een beschikking eerst bezwaar te worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld. De rechtbank zal daaraan in het onderhavige geval om proceseconomische redenen voorbijgaan nu het verzoek, vanwege de termijnoverschrijding, in beginsel niet-ontvankelijk is en belanghebbendes stelling over de ontvankelijkheid zowel geldt voor het bezwaar tegen de op aangifte voldane omzetbelasting als voor het verzoek om teruggaaf. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de inspecteur blijkbaar de bedoeling heeft gehad om in de uitspraak het verzoek van belanghebbende in zijn geheel – dus zowel wat betreft de op aangifte voldane omzetbelasting als voor wat betreft de teruggaaf van voorbelasting – niet-ontvankelijk te verklaren.

2.5. Belanghebbende heeft een woning laten bouwen waarin een werkkamer is gesitueerd die wordt gebruikt voor de fiscale eenheid. De woning is opgeleverd in 2005. Belanghebbende heeft de over de bouwkosten betaalde voorbelasting niet in aftrek gebracht. Belanghebbende stelt dat zij ten tijde van de oplevering alsnog mag kiezen voor aanmerking van de woning als bedrijfsvermogen, waardoor recht op teruggaaf van voorbelasting uit voorgaande jaren ontstaat.

2.6. Belanghebbende heeft zich voor de teruggaaf van omzetbelasting beroepen op het arrest Lennartz (Hof van Justitie van 11 juli 1991, nr. C-97/90). In dit arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat recht van aftrek van voorbelasting bestaat als een goed door een belastingplichtige wordt verworven met het doel dat aan te wenden ten behoeve van zijn economische activiteiten. Niet noodzakelijk is dat het goed onmiddellijk voor de economische activiteiten wordt aangewend. In een dergelijk geval moet bij de beantwoording van de vraag of het goed als belastingplichtige is verworven gelet worden op de zich voordoende feiten en omstandigheden, waaronder de aard van het goed en het tijdsverloop tussen verwerving en aanwending voor economische activiteiten. Het Hof van Justitie heeft zich niet uitgelaten over de vraag wanneer de aftrek van voorbelasting kan worden geclaimd.

2.8. Blijkens het arrest van het Hof van Justitie van 14 juli 2005, nr. C-434/03 (Charles en Charles-Tijmens) heeft een belastingplichtige het recht ervoor te kiezen om een investeringsgoed dat hij gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden en gedeeltelijk voor andere dan bedrijfsdoeleinden gebruikt, volledig in zijn onderneming op te nemen, alsmede, in voorkomend geval, de ter zake van de aanschaf van dat goed verschuldigde BTW volledig en onmiddellijk af te trekken.

2.9. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat de lidstaten zelf de formele bepalingen ook op het gebied van omzetbelasting mogen vaststellen, zij het dat zij daarbij de communautaire beginselen moeten waarborgen. De in de Wet OB en de AWR gestelde termijnen voor verzoeken om teruggaaf van voorbelasting c.q. bezwaar tegen op aangifte voldane omzetbelasting zijn dergelijke formele bepalingen. Belanghebbende heeft niet gesteld, noch is de rechtbank gebleken dat deze bepalingen op enigerlei vlak in strijd zouden komen met de communautaire beginselen. Nu vaststaat dat belanghebbendes verzoek c.q. bezwaar niet voldoen aan de formele vereisten, is belanghebbende niet-ontvankelijk. De rechtbank is van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Nieuwe jurisprudentie na verstrijken van de reguliere termijn voor indiening van een verzoek kan niet tot de conclusie leiden dat een belanghebbende door overschrijding van de termijn niet in verzuim is geweest (Hoge Raad 8 februari 2002, nr. 36 659, BNB 2002/105).

2.10. De Wet OB zou belanghebbende wel een mogelijkheid bieden tot herziening van voorbelasting indien bij ingebruikneming van goederen die tot het ondernemingsvermogen behoren zou zijn gebleken dat de omzetbelasting terzake voor een groter of kleiner deel in aftrek is gebracht dan waartoe belanghebbende door het gebruik was gerechtigd. Nu belanghebbende blijkbaar een werkkamer in de woning van meet af aan heeft bestemd voor zakelijk gebruik en daarin ten tijde van de oplevering geen wijziging is gekomen, doet (nog daargelaten of sprake is van ondernemingsvermogen) de mogelijkheid van herziening zich in het onderhavige geval niet voor.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 19 oktober 2006 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R.A.M.T. Klaassen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ‘s-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.